Het Portret van Dorian Gray

Origineel door Oscar Wilde, 1890

Vertaling door Koen van den Bruele, 2012

www.bi-book.com


Inhoud

Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 8
Hoofdstuk 9
Hoofdstuk 10
Hoofdstuk 11
Hoofdstuk 12
Hoofdstuk 13
Hoofdstuk 14
Hoofdstuk 15
Hoofdstuk 16
Hoofdstuk 17
Hoofdstuk 18
Hoofdstuk 19
Hoofdstuk 20



1 Hoofdstuk 1


  

Het atelier was gevuld met een rijke geur van rozen, en zodra de lichte zomerwind in de bomen van de tuin trilde, kwam er door de open deur een zwaar parfum van seringen, gevolgd door het fijnere aroma van de roze-bloeiende meidoorn.
   Vanaf de hoek van een Perzische divan, waarop hij naar gewoonte ontelbare sigaretten lag te roken, kon Lord Henry Wotton net de glans zien van de honingzoete en honingkleurige bloesems van gouden regens; de trillende takken schenen nauwelijks die last van vlammende schoonheid te kunnen dragen. Fantastische schaduwen van vogels in volle vlucht schoten over de lange tussore zijden gordijnen, die voor het grote raam hingen; ze gaven een Japans effect en herinnerden aan de animistische schilders van Tokio, die, ondanks de inherente onbeweeglijkheid van hun kunst, gevoelens van snelheid en beweging trachten uit te beelden. Het doffe gegons van de bijen, die heen en weer vlogen door het hoge ongemaaide gras of, met eentonig geduld, cirkelden rond de stoffig gouden horens van de strengelende kamperfoelie, scheen de stilte nog zwaarder te maken. Het vage gebruis van Londen was als de bastoon van een ver orgel.
   In het midden van de kamer, rustend op een schildersezel, stond, ten voeten uit, het portret van een jonge man van bijzondere schoonheid; op enige afstand zat de schilder zelf; Basil Hallward, wiens plotselinge verdwijning enige jaren geleden een algemene nieuwsgierigheid verwekte en aanleiding gaf tot menig vreemd vermoeden .
   Nu de schilder naar de gracieuze gedaante keek, die hij zo knap had weergegeven, kwam er een lach van genot over zijn gelaat; lang bleef die daar glanzen. Maar plotseling stond hij recht, en, de ogen dicht, drukte hij met de vingers op de slapen, alsof hij een vreemde droom, waaruit hij vreesde wakker te worden, in zijn brein probeerde vast te houden.
   “Het is je mooiste werk, Basil. Het beste wat je ooit gedaan hebt”, zei Lord Henry slapjes. “Je moet dit kunstwerk volgend jaar zeker naar de Grosvenor zenden. De Academy is te groot en te algemeen. Telkens wanneer ik daar kwam, waren er of zoveel mensen, dat ik de schilderijen niet zien kon - en dat was vervelend - of zoveel schilderijen, dat ik de mensen niet kon zien, en dat was nog vervelender. Echt, de Grosvenor is de enige plaats.”
   “Ik denk niet, dat ik dit ergens heen zal zenden”, antwoordde Basil, terwijl hij zijn hoofd met dat vreemde gebaar achterover wierp, waarvoor zijn vrienden in Oxford hem steeds uitlachten. “Nee, ik stuur het nergens naar toe.”
   Lord Henry trok zijn wenkbrauwen op en keek hem verbaasd aan door de dunne blauwe kringetjes rook, die grillig van zijn opiumsigaret opkrulden. “Nergens naar toe? Beste kerel, waarom? Heb je daar een reden voor? Wat zijn jullie schilders toch gekke kerels. Je doet alles ter wereld om naam te maken. Zodra je naam hebt, verlang je niets liever dan hem te verliezen. Het is onzinnig, want er is maar één ding in de wereld slechter dan over de tongen gaan en dat is: niet over de tongen gaan. Zulk een portret zou je verheffen boven alle jonge schilders in Engeland en het zou de oude jaloers maken, indien oude mensen nog een dergelijke emotie konden voelen.”
   “Ik weet, dat je het dwaas van me zal vinden”, antwoordde Basil, “maar, echt waar, ik kan het niet tentoonstellen. Ik heb er te veel van mezelf ingelegd.”
   Lord Henry strekte zich uit op het divan en lachte.
   “Ja ik wist wel dat je zou lachen, maar toch is het zo.”
   “Te veel van jou! Waarlijk Basil, ik wist niet dat je zo ijdel was; en ik kan echt geen gelijkenis zien tussen jou, met je ruwe gezicht, vol rimpels, en je zwarte haar, en deze Adonis, die er uit ziet of hij van ivoor en rozenbladeren is gemaakt. Beste Basil! hij is een jonge god! en jij... nu je ziet er intelligent uit enzovoort. Maar schoonheid, echte schoonheid eindigt waar een intelligente expressie begint. Intellect is in zichzelf een soort van overdrijving en verstoort de harmonie van elk gezicht. Zodra iemand gaat zitten om na te denken, wordt hij één en al neus of voorhoofd of een ander lelijk onderdeel. Kijk naar alle mannen die beroemd zijn om hun geleerdheid. Hoe verschrikkelijk lelijk zijn ze! Behalve natuurlijk de kerkgeleerden. Maar in de kerk denken ze niet na. Een bisschop zegt wanneer hij tachtig is, nog precies wat hij moest zeggen toen hij achttien was en bijgevolg ziet hij er altijd even stralend uit. Jouw geheimzinnige jonge vriend, waarover je mij nog nooit iets verteld hebt, maar wiens portret me bepaald betovert, denkt nooit na. Daar ben ik zeker van. Hij is een mooie jongen zonder hersens, die hier altijd in de winter moest zijn wanneer we weinig bloemen hebben om naar te kijken, of in de zomer wanneer we ons verstand wat willen afkoelen. Vlei jezelf maar niet, Basil, je lijkt niet het minst op hem!”
   “Je begrijpt me niet, Harry”, antwoordde de schilder. “Natuurlijk lijk ik niet op hem. Ik weet dat heel goed. En ik zou niet graag op hem willen lijken. Je gelooft me niet? Ik zeg je de waarheid. Er rust een vloek op elke fysieke en intellectuele uitzonderlijkheid, dezelfde vloek die op vorsten schijnt te rusten. Men mag niet verschillen van zijn evenmensen. De lelijken en dommen zijn het best af in deze wereld. Zij zitten op hun gemak en kijken naar de pret. Weten ze niets af van succes, ze kennen ook geen teleurstelling. Zij leven zoals wij allemaal zouden moeten leven, ongestoord en onverschillig en zonder onrust. Zij brengen nooit ellende over anderen en krijgen die ook nooit van anderen. Jij, door je rang en rijkdom, Harry; ik, door mijn hersens en kunst, wat die dan ook waard zijn; Dorian Gray, door zijn mooi gezicht, we moeten allemaal lijden door wat de goden ons geven, verschrikkelijk lijden.”
   “Dorian Gray? Heet hij zo?”, vroeg Lord Henry.
   “Ja, zo heet hij. Ik was niet van plan het je te vertellen.”
   “Waarom niet?”
   “O, ik weet het niet. Als ik veel van iemand hou, zeg ik nooit zijn naam. Het is of ik dan iets van hem weggeef. Ik heb geleerd van mysteries te houden. Het schijnt nog het enige wat het moderne leven interessant of bijzonder maakt. Het gewoonste wordt mooi als je het maar verbergt. Als ik de stad uit ga geef ik nooit mijn adres op. Indien ik dat deed zou ik nooit plezier hebben. Het is zeker een gekke gewoonte, maar het geeft iets romantisch aan je leven. Ik geloof, dat je me erg dwaas vindt.”
   “O nee”, antwoordde Lord Henry, “volstrekt niet, waarde Basil. Je schijnt te vergeten, dat ik getrouwd ben, en de enige bekoring van het huwelijk is dat het een leven van voor de gek houden nodig maakt voor beide partijen. Ik weet nooit waar mijn vrouw is, en mijn vrouw weet nooit wat ik doe. Als we elkaar ontmoeten - we ontmoeten elkaar nu en dan op een diner of bij de Hertog - dan vertellen we elkaar de onzinnigste geschiedenissen met de ernstigste gezichten. Mijn vrouw kan dat heel goed, veel beter dan ik. Zij vergist zich nooit in haar datums, en ik altijd. Maar als ze dat ontdekt maakt ze er nooit een scène van. Soms wou ik dat ze het wel deed, maar ze lacht me alleen maar uit.”
   “Ik hou er niet van zoals je over je huwelijksleven praat”, zei Basil Hallward, en hij ging naar de tuindeur. “Ik geloof dat je in wezen een goed man bent, maar dat je je teveel schaamt over je eigen goedheid. Je bent een bijzondere kerel. Je zegt nooit iets goeds en je doet nooit iets kwaad. Je scepticisme is maar een pose.”
   “Natuurlijk zijn is ook een pose, en de vervelendste die ik ken”, lachte Lord Henry. Ze gingen de tuin in en zetten zich behaaglijk neer op een rieten bank in de schaduw van een hoge laurierboom. Het zonlicht gleed over de gepolijste bladeren. In het gras trilden witte madelieven.
   Na een poosje haalde Lord Henry zijn uurwerk boven. “Ik denk dat ik maar eens moet opstappen, Basil”, zei hij zacht, “en voor ik wegga zou ik willen dat je mij antwoord geeft op de vraag, die ik je daarnet stelde.”
   “Wat dan?”, vroeg de schilder, starend naar de grond.
   “Dat weet je heel goed.”
   “Nee, werkelijk niet, Harry.”
   “Nu, dan zal ik ze nog eens herhalen. Ik wil weten waarom je het portret van Dorian Gray niet wilt exposeren. Ik wil de werkelijke reden weten.”
   “Die heb ik je al gezegd.”
   “Nee, dat heb je niet. Je zei: omdat er te veel van jou in zit. Nu, dat is kinderachtig.”
   “Harry”, zei Basil Hallward, hem recht in de ogen kijkend, “een portret dat met gevoel is geschilderd, is een beeld van de kunstenaar, niet van het model dat geposeerd heeft. Het model is een toevallige bijkomstigheid. Het wordt weergegeven door de schilder, maar het is de schilder die zichzelf openbaart in het doek. De reden dat ik dit portret niet wil tentoon stellen is dat ik bang ben het geheim van mijn eigen ziel erin te tonen.”
   Lord Henry lachte. “En wat is dat geheim?”, vroeg hij.
   “Ik zal het je zeggen”, zei Hallward, maar iets van verlegenheid gleed over zijn gelaat.
   “Ik ben een en al verwachting, Basil!”, ging zijn vriend verder, terwijl hij hem aanstaarde.
   “Och, het is in een paar woorden gezegd, Harry,” antwoordde de schilder; “en ik ben bang, dat je het niet eens zal begrijpen. Misschien, geloof je het ook niet.”
   Lord Henry glimlachte en, zich neerbuigend, plukte hij een roodbladig madeliefje uit het gras, en keek ernaar. “Ik ben ervan overtuigd dat ik het wel zal begrijpen”, zei hij, en hij bleef aandachtig het goud en wit stralende zonnetje in zijn hand bekijken, “en wat geloven aangaat, ik kan alles geloven, als het maar heel ongeloofwaardig is.”
   De wind schudde wat bloesems van de bomen en de zware seringentakken, vol trossen van sterretjes wiegelden heen en weer in de zwoele lucht. Een sprinkhaan tjirpte bij de muur en als een blauwe draad vloog een lange, dunne libel voorbij op bruinig gazen vleugels. Lord Henry meende Basil Hallwards hart te horen kloppen; hij was nieuwsgierig naar wat er komen zou.
   “Het is eenvoudig dit”, zei de schilder na een ogenblik. “Twee maand geleden ging ik naar een receptie bij Lady Brandon. Je weet, wij arme artisten moeten ons van tijd tot tijd in gezelschap vertonen om het publiek eraan te herinneren dat we geen wilden zijn. Met een smoking en een witte das, heb jij eens gezegd, kan iedereen, zelfs een aannemer, doen alsof hij een man van de wereld is. Nu, toen ik tien minuten binnen was en gepraat had met dikke, opgeklede douairières en vervelende academici voelde ik ineens dat iemand naar mij keek. Ik draaide mij half om en zag Dorian Gray voor de eerste keer. Toen onze ogen elkaar ontmoetten, voelde ik dat ik bleek werd. Een eigenaardig gevoel van angst kwam over mij. Ik wist dat ik tegenover iemand stond wiens persoonlijkheid alleen al zulk een charme had dat, als ik mij er niet tegen verzette, mijn gehele natuur, mijn ziel, ja zelfs mijn kunst er zich zou in oplossen. Ik wilde geen invloeden van buitenaf op mijn leven. Je weet, Harry, hoe onafhankelijk ik van nature ben. Ik ben altijd mijn eigen baas geweest; tenminste: tot ik Dorian Gray ontmoette. Ik weet niet hoe ik het moet uitleggen maar iets zei me dat ik op de rand stond van een geweldige crisis in mijn leven. Ik had een vreemd voorgevoel dat het Noodlot bijzondere genietingen en bijzonder verdriet voor mij klaar hield. Ik werd bang en wou de kamer uitgaan. Het was niet mijn geweten dat mij hiertoe dwong, het was een soort lafheid. Het was een onwillekeurige aandrang om te vluchten.”
   “Geweten en lafheid zijn echt precies hetzelfde, Basil. Geweten is slechts een mooie verpakking voor een waardeloos artikel. Dat is het enige verschil.”
   “Daar geloof ik niets van, Harry, en jij ook niet. Ik weet niet wat er mij toe dwong, misschien een soort trots, want ik was vroeger heel trots, maar dit is zeker: ik probeerde de deur uit te gaan. Maar ik bonsde toen natuurlijk tegen Lady Brandon aan: 'U bent toch niet van plan om nu al weg te gaan, Mr. Hallward? ' riep zij. Je kent haar schelle stem.”
   “Ja, ze is in alles een pauw, behalve in schoonheid”, zei Lord Henry terwijl hij het madeliefje met zijn lange, zenuwachtige vingers aan stukken trok.
   “Ik kon niet van haar afkomen. Zij presenteerde me aan koninklijke personen, en besterde en bekousenbande mensen en oude dames met reusachtige tiara's en kakatoe neuzen. Ze sprak over mij als over een intieme vriend. Ik had haar slechts eenmaal ontmoet, maar ze had zich in haar hoofd gehaald mij te lanceren. Ik geloof dat één van mijn schilderijen net nogal wat succes had gehad; er was tenminste over geschreven in de kranten die voor één penny te koop zijn; je weet wel, die schrifturen der onsterfelijkheid van de negentiende eeuw. Opeens kwam ik vlak bij de jongen. We stonden naast elkaar en raakten elkaar bijna aan. We keken elkaar in de ogen. Het was roekeloos van mij, maar ik vroeg Lady Brandon mij aan hem voor te stellen. Misschien was het toch niet gewaagd. Het was eenvoudig onvermijdelijk. We zouden met elkaar gesproken hebben, ook zonder presentatie. Daar ben ik zeker van. Dorian vertelde mij dat later. Ook hij voelde dat we voorbestemd waren om elkaar te kennen.”
   “En hoe beschreef Lady Brandon dat jonge wonder?”, vroeg zijn vriend. “Ik weet, dat ze graag van al haar gasten de doopceel licht. Ik herinner me dat ze me eens meesleepte naar een woeste, oude heer, eentje met een rood gezicht en helemaal behangen met decoraties en lintjes en toen met een tragisch gefluister, dat volmaakt hoorbaar voor de hele zaal moet geweest zijn, mij de wonderlijkste details in het oor siste. Ik ging ervandoor. Ik hou ervan zelf mijn kennissen uit te kiezen. Maar Lady Brandon behandelt haar gasten zoals een marktkramer zijn waren behandelt. Zij prijst ze aan en vertelt er vanalles over, behalve datgene wat men er echt wil over weten.”
   “Arme Lady Brandon. Je bent hard voor haar, Harry!”, zei Hallward lusteloos.
   “Mijn beste kerel, ze probeert een salon te houden en houdt alleen maar een restauratie. Hoe kan ik haar dan bewonderen? Maar zeg nu, wat zei ze van Mr. Dorian Gray?”
   “O, zo iets van: 'Lieve jongen; zijn arme beste moeder en ik waren onafscheidelijk. Ik ben helemaal vergeten wat hij uitvoert; ik ben bang, dat hij niets doet. O ja, hij speelt piano, of is het viool, beste Mr. Gray?' We moesten allebei lachen, en werden dadelijk vrienden.”
   “Lachen is volstrekt geen kwaad begin voor vriendschap en het is zeker het beste einde ervoor”, zei de jonge lord, terwijl hij een ander madelief plukte.
   Hallward schudde zijn hoofd. “Jij weet niet wat vriendschap is, Harry”, mompelde hij, “of wat vijandschap is. Je houdt van iedereen, ik bedoel je houdt van niemand.”
   “Wat ben je verschrikkelijk onrechtvaardig”, zei Lord Henry. Hij zette zijn hoed achterover en keek naar de wolkjes, die als uiteengerafelde strengen glanzend witte zijde door het gewelfde turkoois van de zomerlucht dreven. “Ja, verschrikkelijk onrechtvaardig. Ik maak een groot onderscheid tussen mensen. Ik kies mijn vrienden voor hun mooie gezichten, mijn kennissen voor hun goede karakters en mijn vijanden voor hun goede hersens. Men kan niet kieskeurig genoeg zijn in de keuze van zijn vijanden. Ik heb er geen enkele die dom is. Het zijn allemaal mannen met ontwikkeling en bijgevolg appreciëren ze me allemaal. Is dat heel ijdel van me? Ik geloof het wel.”
   “Dat geloof ik ook Harry. Maar, volgens jouw onderverdeling blijk ik dus maar een kennis te zijn.”
   “Mijn beste oude jongen, je bent veel meer dan een kennis.”
   “En minder dan een vriend. Een soort broer, denk ik.”
   “O broers, ik geef niets om broers. Mijn oudste broer wil niet dood gaan, en mijn jongere broers doen niet anders.”
   “Harry!”, riep Hallward met een frons uit.
   “Mijn beste jongen, ik ben niet helemaal ernstig. Maar ik kan het niet helpen dat ik een hekel heb aan mijn familie. Ik denk, dat het komt omdat we niemand uit kunnen staan die dezelfde fouten heeft als wijzelf. Ik voel een volkomen sympathie voor de woede van de Engelse democraten tegen wat ze de ondeugden van de hogere klassen noemen. Het volk voelt dat dronkenschap, stompzinnig gedrag en onzedelijkheid hun eigen privé bezit behoren te zijn en dat, wanneer iemand van ons zich vergooit, hij zich op hun terrein waagt. Toen die arme Southwark voor het Hof van Echtscheiding kwam, waren zij geweldig verontwaardigd. En toch geloof ik dat geen tien percent van het proletariaat netjes leeft.”
   “Ik ben het in geen woord met je eens, Harry, en bovendien ben jij dat zelf ook niet.”
   Lord Henry streek over zijn bruine puntbaardje en tikte aan de punt van zijn verlakte laars met zijn ebbenhouten stokje met kwasten. “Wat ben je door en door Engels, Basil! Het is al de tweede keer dat je die opmerking maakt. Als je een idee uiteenzet voor een goede Engelsman - en dat is al een onvoorzichtig ding! - dan komt het niet bij hem op te overwegen of het idee goed of kwaad is. Het enige waar hij belang aan hecht, is of je het zelf gelooft. Nu, de waarde van een idee heeft helemaal niets te maken met de oprechtheid van hem die het verkondigt. Hoe minder hij het meent, des te meer kans heb je dat zijn opinie van enige waarde is, want in dat geval hebben noch zijn behoeften, noch zijn wensen of vooroordelen er enige invloed op gehad. Daarbij ben ik niet van plan om politiek, sociologie of metafysica met jou te bespreken. Ik hou meer van mensen dan van principes, en ik hou het meest van mensen zonder principes. Vertel nog het één en ander van Mr. Dorian Gray. Zie je hem dikwijls?”
   “Elke dag. Ik zou niet gelukkig kunnen zijn indien ik hem niet iedere dag zag. Hij is voor mij een behoefte geworden.”
   “Hoe vreemd! Ik dacht, dat jij nooit om iets anders dan om je kunst zou geven.”
   “Hij is nu geheel en al mijn kunst voor mij”, zei de schilder ernstig. “Soms denk ik wel eens, Harry, dat er maar twee ogenblikken van enig gewicht zijn in de hele wereldgeschiedenis. Ten eerste de geboorte van een nieuwe kunstvorm; ten tweede de geboorte van een nieuwe persoonlijkheid voor de kunst. Wat de uitvinding van schilderen in olieverf was voor de Venetianen, was het gelaat van Antinous voor de Griekse beeldhouwkunst, en zal het gezicht van Dorian Gray ook eens voor mij zijn. Het is niet alleen dat ik hem schilder, teken of schets. Natuurlijk heb ik dat alles gedaan. Maar hij is voor mij meer dan een model. Ik zeg niet dat ik ontevreden ben met wat ik van hem gemaakt heb, of dat zijn schoonheid niet door kunst kan worden uitgedrukt. Er is niets dat kunst niet kan weergeven, en ik weet dat mijn werk, sinds ik Dorian Gray ontmoette, goed is, het beste dat ik ooit zal afleveren. Maar ik ben benieuwd of je mij kunt begrijpen. Zijn persoonlijkheid heeft mij een heel nieuwe inspiratie ingegeven. Ik zie de dingen anders, ik denk anders over de dingen. Ik kan het leven nu herscheppen op een manier, die mij vroeger onbekend was. 'Een droom van lijnen in dagen van gedachten', wie heeft dat ook weer gezegd? Ik weet het niet meer, maar dat is wat Dorian Gray voor mij is. Niets dan het uiterlijke aanschijn van die jongen - want voor mij is hij nog een jongen hoewel hij toch over de twintig is - niets dan zijn uiterlijke aanschijn. Oh! begrijp je wat dat inhoudt? Zonder het te weten opent hij mij een nieuwe school, een school, waarin de passie van de romantiek en de volmaaktheid van het Griekse denken samenkomen. Harmonie van ziel en lichaam, hoe belangrijk is dat niet! Wij, in onze dwaasheid hebben ze van elkaar gescheiden en hebben een realisme uitgevonden dat vulgair is, en een idealisme dat hol is. Harry, indien je kon begrijpen wat Dorian Gray voor mij is! Herinner je je dat landschap van mij, waar Agnew zoveel voor bood, maar waar ik niet van wou scheiden? Het is één van mijn beste werken. En waarom? Omdat, terwijl ik het schilderde, Dorian Gray naast mij zat. Een subtiele invloed ging van hem over op mij en, voor het eerst in mijn leven, zag ik in het eenvoudige boomlandschap datgene wat ik altijd zocht en nooit vond.”
   “Basil, dit is werkelijk interessant. Ik moet die Dorian Gray eens zien.”
   Hallward stond op en liep de tuin op en neer. Na een poosje kwam hij terug. “Harry”, zei hij, “Dorian Gray is niets dan een motief in mijn kunst. Jij zou niets in hem zien. Ik zie alles in hem. Hij is nooit méér in mijn werk dan wanneer zijn persoon niet bij mij is. Hij is, zoals ik zei, een suggestie van iets nieuws. Ik vind hem terug in de rondingen van zekere lijnen, in de lieflijkheid en fijnheid van zekere kleuren. Dat is alles.”
   “Maar waarom wil je dan zijn portret niet exposeren?”, vroeg Lord Henry.
   “Omdat ik, zonder het te willen, er iets heb ingelegd van deze eigenaardige artistieke idolatrie, waar ik natuurlijk met hem nooit over gesproken heb. Hij weet daar niets van. Hij zal er ook nooit iets van weten. Maar de wereld zou het kunnen raden; en ik wil mijn ziel niet bloot geven aan hun domme nieuwsgierige ogen. Mijn hart zal nooit onder hun microscoop liggen. Er ligt teveel van mijzelf in dat doek, Harry, te veel van mijzelf!”
   “Dichters zijn minder teergevoelig dan jij. Zij weten best hun passies te gebruiken om naam te maken. Een gebroken hart zorgt tegenwoordig voor steeds nieuwe uitgaven.”
   “Daarom haat ik ze!”, riep Hallward uit. “Een artist moet mooie dingen scheppen, maar er niets van zijn eigen leven in leggen. We leven in een eeuw waarin kunst als een soort autobiografie beschouwd wordt. Wij hebben het abstracte idee van schoonheid verloren. Eens zal ik de wereld tonen wat dat is, en daarom zal de wereld ook nooit mijn portret van Dorian Gray zien.”
   “Ik geloof, dat je ongelijk hebt, Basil, maar ik wil niet met je kibbelen. Intellectueel is iedereen die redeneert een verloren man. Zeg eens, is Dorian Gray erg op jou gesteld?”
   De schilder dacht even na. “Hij houdt van me”, zei hij “ik weet dat hij van mij houdt. Natuurlijk vlei ik hem vreselijk. Ik vind er een vreemd genoegen in hem dingen te zeggen, waarvan ik later spijt heb. Over het algemeen, is hij heel aardig tegen me, en kunnen we heel gezellig over allerlei dingen zitten praten in mijn atelier. Maar nu en dan is hij erg onnadenkend en schijnt hij er plezier in te hebben mij pijn te doen. En Harry, dan voel ik dat ik mijn hele ziel gegeven heb aan iemand die ze beschouwt als een bloem welke hij in zijn knoopsgat kan steken.”
   “Zomerdagen, Basil, zijn geneigd om te blijven hangen”, mompelde Lord Henry. “Misschien zal het jou nog eerder gaan vervelen dan hem. Het is treurig, maar genie duurt ongetwijfeld altijd langer dan schoonheid. Daarom jagen we allemaal zo naar overbeschaving. In onze strijd om het bestaan zoeken we naar iets dat stand houdt en daarom vullen we onze hersens met nonsens en feiten, in de dwaze hoop stand te kunnen houden. Een man die alles weet, dat is het moderne ideaal. En de hersens van zulk een man zijn een vreselijke chaos. Het is er net als in een galanteriewinkel: niets dan stoffige prullen, geprijsd boven hun eigenlijke waarde. O ja, hij zal jou het eerst gaan vervelen. Op een goede dag zul je je vriend aankijken en hem niet goed van lijn of lelijk van kleur vinden, of iets dergelijks. Je zal het hem in je binnenste erg verwijten en echt vinden dat hij je slecht behandeld heeft. De volgende keer dat hij bij je komt, ben je koud en onverschillig. Het zal jammer zijn, want het zal ook jou helemaal veranderen. Wat je mij vertelde is een roman; je zou kunnen zeggen: een roman van kunst; en het nadeel van elke roman is dat het jezelf zo volslagen onromantisch achterlaat.”
   “Harry, spreek zo niet. Zolang ik leef zal de persoon van Dorian Gray mij domineren. Jij kan niet voelen, wat ik voel. Je bent te veranderlijk.”
   “Wel, mijn beste Basil, precies daarom kan ik het voelen. Zij die standvastig zijn kennen alleen de triviale kant van de liefde, alleen de ontrouwen kennen de liefdedrama's.” En Lord Henry streek een lucifer af op zijn kleine zilveren doos en begon een sigaret te roken met een zelfbewust en zeer tevreden gezicht, als had hij de wereld in één woord samengevat. Er was een geritsel van trippelende spreeuwen in de groen verlakte bladeren van de klimop en blauwe wolkschimmen schaduwden elkaar na over het gras, als zwaluwen. Hoe heerlijk was het in de tuin! En wat waren de emoties van anderen toch aangenaam! Veel aangenamer dan hun gedachten, vond Lord Henry. Je eigen ziel en de passies van je vrienden, dat waren de bekoringen van het leven. Hij stelde zich met een stil genot de vervelende lunch voor die hij was misgelopen door zo lang bij Basil Hallward te blijven. Was hij naar zijn tante gegaan dan zou hij daar zeker Lord Goodbody ontmoet hebben en het hele gesprek zou gegaan zijn over eten geven aan de armen en over de noodzakelijkheid van model slaapplaatsen. Iedereen zou de loftrompet gestoken hebben over deugden die er in hun leven niet waren. De rijke zou uitvaren tegen de spilzucht, de luiaard een welbespraakt discours opzetten over de voordelen van werklust. Het was zalig dat alles gemist te hebben. Terwijl hij aan zijn tante dacht kwam een vage herinnering in hem op. Hij wendde zich tot Hallward en zei: “Mijn beste kerel, ik herinner me net iets.”
   “Wat dan, Harry?”
   “Waar ik de naam van Dorian Gray eerder gehoord heb.”
   “Waar was dat?”, vroeg Hallward met een lichte frons.
   “Kijk toch zo boos niet, Basil. Het was bij mijn tante, Lady Agatha. Ze zei me dat ze een voorbeeldige jongeman gevonden had die haar in East End zou helpen, en dat hij Dorian Gray heette. Ik moet bekennen dat ze me nooit gezegd heeft hoe hij er uitzag. Vrouwen kunnen daar trouwens niet over oordelen, tenminste de brave vrouwen niet. Ze zei dat hij zeer ernstig was en een prachtig karakter had. Ik stelde het me dadelijk voor: een wezen met een bril op, sluik haar, veel sproeten en ontzettend grote voeten. Ik wou, dat ik geweten had, dat hij een vriend van jou was.”
   “Ik ben heel blij, dat je dat niet wist, Harry.”
   “Waarom?”
   “Ik wil niet dat je hem ontmoet.”
   “Wil je niet dat ik hem ontmoet?”
   “Nee.”
   “Mr. Dorian Gray is in het atelier, meneer!”, zei de knecht die in de tuin kwam.
   “Nu moet je me wel aan hem voorstellen!”, schaterde Lord Henry.
   De schilder wendde zich tot de knecht, die in de zon stond te knipogen. “Vraag Mr. Gray even te wachten, Parker, ik kom dadelijk.” De knecht boog en ging het pad terug op.
   Toen keek Basil naar Lord Henry. “Dorian Gray is mijn beste vriend”, hernam hij. “Hij is een eenvoudige naïeve jongen. Je tante had gelijk toen ze zoveel goeds over hem vertelde. Bederf hem niet. Probeer niet hem te beïnvloeden. Je invloed zou slecht zijn. De wereld is groot en er zijn genoeg interessante mensen te vinden. Ontneem mij niet de enige persoon die aan mijn kunst alle bekoring geeft die ze bezit: mijn leven als kunstenaar hangt van hem af. Denk er om Harry, ik reken op jou.” Hij sprak zeer langzaam en de woorden schenen tegen zijn wil uit hem geperst te worden.
   “Wat een nonsens vertel je toch!”, zei Lord Henry glimlachend en Hallward bij de arm nemend, dwong hij hem bijna het huis in.



2 Hoofdstuk 2


  

Toen ze binnenkwamen zagen ze Dorian Gray. Hij zat voor de piano, met zijn rug naar hen toe en hij bladerde in een deel van Schuberts Waldscènes. “Je moet ze mij lenen, Basil”, riep hij uit. “Ik wil ze leren. Ze zijn allerliefst.”
   “Dat zal er helemaal van afhangen hoe je vandaag poseert, Dorian!”
   “O, ik ben moe van dat poseren en ik heb geen levensgroot portret van mezelf nodig”, antwoordde hij, zich op het pianokrukje omdraaiend met de ongeduldige beweging van een verwend kind. Toen hij Lord Henry in het oog kreeg kleurde een flauwe blos zijn wangen en schrok hij. “Excuseer me, Basil, maar ik wist niet, dat je iemand bij je had.”
   “Lord Henry Wotton, Dorian, een oude vriend uit Oxford. Ik heb hem zonet verteld hoe uitstekend je poseerde, en nu bederf je alles.”
   “Maar u bederft niet mijn genoegen om u te ontmoeten, Mr. Gray”, zei Lord Henry terwijl hij dichterbij kwam en zijn hand uitstak. “Mijn tante heeft me dikwijls over u gesproken. U bent één van haar lievelingen en, naar ik vrees, ook één van haar slachtoffers.”
   “Ik sta tegenwoordig op een zwart blaadje bij Lady Agatha”, antwoordde Dorian, als een kind dat stout is geweest. “Ik haar beloofd om vorige dinsdag met haar naar een liefdadigheidsvoorstelling in West End te gaan en ik was het helemaal vergeten. We zouden samen een quatre-mains gespeeld hebben, drie quatre-mains, geloof ik. Ik weet echt niet hoe ze me nu zal ontvangen. Ik ben veel te bang om haar nu nog op te zoeken.”
   “O, ik zal bij tante wel een goed woordje voor u doen. Ze is dol op u. En ik denk niet, dat het er toe deed of u er was of niet. Het publiek zal wel gedacht hebben dat het een quatre-mains was. Wanneer tante Agatha voor de piano zit maakt ze leven voor twee.”
   “Dat is een belediging voor haar en geen compliment voor mij”, antwoordde Dorian lachend.
   Lord Henry keek hem aan. Ja, hij was waarlijk buitengewoon mooi, met zijn fijn besneden lippen, zijn open blauwe ogen en zijn goud kroeshaar. Er was iets in zijn gezicht waardoor men hem onmiddellijk vertrouwde. Alle openhartigheid van de jeugd en alle jeugdige hartstochtelijkheid. En ook gaf hij het gevoel dat hij zich nog niet door de wereld had laten bezoedelen. Geen wonder, dat Basil Hallward hem verafgoodde.
   “U heeft teveel charme om aan filantropie te doen, Mr. Gray, veel te veel.” En Lord Henry wierp zich neer op de bank en opende zijn sigarettendoosje.
   De schilder was bezig geweest zijn kleuren te mengen en legde zijn penselen klaar. Hij zag er moe uit; toen hij Lord Henry's opmerking hoorde, keek hij hem aan, aarzelde even, en zei: “Harry, ik zou vandaag graag dit portret afmaken. Vindt je het erg onbeleefd van me indien ik je vraag om weg te gaan?”
   Lord Henry glimlachte en keek naar Dorian Gray. “Moet ik gaan, Mr. Gray?”, vroeg hij.
   “O toe, nee, Lord Henry. Ik zie dat Basil in één van zijn vervelende buien is, en ik kan hem niet uitstaan als hij zo saai doet. Bovendien had ik graag van u gehoord waarom ik niet aan filantropie moet doen.”
   “Ik denk niet dat ik het u zal vertellen, Mr. Gray. Het onderwerp is zo vervelend dat ik er ernstig zou moeten over spreken. Maar ik zal zeker niet weggaan nu u mij gevraagd heeft te blijven. Het kan je immers niet zoveel schelen, Basil? Je hebt me dikwijls gezegd dat je het aangenaam vind wanneer je modellen met iemand kunnen praten.”
   Hallward beet op zijn lip. “Indien Dorian het graag heeft, kan je natuurlijk blijven. Dorians grillen zijn voor iedereen wetten, behalve voor hemzelf.”
   Lord Henry pakte zijn hoed en handschoenen. “Je bedoelt het goed, Basil, maar ik moet echt weg. Ik heb een afspraak om iemand te ontmoeten bij Orleans. Vaarwel, Mr. Gray. Komt u eens op een middag bij mij in Curzon-street. Om een uur of vijf ben ik meestal thuis. Schrijf mij als u komt. Ik zou u niet graag missen.”
   “Basil!”, riep Dorian Gray, “indien Lord Henry weggaat ga ik er ook van door. Jij doet geen mond open wanneer je aan het schilderen bent en het is afschuwelijk vervelend op een verhoog te staan en lief te moeten kijken. Vraag of hij wil blijven. Ik sta erop.”
   “Blijf, Harry, om Dorian plezier te doen en om mij plezier te doen”, zei Hallward, met een strakke blik naar het schilderij. “Het is waar dat ik niet spreek wanneer ik werk en ik luister dan ook niet, en dat moet heel vervelend zijn voor mijn ongelukkige modellen. Ik verzoek je vriendelijk te blijven.”
   “Maar hoe moet het dan met mijn afspraak?”
   De schilder lachte. “O, dat komt wel goed. Ga weer zitten, Harry. En Dorian, ga jij nu weer op het podium staan, beweeg je niet en luister niet teveel naar Lord Henry. Hij heeft op al zijn vrienden een slechte invloed, behalve op mij.”
   Dorian Gray stapte op het verhoog met het gezicht van een jonge Griekse martelaar en trok een verveeld gezicht naar Lord Henry, tot wie hij zich ineens aangetrokken voelde. Lord Henry was zo heel anders dan Basil. Ze vormden een aardig contrast. En hij had zo een aangename stem. Na enkele ogenblikken: “Heeft u waarlijk zulk een slechte invloed, Lord Henry, zoals Basil beweert?”
   “Er bestaan geen goede invloeden, Mr. Gray. Iedere invloed is immoreel, immoreel vanuit een psychologisch oogpunt.”
   “Waarom?”
   “Omdat, van zodra men iemand beïnvloedt, men die persoon iets van zijn eigen ziel geeft. Hij denkt niet meer zijn eigen gedachten, hij voelt zijn eigen passies niet meer. Zijn deugden zijn niet de zijne. Zijn zonden, als er zo al iets bestaat, zijn geleend. Hij wordt de echo van de muziek van iemand anders, de acteur van een rol die niet voor hem geschreven werd. Het levensdoel is zelfontwikkeling. Zoveel mogelijk zichzelf zijn; daarvoor leeft men. Tegenwoordig zijn de mensen bang van zichzelf. Ze hebben de hoogste plicht vergeten, de plicht jegens zichzelf. O ja, ze zijn barmhartig genoeg. Ze voeden de hongerigen en kleden de bedelaars. Maar hun eigen zielen verhongeren en zijn naakt. Er is geen moed meer in onze generatie. Misschien hebben we die ook nooit gehad. Angst voor de mensen, de basis van alle moraliteit; vrees voor God het geheim van de godsdienst, dat zijn de twee dingen die ons regeren. En toch...”
   “Draai je hoofd een beetje meer naar rechts Dorian”, zei de schilder, verdiept in zijn werk en zich slechts bewust dat over Dorian's gelaat een uitdrukking kwam die hij daar vroeger nooit gezien had.
   “En toch”, ging Lord Henry verder met zijn zachte stem vol muziek, en met die bevallige wuiving van zijn hand, die zo karakteristiek voor hem was, “al van in Eton geloof ik dat indien iemand zijn leven geheel en volkomen zou leven, indien hij luisterde naar elk gevoel, uiting gaf aan iedere gedachte, werkelijkheid aan iedere droom, de wereld een frisse wind van genot over zich zou voelen waaien en wij al onze middeneeuwse ziekelijkheden zouden vergeten om terug te keren tot het Helleense ideaal of misschien tot iets mooier, rijkers, dan het Helleense ideaal. Maar de moedigsten onder ons zijn bang voor zichzelf. Het aan banden leggen van de wilde in ons maakt ons tragisch door een zelfontzegging die ons leven verbittert. Wij worden gestraft voor de kwellingen welke we onszelf aandoen. Iedere impuls die we proberen te onderdrukken kankert voort in onze geest en vergiftigt ons. Het vlees zondigt en dan is het gedaan, want actie is een soort van reiniging. Daarna blijft er niets over dan de herinnering aan een genot of de weelde van een verdriet. De enige manier om aan een verleiding te ontkomen, is eraan toe te geven. Vecht ertegen en de ziel krijgt een ziekelijk verlangen naar de dingen die ze zich ontzegd heeft, een wens naar alles wat onze slechte wetten slecht en onredelijk hebben gemaakt. Men zegt dat de grote wereldgebeurtenissen plaats vinden in de hersens van de mensen. Het is ook in die zelfde hersens, en ook alleen daarin, dat de grote zonden van de wereld gebeuren. Uzelf, Mr. Gray, met uw jonge jeugd, uzelf heeft al passies gekend die u angst hebben aangejaagd, gedachten, die u deden schrikken; dromen wanneer u sliep, en dromen, wanneer u wakker was en waaraan alleen al de herinnering u doet blozen.”
   “Stop!”, stamelde Dorian Gray, “stop! U overstelpt me. Ik weet niets te zeggen. Er moet een antwoord zijn op alles wat u gezegd heeft, maar ik kan het niet vinden. Spreek niet. Laat mij denken. Of nee, laat ik liever niet nadenken.”
   Lang stond hij daar, bewegingloos, de lippen half open, de ogen vreemd glanzend. Hij was zich flauw bewust dat geheel nieuwe invloeden op hem inwerkten. Toch scheen het hem of alles echt uit hemzelf kwam. De paar woorden die Basils vriend tot hem gezegd had, - toevallig uitgesproken woorden, grillige paradoxen - hadden een geheime snaar geraakt die hij nog nooit beroerd had.
   Muziek had dezelfde invloed op hem. Muziek had hem reeds dikwijls diep getroffen. Maar muziek kon niet spreken. Ze schept geen nieuwe wereld maar een nieuwe chaos in ons. Maar woorden! Woorden! Hoe vreselijk waren ze! Hoe klaar, hoe vol van het leven, hoe wreed! Men kon ze niet ontvluchten. En toch, welke subtiele toverkracht ging er in hen schuil! Ze schenen een plastische vorm te geven aan vormloze dingen en een geluid te hebben, even zacht als een viool. Louter woorden! Bestond er iets reëler dan woorden?
   Ja, er waren dingen, die hij als jongen nooit begrepen had. Hij begreep ze nu. Het leven schitterde ineens als purper om hem heen. Het leek alsof hij midden door een vuur liep. Waarom had hij dat nooit eerder gevoeld?
   Lord Henry bestudeerde hem met een fijne glimlach. Hij wist op het juiste psychologische moment te zwijgen. Zijn studie interesseerde hem. Hij was getroffen door de plotse uitwerking van zijn woorden en zich een boek herinnerend dat hij op zijn zestiende gelezen had, een boek, dat hem veel geopenbaard had, vroeg hij zich af of Dorian Gray nu een dergelijk moment beleefde. Hij had een enkele pijl afgeschoten. Had die doel getroffen? Hoe fascinerend was die man!
   Hallward schilderde voort met de brede, krachtige streek die hem eigen was, fijn en delicaat van toets, de streek die men te danken heeft aan kracht. Hij merkte de stilte niet op.
   “Basil, ik ben moe van het staan”, riep Dorian Gray plots uit. “Ik kan niet meer, ik ga wat in de tuin zitten. Het is hier om te stikken.”
   “Arme jongen, het spijt me. Wanneer ik aan het werk ben, denk ik aan niets anders. Maar je hebt nooit beter geposeerd dan nu. Je was doodstil. En ik heb precies die uitdrukking getroffen die ik hebben wou, die lichtschittering in de ogen. Ik weet niet wat Henry je verteld heeft, maar ik weet wel dat hij je gezicht in de juiste plooi heeft gebracht. Hij heeft je zeker complimentjes gemaakt. Geloof er maar geen woord van.”
   “Het waren alles behalve complimentjes. Misschien geloof ik net daarom niets van alles wat hij me verteld heeft.”
   “U weet heel goed, dat u alles gelooft”, zei Lord Henry met een dromerige blik. “We zullen samen wat in de tuin gaan wandelen. Het is hier ontzettend warm. Basil, geef ons eens iets fris te drinken, iets met aardbeien.”
   “Zeker Harry, bel maar even, en wanneer Parker komt zal ik hem zeggen wat te brengen. Ik moet de achtergrond nog wat bijwerken, ik kom later wel bij jullie. Houd Dorian niet te lang op. Ik ben nog nooit in betere vorm geweest om te schilderen dan vandaag. Dit wordt mijn meesterwerk. Trouwens, dat is het nu al, zoals het daar staat.”
   Lord Henry ging de tuin in; hij zag hoe Dorian Gray zijn gezicht begroef in de volle, koele seringentrossen en koortsachtig de geur ervan indronk, alsof het wijn was. Hij kwam vlak bij hem staan en legde de hand op zijn schouder. “Dat is heel goed wat u daar doet”, fluisterde hij. “De ziel geneest het best door de zinnen en de zinnen door de ziel.”
   De jongen schrok en trok zich terug. Hij was blootshoofds en de bladeren hadden het gouddraad van zijn haar verward. Er was angst in zijn ogen, zoals bij iemand die plotseling wakker is gemaakt. Zijn dunne neusvleugels trilden en een geheime zenuw deed zijn lippen beven.
   “Ja”, herhaalde Lord Henry, “dat is één van de grote mysteries van het leven: de ziel te genezen door de zinnen en de zinnen door de ziel. U bent een vreemd amalgaam. U weet meer dan u zich bewust bent, en u weet minder dan u wilt weten.”
   Dorian Gray fronste zijn wenkbrauwen en wendde zijn hoofd af. Maar hij kon niet nalaten sympathie te voelen voor die grote, gracieuze jongeman die naast hem stond. Zijn romantisch, olijfkleurig gezicht waarover een vermoeide uitdrukking waasde, interesseerde hem. Er was iets zeer aantrekkelijk in zijn zachte, matte stem. Zelfs zijn koele, witte handen, fijn als bloemen, hadden een vreemde betovering in zich. Zij bewogen, wanneer hij sprak, als muziek en schenen zelf een taal uit te drukken. Maar toch was Dorian bang voor hem en hij schaamde zich voor die angst. Waarom had een vreemde hem aan zichzelf moeten openbaren? Hij kende Basil Hallward al maanden: die vriendschap zou hem nooit veranderd hebben. En plots was er iemand gekomen die hem het mysterie van het leven had doen ontdekken. En waar was hij nu bang voor? Hij was toch geen schooljongen, toch geen meisje? Het was dwaas om bang te zijn.
   “Laat ons wat in de schaduw gaan zitten”, zei Lord Henry. “Parker heeft iets te drinken gebracht en wanneer u hier nog langer in de zon blijft verbrandt u en zal Basil u nooit meer schilderen. U moet u niet zo laten bruinen. Dat flatteert u niet!”
   “Wie kan dat schelen?”, riep Dorian Gray lachend, terwijl zij achteraan in de tuin gingen zitten.
   “Het moet u juist heel veel kunnen schelen, Mr. Gray.”
   “Waarom toch?”
   “Omdat u een bewonderenswaardige jeugdigheid heeft en omdat jeugd het enige op de wereld is dat de moeite van het bezitten waard is.”
   “Dat voel ik zo niet, Lord Henry.”
   “Nee, nu nog niet. Maar later, wanneer u oud en gerimpeld en lelijk bent, wanneer uw voorhoofd gerimpeld is door het denken en uw lippen geschroeid zijn door het vuur van afschuwelijke passies, dan zult u het voelen, het intens voelen. Overal waar u nu gaat palmt u de wereld in. Zal dat altijd zo zijn? U heeft een buitengewoon mooi gezicht, Mr. Gray. Frons niet, het is zo. En schoonheid is een soort van genialiteit, zelfs hoger, want er is geen enkele uitleg bij nodig. Het is één van de grote stuwende krachten in de wereld, net zoals de zon of het voorjaar. Daar is geen twijfel over mogelijk. Het heeft zijn goddelijke recht op soevereiniteit. Het verandert degenen die het hebben in prinsen. Je lacht? Oh! Wanneer je het verloren hebt, zul je niet meer lachen... De mensen zeggen soms dat schoonheid oppervlakkig is. Dat is mogelijk, maar ze is tenminste niet zo oppervlakkig als gedachten. Schoonheid is voor mij het grootste wonder dat er bestaat. Het zijn alleen oppervlakkige mensen die niet op uiterlijk oordelen. Het ware mysterie van de wereld is het zichtbare, niet het onzichtbare... Ja, Mr. Gray, de goden zijn goed voor u geweest. Maar wat de goden geven, nemen zij ook snel weer weg. U hebt maar een paar jaar om echt, perfect en ten volle te leven. Wanneer u uw jeugd verliest, verliest u daarmee ook uw schoonheid, en dan zult u plotseling ontdekken dat er geen overwinningen meer voor u over zijn, of dat u zich tevreden moet stellen met die gemene overwinningen die de herinneringen aan uw verleden bitterder maken dan nederlagen. Elke maand die voorbij gaat brengt u dichter bij iets vreselijks. Tijd is jaloers op u, en voert oorlog tegen uw lelies en uw rozen. U zult een gelige kleur krijgen, en holle wangen en doffe ogen. U zult verschrikkelijk lijden... O, geniet van uw jeugd zolang u ze heeft. Verpest het goud van uw dagen niet door te luisteren naar saaie mensen die hopeloze mislukkingen proberen te verbeteren, of door uw leven weg te geven aan de onwetenden, de ordinairen, en de vulgairen. Dit zijn de ziekelijke doelen, de valse idealen, van onze tijd. Leef. Leef het leven dat in u is. Laat niets verloren gaan. Zoek altijd naar nieuwe sensaties. Wees nergens bang voor... Een nieuw Hedonisme—dat is wat onze eeuw wil. U bent misschien zin zichtbare symbool. Met uw persoonlijkheid is er niks wat u niet kan. De wereld behoort u toe gedurende een seizoen... Op het moment dat ik u ontmoette, zag ik dat u behoorlijk onbewust was van wat u eigenlijk bent, of wat u eigenlijk kunt zijn. Er was zoveel in u dat mij charmeerde, dat ik vond dat ik u wat over uzelf moest vertellen. Ik bedacht me hoe tragische het zou zijn als u verspild zou worden. Want er is zo weinig tijd dat uw jeugd blijft duren—zo weinig tijd. Bloemen vergaan, maar bloeien opnieuw. De Laburnum zal volgende juni net zo geel zijn als hij nu is. Over een maand zullen er paarse sterren zitten op de clematis, en jaar na jaar zal de groene nacht van zijn bladeren zijn paarse sterren behouden. Maar wij zullen onze jeugd nooit terugkrijgen. Het pulserende plezier dat in ons klopt op ons twintigste wordt traag. Onze ledematen stoppen ermee, onze zintuigen rotten. We vervallen to afzichtelijke poppen, die bespookt worden door de herinnering aan de passies waarvoor we te bang waren, en de verfijnde verleidingen waaraan we nooit de moed hadden toe te geven. Jeugd! Jeugd! Er is absoluut niets anders in de wereld dan jeugd!”
   Dorian Gray luisterde verwonderd met open ogen. Het takje seringen viel uit zijn hand op het grint. Een bij kwam aangevlogen en gonsde een ogenblik om hem heen. Toen kroop ze over die besterde wereld van kleine bloemen. Dorian keek ernaar met die vreemde belangstelling in kleinigheden die we aan de dag leggen wanneer iets belangrijk ons vrees aanjaagt, wanneer een nieuw gevoel in ons trilt, waarvoor wij geen woorden kunnen vinden, of wanneer een gedachte vol schrik ineens beslag legt op onze hersenen en ons dwingt om toe te geven. Na een poosje vloog de bij weg. Hij zag haar toen in de getijgerde kelk van een Tyreense convolvulus kruipen. De bloem scheen even te sidderen en daarna wuifde ze zachtjes heen en weer.
   De schilder verscheen aan de deur van het atelier en wenkte hen. Zij keken elkaar aan en glimlachten.
   “Ik wacht!”, riep hij. “Kom binnen. Het licht is uitstekend, en je kan de glazen meebrengen.”
   Ze stonden op en liepen langzaam over het pad. Twee wit-en-groene kapellen fladderden om hen heen; in de perenboom in de hoek van de tuin begon een merel te zingen.
   “Doet het u plezier mij ontmoet te hebben, Mr. Gray?”, vroeg Lord Henry, hem aankijkend.
   “Ja, nu wel. Zal dat altijd zo blijven?”
   “Altijd! Wat een verschrikkelijk woord. Ik huiver wanneer ik het hoor. Vrouwen gebruiken het zo vaak. Ze bederven iedere romance door haar altijd te willen laten voortduren. En het is een woord zonder enige betekenis. Het enige verschil tussen een gril en een levenslange passie is dat een gril een beetje langer duurt.”
   Terwijl ze het atelier binnengingen legde Dorian Gray zijn hand op Lord Henry's arm. “Indien dat zo is, laat onze vriendschap dan een gril zijn”, fluisterde hij, blozend door zijn eigen vrijmoedigheid; toen stapte hij op het verhoog en nam zijn pose aan.
   Lord Henry wierp zich in een grote rieten stoel. De op- en neerstreek van het penseel over het doek was het enige geluid dat de stilte verbrak, tenzij Hallward een paar passen achteruit ging om zijn werk vanop een afstand te bekijken. In de schuine stralen die door de open deur naar binnen stroomden, dansten de stofatoompjes als goud. De geur van de rozen scheen zwaar over alles heen te drijven.
   Na een kwartier hield Hallward op met schilderen, keek Dorian Gray lang aan, beet op een van zijn lange penselen, met rimpels in zijn voorhoofd. “Het is klaar!”, riep hij tenslotte en zich bukkend schreef hij zijn naam met lange vermiljoene letters in de linkerhoek van het doek.
   Lord Henry stond op en bekeek de schilderij. Het was zeker een wonderbaar kunstwerk, wonderbaar door de gelijkenis.
   “Kerel, ik feliciteer je van harte!”, sprak hij. “Het is het mooiste moderne portret dat ik tot nu zag. Komt u eens hier, Mr. Gray, en bekijk uzelf.”
   De jongen schrok op, als uit een droom.
   “Is het echt klaar?”, murmelde hij, van de estrade stappend.
   “Helemaal!”, zei de schilder. “En je hebt vandaag uitstekend geposeerd, dat moet ik zeggen.”
   “Dat heb je aan mij te danken”, viel Lord Henry daarop in. “Niet waar, Mr. Gray?”
   Dorian antwoordde niet en langzaam, zonder belangstelling, ging hij voor het portret staan. Toen deed hij een paar passen achteruit en een blos van plezier kwam over zijn wangen. Een glans van vreugde kwam in zijn ogen, alsof hij zichzelf voor het eerst zag. Hij stond daar, stil en verwonderd, zich flauw bewust dat Hallward tegen hem sprak, maar de betekenis van zijn woorden drong niet tot hem door. Het wezen van zijn schoonheid kwam over hem als een openbaring. Nooit te voren was dat zo geweest. Basil Hallwards complimenten hadden hem steeds toegeschenen als lieve overdrijvingen ontstaan uit hun vriendschapsgevoel. Hij had ze aanhoord, ermee gelachen en ze weer vergeten. Ze hadden geen enkele uitwerking op hem gehad. Toen was Lord Henry gekomen met zijn vreemde panegyrie over jeugd, zijn vreselijke waarschuwing over zijn kortstondigheid. Dit had hem onmiddellijk getroffen en nu, terwijl hij stond te kijken naar de afbeelding van zijn eigen schoonheid, nu flitste de waarheid door hem heen. Ja, er zou een dag komen dat zijn gezicht oud en gerimpeld zou zijn, zijn ogen dof en zonder kleur, de sierlijkheid van zijn lichaam gebogen en misvormd. Het rood van zijn lippen zou verbleken, het goud uit zijn haar verdwijnen. Het leven, dat zijn ziel was, zou zijn lichaam doen slijten. Hij zou lelijk worden, afschuwelijk, onsmakelijk.
   De gedachte hieraan doorstak hem als een vlijmscherp mes en deed iedere zenuw van zijn delicaat wezen sidderen. Zijn ogen glansden als diepblauwe amethyst en er kwam een waas van vocht over. Het scheen of een ijzige hand zijn hart omvatte.
   “Vind je het niet mooi?”, riep Hallward, een beetje geprikkeld door het stilzwijgen van de jongen, een stilzwijgen dat hij niet begreep.
   “Natuurlijk vindt hij het mooi”, zei Lord Henry. “Wie zou het niet mooi vinden? Het is één van de mooiste, knapste dingen in moderne kunst. Ik geef je alles wat je er voor vraagt, ik moet het hebben.”
   “Het is niet van mij, Henry.”
   “Van wie dan?”
   “Van Dorian natuurlijk!”, antwoordde de schilder.
   “Hij mag zich gelukkig prijzen!”
   “Hoe vreselijk!”, mompelde Dorian Gray, starend naar het portret. “Hoe vreselijk! Ik zal oud, lelijk en afzichtelijk worden. Maar dit portret zal altijd jong blijven. Het zal nooit ouder zijn dan het nu is, op deze dag in juni. O, was het maar omgekeerd! Was ik het maar die altijd jong bleef, en werd het portret maar ouder! Daarvoor zou ik alles geven! Werkelijk, er is niets in de hele wereld dat ik daar niet voor zou geven! Ik zou er mijn ziel voor geven!”
   “Daar zou jij dan toch wel tegen zijn, Basil!”, riep Lord Henry lachend. “Het zou niet erg flatterend zijn voor je werk.”
   “Daar zou ik zeer zeker iets op tegen hebben, Henry”, zei Hallward.
   Dorian Gray draaide zich om en keek hem aan. “Ja, dat geloof ik ook, Basil. Je houdt meer van je kunst dan van je vrienden. Voor jou ben ik niet veel meer dan een bronzen beeld. Misschien zelfs zoveel niet.”
   De schilder keek hem met verbazing aan. Het was niets voor Dorian om zo te spreken. Wat was er gebeurd? Hij scheen zeer boos. Zijn gezicht was rood en zijn wangen gloeiden.
   “Ja”, ging hij voort, “voor jou ben ik nog minder dan die ivoren Hermes of die zilveren faun. Van die dingen zal je altijd blijven houden. Maar hoe lang van mij? Tot ik mijn eerste rimpel heb, zeker. Ik weet nu dat wanneer je lelijk wordt, je daarmee alles, maar dan ook alles verliest. Je schilderij heeft me dat geleerd. Lord Henry Wotton heeft volkomen gelijk. Jeugd is alles. Wanneer ik merk dat ik oud word maak ik me van kant.”
   Hallward werd bleek en nam zijn hand. “Dorian! Dorian!”, riep hij, “spreek zo niet. Ik had nooit een vriend zoals jij, en nooit zal ik van een ander zoveel houden. Je bent toch niet jaloers op materiele dingen, jij, die mooier bent dan wat ook!”
   “Ik ben jaloers op alles wat mooi is en mooi blijft, altijd mooi blijft. Ik ben jaloers op het portret dat je van mij gemaakt hebt. Waarom zal dat altijd behouden wat ik moet verliezen? Ieder ogenblik dat voorbij gaat, neemt iets van mij weg en geeft het aan dat portret. O, was het toch maar omgekeerd! Veranderde dat portret maar, en bleef ik altijd wie ik nu ben! Waarom heb je het geschilderd? Eens zal het mij bespotten, verschrikkelijk bespotten!” Hete tranen kwamen in zijn ogen; hij trok zijn hand weg, gooide zich op de divan en verborg zijn gezicht in de kussens, alsof hij bad.
   “Dat is jouw werk, Harry”, zei de schilder bitter.
   Lord Henry haalde zijn schouders op. “Het is de ware Dorian Gray, dat is alles.”
   “Dat is het niet.”
   “Als het niet zo is, wat heb ik er dan mee te maken?”
   “Je had weg moeten gaan toen ik het je vroeg”, mompelde Basil.
   “Ik bleef toen jij me dat ook vroeg”, was het antwoord.
   “Harry, ik kan niet op hetzelfde ogenblik met mijn twee beste vrienden kibbelen, maar jullie beiden hebben me mijn mooiste werk leren haten en ik zal het vernietigen. Wat is het anders dan een doek met wat kleuren? Ik wil niet dat het iets lelijk wordt in onze drie levens.”
   Dorian Gray hief zich op uit de kussens; met een bleek gezicht en met betraande ogen keek hij naar Basil; deze ging naar de schildertafel voor het hoge raam. Wat deed hij daar? Zijn vingers rommelden tussen de tinnen tubes en de droge penselen, als zochten ze iets. Ja, ze zochten het lange schildersmes met het dunne lemmet van fijn staal. Eindelijk vond hij het. Hij zou het doek in stukken snijden.
   Met een onderdrukte snik sprong de jongen van de sofa, vloog op Hallward toe, wrong het mes uit zijn hand en slingerde het in een hoek van het atelier. “Niet doen, Basil, niet doen!”, riep hij. “Het zou een moord zijn!”
   “Ik ben blij, dat je eindelijk mijn werk op prijs stelt, Dorian”, zei de schilder koeltjes. “Ik dacht niet dat je dat nog ooit zou doen.”
   “Op prijs stellen? Maar ik ben er verliefd op, Basil. Het is een deel van mijzelf. Dat voel ik.”
   “Nu, zodra het droog is zal ik het laten vernissen, inkaderen en naar je thuis zenden. Dan kan je er mee doen wat je wilt.” En hij ging naar een hoek van de kamer om te bellen voor de thee. “Jij drinkt natuurlijk thee, Dorian, is het niet? En jij Harry? Of heb je een diepe minachting voor zulk een onschuldig genot?”
   “Ik hou heel veel van onschuldige genoegens”, zei Lord Henry. “Ze zijn de laatste toevlucht van het complexe. Maar ik hou niet van scènes, behalve op het toneel natuurlijk. Wat een dwaze kerels zijn jullie toch allebei! Wie heeft ook weer gezegd, dat een mens een denkend dier was. Het is het meest voorbarige oordeel, dat ik ooit gehoord heb. Een mens is een heleboel, maar alles behalve beredeneerd. Eigenlijk ben ik er blij om, maar ik wou, dat jullie nu nooit meer kibbelden over dat portret. Je moest het maar aan mij geven, Basil. Het kan die flauwe jongen eigenlijk niets schelen, en mij wel.”
   “Als je het aan iemand anders geeft dan aan mij, Basil, vergeef ik het je nooit!”, riep Dorian Gray, “en ik geef niemand toestemming mij een flauwe jongen te noemen.”
   “Je weet, dat het portret van jou is, Dorian. Ik gaf het je, nog voor het bestond.”
   “En u weet heel goed, dat u een heel klein beetje flauw geweest bent, en dat u het eigenlijk ook niet zo heel erg vindt eraan herinnerd te worden, omdat u nog heel jong bent.”
   “Ik zou het deze ochtend wel degelijk heel erg gevonden hebben, Lord Henry.”
   “O deze ochtend! U heeft 'geleefd' sindsdien.”
   Er werd op de deur geklopt en de butler kwam binnen met een beladen theeblad; hij zette het neer op een Japans tafeltje. Er was een gerinkel van kopjes en schoteltjes en het sissen van een geribde zilveren ketel. Twee porceleinen schalen werden door een knecht binnen gebracht. Dorian Gray ging naar het tafeltje en schonk thee in. De twee mannen slenterden langzaam naar de tafel en onderzochten wat er onder het kleed lag.
   “Laat ons vanavond naar de schouwburg gaan”, zei Lord Henry. “Er zal wel ergens iets mooi gespeeld worden. Ik heb wel een afspraak om in White te gaan dineren, maar het is een oude vriend; ik kan hem dus wel telegraferen dat ik ziek ben, of dat ik verhinderd ben door een latere afspraak. Ik voel wel wat voor dat idee, het zou de verrassing van openhartigheid hebben.”
   “Het is zo vervelend om avondkleding aan te trekken”, mompelde Hallward. “En als je het dan eindelijk aan hebt zie je er afschuwelijk uit.”
   “Ja”, antwoordde Lord Henry, “onze negentiende eeuwse mode is erg lelijk. Ze is zo somber, zo saai. Zonde, dat is eigenlijk het enige wat een kleurtje geeft aan het moderne leven.”
   “Je moet zulke dingen werkelijk niet zeggen wanneer Dorian er bij is, Harry.”
   “Welke Dorian? Diegene die daar voor ons thee schenkt of die van het portret?”
   “Voor geen van beiden.”
   “Ik zou wel met u naar de opera willen gaan, Lord Henry” zei de jongen.
   “Dat is heel goed: jij gaat toch ook mee, Basil?”
   “Nee, ik kan niet, echt, liever niet. Ik heb nog een boel te doen.”
   “Nu, dan zullen wij samen gaan, Mr. Gray.”
   “Dat vind ik heel prettig.”
   De schilder beet zich op de lippen en ging met zijn kopje in de hand voor het schilderij staan. “Ik zal bij de ware Dorian blijven”, sprak hij weemoedig.
   “Is dat de ware Dorian?”, vroeg het origineel bij hem komend. “Lijk ik daar echt op?”
   “Ja, helemaal.”
   “Hoe wreed, Basil!”
   “Tenminste uiterlijk. Maar dat zal nooit veranderen!”, zuchtte Hallward. “Dat is tenminste al iets.”
   “Wat een drukte maken de mensen toch over trouw!”, riep Lord Henry uit. “Lieve hemel! zelfs in de liefde is het niet meer dan een fysiologisch verschijnsel. Het heeft niets met onze wil te maken. Jongelui willen trouw zijn, maar blijven het niet; oude mensen willen ontrouw zijn, maar kunnen het niet; dat is alles wat je erover kan zeggen.”
   “Ga vanavond niet naar de opera, Dorian!”, zei Hallward. “Blijf bij mij dineren.”
   “Ik kan niet, Basil.”
   “Waarom niet?”
   “Omdat ik Lord Henry Wotton beloofd heb met hem mee te gaan.”
   “Hij zal niet méér van je houden omdat jij je belofte nakomt. Hij verbreekt altijd de zijne. Ik verzoek je niet te gaan.”
   Dorian Gray lachte en schudde zijn hoofd.
   “Ik smeek je.”
   De jongen aarzelde en keek naar Lord Henry, die hen met een glimlach vol vermaak opnam.
   “Ik moet echt gaan, Basil”, antwoordde hij.
   “Heel goed”, zei Hallward, en hij zette zijn kopje op het blad neer. “Het is al laat en aangezien je je nog kleden moet kan je best nu vertrekken. Dag Harry. Dag Dorian. Kom gauw terug bij mij. Kom morgen.”
   “Goed.”
   “Zal je het niet vergeten?”
   “Nee, natuurlijk niet!”, riep Dorian.
   “En... Harry!”
   “Ja, Basil?”
   “Denk aan hetgeen ik je vroeg, deze ochtend in de tuin.”
   “Ik ben het vergeten.”
   “Ik vertrouw op je.”
   “Ik wou dat ik mezelf kon vertrouwen”, lachte Lord Henry. “Kom, Mr. Gray, mijn koets staat klaar en ik kan u thuis afzetten. Adieu Basil. Ik heb een interessante middag gehad.”
   Toen de deur achter hen dicht sloeg wierp de schilder zich op zijn sofa; een trek van smart kwam over zijn gelaat.



3 Hoofdstuk 3


  

De volgende ochtend, om half één, wandelde Lord Henry Wotton van Curzonstreet naar Albany om zijn oom op te zoeken, Lord Fermor, een joviale, ietwat ruwe oude vrijgezel: de wereld noemde hem een egoïst omdat zij geen voordeel van hem trok, maar onder zijn kennissen had hij de naam vrijgevig te zijn omdat hij de mensen die hem amuseerden te eten gaf. Zijn vader was onze ambassadeur in Madrid geweest, toen Isabella nog jong was en er aan Prim niet gedacht werd, maar hij had zich uit de diplomatie teruggetrokken in een haastige opwelling van ontevredenheid, omdat men hem de ambassade in Parijs niet had aangeboden, een post waarop hij alléén aanspraak meende te hebben, op grond van zijn geboorte, zijn indolentie, het goede Engels van zijn telegrammen, en zijn dolle passie voor genot. De zoon, die de secretaris van zijn vader was geweest, had terzelfdertijd zijn ontslag ingediend, wat wel enigszins onverstandig werd gevonden, en toen hij enkele maanden later de titel van hem erfde had hij zich gewijd aan een ernstige studie van die grote aristocratische kunst, de kunst om absoluut niets te doen. Hij had twee grote huizen in de stad maar gaf er de voorkeur aan op kamers te wonen omdat dit minder omslachtig was; hij at meestal in zijn club. Hij bemoeide zich een beetje met de exploitatie van zijn koolmijnen in het graafschap Midland en waste zich schoon van de smet van deze industrie met de bewering dat het enige voordeel van het bezit van kolen was, dat men met fatsoen hout kon branden in zijn eigen huis. In de politiek was hij een Tory, behalve wanneer de Tories de bovenhand hadden, want dan maakte hij ze kalm uit voor een hoop radicalen. Hij was een held voor zijn knecht, die hem op de kop zat, en een schrik voor de meeste van zijn familieleden, die hij weer op zijn beurt op de kop zat. Alleen Engeland kon hem hebben voortgebracht, en toch beweerde hij altijd dat Engeland op de fles ging. Zijn principes waren van voor de zondvloed, maar er was veel te zeggen voor zijn vooroordelen.
   Toen Lord Henry de kamer binnen kwam, vond hij zijn oom, in een dikke jachtvest met een sigaret in zijn mond mopperend over de Times. “Zo Harry”, sprak de oude heer, “wat kom jij zo vroeg doen? Ik dacht dat jullie dandies nooit opstonden voor tweeën en niet zichtbaar waren voor vijven.”
   “Pure familiale genegenheid, dat verzeker ik u oom George. Ik moet wat van u hebben.”
   “Geld natuurlijk”, zei Lord Fermor met een lelijk gezicht. “Nu, ga zitten en vertel het mij. Tegenwoordig denken de jongelui dat geld alles is.”
   “Ja”, antwoordde Lord Henry, de bloem in zijn knoopsgat wat vaster zettend, “en als ze ouder worden, dan weten ze het zeker. Maar ik kom niet om geld. Alleen mensen die hun rekeningen betalen hebben dat nodig. Krediet is het kapitaal van de jeugd en je leeft er heel goed van. Bovendien koop ik altijd bij de leveranciers van Dartmoor en die laten me met rust. Wat ik nodig heb is informatie: geen nuttige natuurlijk, informatie zonder nut.”
   “Nu, ik kan je alles vertellen wat er in het Engelse Blue-Book staat, hoewel die lui tegenwoordig een hoop nonsens schrijven. Toen ik nog in de diplomatie zat was het veel beter. Ik heb zelfs gehoord dat ze tegenwoordig examens moeten doen. Wat kan je daar nu van verwachten? Examens, meneer, zijn niets dan humbug, van het begin tot het eind. Wanneer iemand een heer is dan weet hij meer dan genoeg, en is hij het niet, dan is alles wat hij weet of kent slecht voor hem.”
   “Mr. Dorian Gray behoort niet tot het Blue-Book, oom George?”, vroeg Lord Henry kwijnend.
   “Mr. Dorian Gray? Wie is dat?”, vroeg Lord Fermor, zijn zware witte wenkbrauwen fronsend.
   “Dat wil ik net van u vernemen, oom George. Of liever, ik weet wie hij is. Hij is de kleinzoon van de laatste Lord Kelso. Zijn moeder was een Devereux, Lady Margaret Devereux. Ik wou, dat u me wat over zijn moeder vertelde. Wat was ze voor een vrouw? Met wie is zij getrouwd? U heeft iedereen uit uw tijd gekend, dus haar zeker ook wel. Ik ben nogal geïnteresseerd in Mr. Gray voor het ogenblik. Ik heb hem pas ontmoet.”
   “Een kleinzoon van Kelso”, herhaalde de oude heer. “Een kleinzoon van Kelso... Natuurlijk... Ik heb zijn moeder heel goed gekend. Ik geloof, dat ik bij haar doop aanwezig was. Ze was een pracht van een meid, Margaret Devereux, en ze heeft alle mannen dol gemaakt door weg te lopen met een jongen zonder geld, meneer, een onderofficier bij de infanterie of zo iemand. Wel ja, ik herinner me de hele geschiedenis alsof ze gisteren gebeurd was. De arme kerel werd een paar maanden na zijn huwelijk in Spa doodgeschoten tijdens een duel. Dat was een kwalijke geschiedenis. Ze zeggen dat Kelso, een gemene avonturier, aan een Belgische schurk de opsracht had gegeven zijn schoonzoon in het publiek te beledigen en ook dat hij hem ervoor betaald heeft, meneer, hem betaald heeft om het te doen; dat hij de kerel hem moest neerschieten alsof hij een hond was. De zaak is toen gesust geworden, maar, voor de donder, Kelso heeft een hele tijd in de club alleen kunnen eten. Hij heeft zijn dochter terug in huis genomen, heb ik gehoord, maar ze heeft nooit meer tegen hem gesproken. Ja, ja, dat was een lelijke zaak. En het meisje is ook binnen het jaar gestorven. En ze heeft dus een zoon nagelaten? Zo, dat was ik vergeten. Wat is hij voor een jongen? Indien hij op zijn moeder lijkt zal hij een knappe vent zijn.”
   “Hij ziet er heel goed uit”, bevestigde Lord Henry.
   “Ik hoop dat hij in goede handen valt”, ging de oude man voort. “Hij heeft een hoop geld te verwachten, indien Kelso voor hem gedaan heeft wat recht was. Zijn moeder had ook geld. Het hele fortuin van de Selby's kwam bij haar door haar grootvader. Haar grootvader haatte Kelso, vond hem een gemene kerel. Nu, dat was hij ook. Is in Madrid geweest toen ik er was. Waarachtig, ik schaamde me voor hem. De koningin vroeg me altijd naar die Engelsman die altijd met de koetsiers ruzie maakte over hun fooien. Ze hadden er een hele legende van gemaakt. Ik heb me een maand lang niet aan het Hof durven vertonen. Ik hoop, dat hij zijn kleinzoon beter behandelde?”
   “Dat weet ik niet”, antwoordde Lord Henry. “Ik geloof, dat hij er goed voor zit. Hij is nog niet meerderjarig. Hij heet Selby, dat weet ik. Dat vertelde hij mij. En... was zijn moeder zo mooi?”
   “Margaret was één van de mooiste vrouwen die ik ooit gezien heb, Harry. Wat haar ooit bezield heeft zo iets te doen begrijp ik nog niet. Ze kon iedereen hebben die ze wou. Carlington was gek op haar. Maar ze was zo romantisch uitgevallen. Trouwens, dat waren alle vrouwen uit die familie. De mannen waren niet veel zaaks maar de vrouwen waren prachtig. Carlington heeft zich voor haar op zijn knieën laten vallen. Hij heeft het me zelf verteld. Ze lachte hem uit en er was geen meisje in Londen dat niet achter hem aan liep. A propos, Harry, over malle huwelijken gesproken, wat is dat toch voor een praatje van je vader, dat Dartmoor met een Amerikaans meisje wil trouwen? Zijn de Engelse meisjes niet goed genoeg voor hem?”
   “Het is tegenwoordig mode om Amerikaanse meisjes te trouwen, oom George.”
   “Ik hou het op de Engelse vrouwen, Harry”, donderde Lord Fermor en sloeg met zijn vuist op de tafel.
   “De Amerikaanse zijn toch het meest gewild.”
   “Ze houden het niet lang vol, hoor ik”, mompelde zijn oom.
   “Een lang engagement is slopend voor hen, maar in een steeplechase zijn ze van staal. Ze doen de dingen in vliegende vaart. Ik geloof niet, dat Dartmoor er nog af zal geraken.”
   “Wie is haar familie?”, gromde de oude heer. “Heeft ze die wel?”
   Lord Henry schudde zijn hoofd. “Amerikaanse meisjes zijn net zo sluw in het verbergen van hun ouders, als Engelse vrouwen zijn in het verbergen van hun verleden,” zei hij terwijl hij opstond om te vertrekken.
   “Ze verpakken varkensvlees, neem ik aan?”
   “Dat mag ik hopen, oom George, voor Dartmoor. Ik hoor dat het verpakken van varkensvlees het meest winstgevende beroep in Amerika is, op politiek na.”
   “Ziet ze er aardig uit?”
   “Ze doet of ze heel mooi is. Dat doen de meeste Amerikaanse vrouwen. Het is het geheim van hun charme.”
   “Waarom kunnen die Amerikaanse vrouwen niet in hun eigen land blijven? Ze zeggen altijd, dat het daar een paradijs voor vrouwen is.”
   “Dat is zo. Maar dat is ook de reden waarom ze, net zoals Eva, er zo vreselijk graag weg willen” zei Lord Henry. “Adieu, oom. Ik kom te laat voor de lunch wanneer ik nog langer blijf. Dank voor de inlichtingen. Ik weet graag alles over mijn nieuwe vrienden, en liefst niets over mijn oude.”
   “Waar ga je lunchen, Harry?”
   “Bij tante Agatha. Ik heb er mezelf uitgenodigd, met Mr. Gray. Hij is haar recentste protegé.”
   “Hm, zeg aan je tante Agatha, Harry, dat ze me niet meer komt lastig vallen met haar liefdadigheidsinschrijvingen. Ik word er misselijk van. Wel, het goede mens denkt dat ik niets anders te doen heb dan wissels in te vullen voor haar bevliegingen.”
   “Heel goed, oom, ik zal het haar zeggen, maar het zal niet veel uithalen. Filantropische mensen verliezen elk idee van menselijkheid. Dat is hun grootste karaktertrek.”
   De oude heer bromde goedkeurend en belde voor de knecht. Lord Henry kwam via de lage portiek in Burlingtonstreet en wandelde in de richting van Berkely Square.
   Dat was dus het verhaal van Dorian Gray's afkomst. Zo ronduit verteld had het hem toch getroffen door de vreemde, bijna moderne roman, die er achter school. Een mooie vrouw, alles opofferend voor een dolle passie. Een paar weken van hartstochtelijk geluk, afgebroken door een lage, verraderlijke misdaad. Maanden van stomme smart, een kind in verdriet geboren. De moeder door de dood weggerukt; de jongen overgelaten aan de eenzaamheid en de tirannie van een oude man zonder hart. Ja, het was een artistieke achtergrond. De jongen kwam er goed tegen uit; het vervolmaakte hem. Achter ieder mooi ding schuilt iets tragisch... Werelden moesten hard werken, opdat de nederigste bloem zou kunnen waaien... Hoe bekoorlijk was hij geweest, de vorige avond aan het diner, toen hij met verschrikte ogen en half geopende lippen huiverend van genot tegenover hem had gezeten in de club, waar de rode kaarsschermpjes de ontwakende verwondering op zijn gelaat nog warmer kleurden. Tegen hem spreken was als spelen op een fijnbesnaarde viool. Hij trilde bij iedere aanraking, iedere streek van de stok. Er school iets zeer bezielend in het uitoefenen van invloed. Geen andere bezigheid kon eraan tippen. Je ziel te projecteren in een gracieuze vorm, en laat het daar even laten vertoeven; je eigen intellectuele opvattingen terug te horen geëchood tot één met al de toegevoegde muziek van de passie en de jeugd; een temperament over te brengen in een ander als ware het een subtiele vloeistof of een vreemd parfum: daar zat echte vreugde in - misschien wel de meest bevredigende vreugde die er voor ons is overgebleven in een tijd die zo beperkt en vulgair is als de onze, een tijd die schromelijk vleselijk is in zijn geneugten, en schromelijk ordinair in haar doelstellingen ... Hij was een prachtige type, ook, deze jongen, die hij door een zo eigenaardig toeval had ontmoet in Basil's studio, of kon worden gevormd tot een prachtige type, in ieder geval. Genade was aan zijn zijde, evenals de witte zuiverheid van jeugd en schoonheid zoals oude Griekse marmeren werken voor ons hebben bewaard. Er was niets dat men niet met hem kon doen. O, men kon van hem een wereldveroveraar of een stuk speelgoed maken. Hoe jammer dat zo iets mooi vergaan moest. En Basil, hoe interessant was die niet, vanuit een psychologisch oogpunt gezien. Een nieuwe manier in zijn kunst, een frisse blik op het leven, hem zo vreemd ingegeven door het fysieke bijzijn van iemand die zich onbewust was van zijn eigen bekoorlijkheid. Hij herinnerde zich iets vergelijkbaars uit de geschiedenis. Was het niet Plato, die kunstenaar van de gedachten, die het als eerste geanalyseerd had? Was het niet Buonarotti die het gekerfd had in het gekleurde marmer van een sonnetreeks? Maar in onze eigen eeuw was het vreemd... Ja, hij zou proberen om voor Dorian Gray te zijn wat de jongen, zonder het te weten, was voor de schilder die dat portret had gemaakt. Hij zou trachten hem te beheersen en hij was inderdaad al goed op weg. Hij zou die vreemde ziel tot zijn eigendom maken. Er was iets boeiends in dat kind van Dood en Liefde.
   Plotseling stond hij stil, en keek op naar de gevels. Hij bemerkte dat hij het huis van zijn tante voorbij was, en, lachend over zichzelf, keerde hij terug. Toen hij de ietwat donkere gang binnenkwam, zei de butler hem dat men reeds aan tafel was. Hij gaf aan één van de knechten zijn hoed en wandelstok en ging de eetzaal binnen.



4 Hoofdstuk 4


  

Een maand later. Dorian Gray lag in een fauteuil in de bibliotheek van Lord Henry's huis in Mayfair. Het was, op zijn manier, een zeer charmante kamer, met zijn hoge lambriseringen van olijven-gebeitst eiken, haar crèmekleurige fries en het plafond van verhoogd pleisterwerk, en zijn als baksteenstof aanvoelende vloerkleed bezaaid met zijden, Perzische tapijten met lange franjes. Op een klein satijnhouten tafeltje stond een beeldje gemaakt door Clodion, en ernaast lag een exemplaar van Les Cent Nouvelles, op weg naar Margaretha van Valois door Clovis Eva dat gepoederd was de vergulde madeliefjes die de koningin voor haar apparaat had gekozen. Enkele grote blauwe porseleinen potten en papegaai-tulpen stonden opgesteld op de schoorsteenmantel, en door de kleine loden ruiten van het raam stroomde het abrikoos-gekleurde licht van een zomerse dag in Londen.
   Lord Henry was er zelf nog niet. Hij was laat uit principe; zijn principe was dat stiptheid de dief van de tijd is. De jongen zag er wat gemelijk uit, terwijl hij met lusteloze vingers bladerde in een prachtexemplaar van Manon Lescaut dat hij op één van de boekenplanken had gevonden. Het deftige, eentonige getik van de Louis XIV klok verveelde hem. Een paar keer had hij zin gehad om weg te gaan.
   Eindelijk hoorde hij buiten een stap en de deur ging open. “Wat ben je laat, Harry”, sprak hij zacht.
   “Ik vrees, dat het Harry niet is, Mr. Gray”, antwoordde een hoge stem.
   Hij wendde zich om en stond op. “O pardon, ik dacht...” “U dacht dat het mijn man was. Het is maar zijn vrouw. Ik zal mijzelf maar voorstellen. Ik ken u heel goed door uw portretten. Ik geloof, dat mijn man er zeventien van heeft.”
   “Zeventien, Lady Henry?”
   “Nu, achttien dan. En ik zag u laatst met hem in de opera.” Ze lachte zenuwachtig terwijl ze sprak en hem opnam met haar vagen vergeet-me-niet blauwe ogen. Ze was een vreemde vrouw; haar toiletten schenen door een wervelwind ontworpen en in een stormwind aangedaan te zijn. Ze was steeds verliefd op iemand en omdat haar passies nooit beantwoord werden, had ze al haar illusies behouden. Ze deed haar best er schilderachtig uit te zien, maar bracht het niet verder dan slordigheid. Ze heette Victoria en had een manie om naar de kerk te gaan.
   “Dat was met Lohengrin, Lady Henry, geloof ik.”
   “Ja, het was met die heerlijke Lohengrin. Ik hou het allermeest van Wagners muziek. Die klinkt zó hard, dat je altijd kan blijven praten zonder dat iemand het merkt. Dat is een groot voordeel, vindt u niet, Mr. Gray?”
   Hetzelfde zenuwachtige staccato-lachje kwam weer over haar dunne lippen en haar vingers speelden met een lang schildpadden vouwbeen.
   Dorian glimlachte en schudde het hoofd. “Ik vrees, dat ik het niet met u eens kan zijn, Lady Henry. Ik spreek nooit tijdens muziek, tenminste tijdens goede muziek. Wanneer men slechte muziek hoort, is het niet meer dan een plicht die te overstemmen.”
   “O dat is iets van Harry, nietwaar Mr. Gray? Ik hoor altijd Harry's ideeën via zijn vrienden. Dat is voor mij de enige manier om ze te horen. Maar u moet niet denken dat ik niet van goede muziek hou. Ik ben er dol op, maar ik ben er ook bang voor. Het windt me teveel op! Ik heb pianisten aanbeden, soms twee te gelijk, beweert Henry. Ik weet niet welke charme ze voor mij hebben. Misschien is het omdat het vreemdelingen zijn. Dat zijn ze toch allemaal, nietwaar? Zelfs zij die in Engeland geboren zijn, worden vreemdeling na een poosje, nietwaar? Het is erg knap van hen, een heel compliment aan de kunst. Het wordt daardoor ook heel cosmopolitisch, vindt u niet? U is nooit op een van mijn soirées geweest, nietwaar Mr. Gray. Maar u moet zeker eens komen. Orchideeën zijn me te duur, maar ik spaar geen moeite om vreemdelingen aan tafel te hebben. Ze stofferen een salon zo aardig. Maar hier is Harry! Harry, ik kwam hier om je wat te vragen, maar ik ben het nu vergeten, en ik trof Mr. Gray aan. We hebben heel prettig samen gesproken over muziek. We hebben precies dezelfde ideeën. O nee, toch niet, ze waren juist zeer uiteenlopend. Maar hij is heel aardig geweest. Ik ben blij hem ontmoet te hebben.”
   “Dat doet me plezier, lieve, zeer veel plezier”, zei Lord Henry, de sikkels van zijn donkere wenkbrauwen optrekkend en hen beiden aankijkend met een spottende glimlach. “Het spijt me, dat ik zo laat ben, Dorian. Ik was uitgegaan voor een stuk oud brokaat in Wardour Street en ik moest wel een uur bieden en loven. Tegenwoordig weet iedereen de prijs van alles en niemand de waarde van iets.”
   “Maar ik moet nu weg”, riep Lady Henry, een benauwende stilte verbrekend met haar kinderachtig lachje. “Ik heb beloofd om met de Hertogin te gaan rijden. Goede dag, Mr. Gray. Adieu Harry. Je gaat zeker buitenhuis dineren, nietwaar? Ik ook. Misschien zie ik je nog wel bij Lady Thornburg.”
   “Dat kan wel”, zei Lord Henry, de deur achter haar sluitend, terwijl zij de kamer uit zweefde met iets van een paradijsvogel die een nacht in de regen heeft gestaan, een geur van frangipani achter zich latend. Toen stak hij een sigaret op en wierp zich neer op de bank.
   “Trouw nooit een vrouw met geel haar, Dorian”, zei hij, na een paar trekken.
   “Waarom, Harry?”
   “Omdat ze zo sentimenteel zijn.”
   “Maar ik hou wel van sentimentele mensen.”
   “Trouw nooit, Dorian. Mannen trouwen uit moeheid en vrouwen uit nieuwsgierigheid; beiden worden teleurgesteld.”
   “Ik geloof niet, dat ik ooit zal trouwen, Harry. Ik ben veel te verliefd. Dat is één van jouw aforismen. Ik breng ze nu in praktijk, zoals alles wat jij zegt.”
   “En wie is de gelukkige?”, vroeg Lord Henry na een pauze.
   “Een actrice”, zei Dorian Gray met een kleur.
   Lord Henry haalde zijn schouders op. “Nogal een banaal debuut.”
   “Indien je haar zag, zou je dat niet zeggen, Harry.”
   “Wie is ze?”
   “Ze heet Sybil Vane.”
   “Nooit van gehoord.”
   “Nee, niemand heeft tot hiertoe van haar gehoord. Maar eens zal ze beroemd worden, want ze is een genie.”
   “Beste jongen, geen enkele vrouw is ooit een genie. Vrouwen zijn het decoratieve geslacht. Ze hebben nooit veel bijzonders te vertellen, maar wat ze zeggen, zeggen ze aardig. Vrouwen representeren de triomf van de materie over de geest, net zoals mannen de triomf representeren van de geest over de moraal.”
   “Harry, hoe durf je?”
   “Beste Dorian, het is de zuivere waarheid. Ik bestudeer momenteel de vrouwen. Ik moet het dus wel weten. Het onderwerp is niet zo diepzinnig als ik dacht dat het was. Ik ben tot de slotsom gekomen, dat er maar twee soorten vrouwen zijn: lelijke en geschminkte. Lelijke vrouwen zijn heel nuttig. Wanneer je een solide reputatie wilt hebben hoef je er maar een mee te brengen naar de soupers. De andere vrouwen zijn allerliefst. Ze maken echter één fout. Ze schminken zich om er jong uit te zien. Onze grootmoeders schminkten zich om een briljante conversaties te hebben. Vroeger gingen rouge en esprit samen. Dat is nu voorbij. Zolang een vrouw er tien jaar jonger uitziet dan haar dochter, is ze volmaakt tevreden. Maar wat de conversatie betreft zijn er in heel Londen maar vijf vrouwen waar je mee kan praten, en met twee ervan kun je je niet in fatsoenlijk gezelschap wagen. Maar vertel jij nu verder over je muze. Hoe lang ken je haar al?”
   “O Harry, je maakt me bang.”
   “Kom! Trek het je maar niet aan. Hoe lang ken je haar?”
   “Drie weken.”
   “En waar heb je haar ontmoet?”
   “Dat zal ik je vertellen, Harry, maar je moet er niet om lachen. Want eigenlijk zou het ook nooit gebeurd zijn indien ik jou niet ontmoet had. Je hebt in mij een hevig verlangen opgewekt om alles van het leven te kennen. Dagen nadat ik je ontmoet had scheen er een vuur in mij te gloeien. Terwijl ik luierde in het park, of wandelde langs Piccadilly, keek ik altijd naar iedereen die mij voorbij liep en vroeg ik me af, met een gekmakende nieuwsgierigheid, wat voor soort leven ze leidden. Sommigen van hen fascineerden me. Anderen vervulden me met doodsangst. In de lucht om mij heen scheen een exquis vergif te hangen. Ik had een passie voor sensaties. Wel, op een avond, om een uur of zeven, ging ik op avontuur uit. Ik voelde dat ons grijze, grote Londen met zijn duizenden mensen en zijn schitterende zonden, zoals je het eens noemde, iets voor mij in petto had. Ik dacht aan duizend dingen. Het gevaar alleen al gaf me een heerlijk gevoel. Ik herinnerde mij wat je op die eerste wondere avond, toen wij samen dineerden, gezegd had over het zoeken naar schoonheid als het werkelijke geheim van het leven. Ik weet niet wat ik verwachtte, maar ik ging erop uit en dwaalde naar East End, waar ik snel de weg kwijt raakte in een labyrint van vuile straatjes en donkere dorre pleinen. Om een uur of halfnegen kwam ik voorbij een bespottelijk klein theater, met grote flikkerende gaslichten en bonte affiches. Een afschuwelijke jood, gekleed in het vreemdste kostuum dat ik ooit zag, stond voor de ingang met een goedkope sigaar in de mond. Hij had vettige haren en een kolossale diamant schitterde in het midden van zijn vuil hemd. 'Een loge, meneer?', riep hij, toen hij mij zag en hij nam zijn hoed af met een vertoon van pompeuze nederigheid. Er was iets in hem, Harry, dat mij amuseerde. Hij was net een monster. Je zult mij uitlachen, denk ik, maar ik ging binnen en betaalde niet minder dan een pond voor de loge. Tot op dit ogenblik weet ik niet waarom ik dat deed, en toch, indien ik het niet gedaan had, mijn beste Harry, zou ik de interessantste roman van mijn leven gemist hebben. Ik zie wel, dat je me uitlacht. Het is niet aardig van je.”
   “Ik lach volstrekt niet, Dorian, tenminste niet om jou. Maar je moet niet zeggen: de interessantste roman van je leven. Je moet zeggen: de eerste roman van je leven. Ze zullen altijd van je houden en jij zal altijd verliefd zijn op het verliefd te zijn. Een 'grande passion' is het privilege van mensen die niets te doen hebben. Dat is de enige bezigheid voor die werklozen. Wees niet bang, er is nog een hele boel moois voor je weggelegd. Dit is alleen het begin.”
   “Denk je dat mijn gevoelens zo oppervlakkig zijn?”, riep Dorian boos.
   “Nee, ik geloof juist dat ze diep zijn.”
   “Hoe bedoel je dat?”
   “Beste jongen, mensen die maar ééns in hun leven liefhebben, zijn in werkelijkheid klein voelend. Wat zij loyaliteit en trouw noemen, noem ik of luiheid van gewoonte of gemis aan verbeelding. Trouw is voor het gevoelsleven wat conservatisme is voor het verstand; niets dan een bekentenis van onmacht. Trouw, dat moet ik toch eens analyseren. De passie voor het bezit zit er in. Er zijn veel dingen die we zouden weggooien indien we niet bang waren dat anderen ze zouden oprapen. Maar laat me je niet onderbreken. Ga verder met je verhaal.”
   “Nu, daar zat ik dan, in een klein lelijk logetje met een gemeen gordijn voor mij. Vanachter dat gordijntje keek ik naar de zaal. Ze zag er kitscherig uit, niets dan engeltjes en hoorns van overvloed, net een bruiloftskaart van derde rang. De galerij en de parterre waren zo goed als vol, maar de twee rijen vuile stalles waren helemaal leeg en er was nauwelijks iemand in wat het balkon moest verbeelden. Vrouwen gingen rond met sinaasappelen en gemberbier en de hele zaal zat noten te knabbelen.”
   “Het klinkt als iets uit de gulden dagen van het Britse drama.”
   “Ja, iets dergelijks, denk ik, en zeer beklemmend. Ik begon me af te vragen wat ik in godsnaam zou doen, toen ik de affiche zag. Wat denk je, dat ze speelden, Harry?”
   “De 'Idiote Jongen', of 'Stom maar onschuldig'. Onze voorvaders hielden van dat stuk, geloof ik. Hoe langer ik leef, Dorian, hoe duidelijker ik voel, dat wat goed genoeg was voor onze voorvaders, niet goed genoeg is voor ons. Zowel in de kunst als in de politiek geld het adagio: 'les grands-pères ont toujours tort'.”
   “Dit stuk was ook voor ons goed genoeg, Harry. Het was Romeo and Julia. Ik moet bekennen dat het mij stoorde Shakespeare te zien spelen in zo een plaats. Maar ik was toch benieuwd. Ik besloot in ieder geval te wachten op het eerste bedrijf. Er was een afschuwelijk orkest, gedirigeerd door een jonge jood die voor een rammelkast van een piano zat, en dat joeg mij bijna weg. Maar eindelijk ging het gordijn open en begonnen ze te spelen. Romeo was een dikke oude vent, met gekurkte wenkbrauwen, een mooie drakenstem en een figuur als een bierton. Mercutio was bijna even slecht. Hij werd gespeeld door de bas-comique, die er moppen van zijn eigen repertoire inlaste en op goede voet stond met de parterre. Ze waren allebei even grotesk als het decor en dat leek afkomstig te zijn uit een kermistent. Maar Julia, Harry! Stel je voor, een meisje, nauwelijks zeventien, een klein gezichtje als een bloem, een klein Grieks hoofdje met donkerbruine vlechten, violette ogen die glinsterden als bronnen van passie! En een mondje als een roos. Ze was het liefste ding dat ik ooit in mijn leven gezien had. Je hebt me eens gezegd dat pathos je onverschillig liet, maar dat schoonheid, pure schoonheid, je tot tranen kon bewegen. Welnu Harry, ik kan je zeggen dat ik dit kind nauwelijks kon zien door de nevel die ik voor mijn ogen had. En haar stem! Ik heb nooit zo een stem gehoord. Ze klonk eerst heel zacht, met diepe volle tonen die je elk apart scheen te horen. Toen klonk ze wat harder en het werd als een fluit of een hobo in de verte. In de tuinscène hoorde je de trillende extase van nachtegalen, wanneer die 's ochtends heel vroeg zingen. Later waren er momenten dat je de wilde passie van violen in haar stem hoorde. Je weet zelf hoe een stem je kan raken. Jouw stem en die van Sibyl Vane zijn twee dingen die ik nooit zal vergeten. Wanneer ik mijn ogen sluit hoor ik ze allebei en ze zeggen elk iets verschillend. Ik weet niet welke ik volgen moet. Waarom zou ik niet van haar houden? Harry, ik heb haar lief. Zij is alles voor mij. Avond na avond zie ik haar spelen. De ene avond is zij Rosalind en de volgende Imogen. Ik heb haar zien sterven in de somberte van een Italiaans graf terwijl ze het vergif opzoog van de lippen van haar geliefde. Ik heb haar zien dwalen door de bossen van de Ardennen, verkleed als een aardige jongen, in een broek en wambuis, met een coquet petje op. Ze is krankzinnig geweest en ze is bij een schuldige koning gekomen en ze heeft hem met berouw overstelpt en hem bittere kruiden laten proeven. Ze is onschuldig geweest en de zwarte handen van jaloezie hebben haar tere hals omkneld. Ik heb haar gezien in iedere eeuw en in ieder kostuum. Gewone vrouwen werken niet op je verbeelding. Ze zijn begrensd door hun eeuw. Ze veranderen nooit door één of andere toverkracht. Je kent hun gedachten net zo gemakkelijk als hun mutsen. Je kan ze ook altijd vinden. Er is niets geheimzinnig om hen heen. Ze rijden 's morgens in het Park en babbelen 's middags bij de thee. Ze hebben stereotype glimlachjes en aangeleerde maniertjes. Je kent ze door en door. Maar een actrice! Een actrice is heel wat anders. Harry, waarom heb je me nooit gezegd, dat de enige vrouw van wie je kan houden een actrice is.”
   “Ik ben er zelf op zoveel verliefd geweest, Dorian.”
   “O ja, verschrikkelijke wezens met geverfd haar en geverfde gezichten.”
   “Vaar nu niet uit tegen geverfd haar en geverfde gezichten. Ze hebben soms heel veel charme”, zei Lord Henry.
   “Ik wou dat ik je niets verteld had over Sybil Vane.”
   “Dat kon je toch niet laten, Dorian. Je hele leven zal je me alles vertellen wat je doet.”
   “Ja Harry, dat geloof ik ook. Ik móet je alles vertellen. Je hebt zulk een vreemde invloed op me. Indien ik ooit een misdaad zou plegen, zou ik die aan jou bekennen. Jij zou me begrijpen.”
   “Mensen zoals jij, de zonnestralen van het leven, begaan geen misdaden, Dorian. Maar ik dank je in ieder geval voor je compliment. En zeg me eens - geef me even de lucifers aan, dank je - op welke voet sta je nu eigenlijk met Sybil Vane...”
   Dorian vloog op, met gloeiende wangen en schitterende ogen. “Harry! Sybil Vane is heilig!”
   “Alleen heilige dingen zijn de moeite van het aanraken waard, Dorian” zei Lord Henry, met een vreemde tint van weemoed in zijn stem. “Maar waarom ben je daar zo boos om? Ze zal toch eens van jou zijn. Als men verliefd is begint men zichzelf voor de gek te houden en eindigt men met de andere voor de gek te houden. Dat is wat de wereld een romance noemt. Maar je kent haar toch zeker?”
   “O, natuurlijk. De eerste keer, toen ik in dat theater was, kwam die afschuwelijke oude jood na afloop van de voorstelling bij mij en bood aan om me achter de schermen te brengen en haar aan mij voor te stellen. Ik was woedend op hem en antwoordde, dat Julia al eeuwen dood was en dat haar lijk in een marmeren graf in Verona lag. Ik geloof, te oordelen naar zijn stom verbaasde blik, dat hij dacht dat ik teveel champagne had gedronken.”
   “Dat verwondert me niets.”
   “Toen vroeg hij me of ik voor één van de kranten schreef. Ik zei hem dat ik er zelfs nooit één las. Toen scheen hij erg teleurgesteld en vertelde me dat al de critici tegen hem samenspanden en dat hij ze allemaal zou moeten omkopen.”
   “Dat zou me niets verwonderen. Maar aan de andere kant geloof ik, dat ze niet zo heel erg duur zijn.”
   “Nu, voor hem schenen ze wel te duur te zijn”, lachte Dorian. “Maar ondertussen waren de lichten in de zaal gedoofd en moest ik weg. Hij wou me een paar sigaren laten proeven, die hij erg kon aanbevelen. Ik bedankte. De volgende dag zat ik er natuurlijk opnieuw. Toen hij me zag boog hij heel diep en verzekerde me dat ik een machtig beschermer van de kunst was. Het was een brutale kerel, maar hij had een passie voor Shakespeare. Hij heeft me verteld, met een soort van trots, dat zijn vijf faillissementen het gevolg waren van zijn bewondering voor de 'Bard', zoals hij hem noemde. Hij scheen dat een hele onderscheiding te vinden.”
   “Het is een onderscheiding, mijn beste Dorian, een hele onderscheiding. De meesten gaan bankroet omdat ze teveel hebben ingezet op het proza van het leven. Jezelf ruïneren voor poëzie is een eer. Maar wanneer sprak je Miss Sybil Vane voor het eerst?”
   “De derde avond. Ze had Rosalind gespeeld. Ik kon niet nalaten achter de schermen te gaan. Ik had haar bloemen toegegooid en zij had mij aangekeken, tenminste, dat verbeeldde ik me. De oude jood drong weer aan. Hij scheen vast besloten mij bij haar te brengen en ik gaf dus toe. Vind je het niet eigenaardig dat ik in het geheel niet verlangde haar te leren kennen?”
   “Nee, dat vind ik niet.”
   “Maar Harry, waarom?”
   “Dat zal ik je later wel eens vertellen. Nu zou ik graag alles over dat meisje horen.”
   “Sybil? O ze was erg verlegen en heel lief. Ze heeft iets zeer kinderlijk. Haar ogen vergrootten zich in een zalige verwondering toen ik haar zei wat ik van haar spel dacht en ze scheen zich helemaal niet bewust te zijn van haar talent. Ik geloof dat we allebei nogal zenuwachtig waren. De oude jood stond te grinniken in de deur van de muffe foyer en hield hoogdravende redevoeringen over ons beiden terwijl wij als kinderen elkaar stonden aan te kijken. Hij bleef me steeds maar 'My Lord' noemen, zodat ik Sybil moest verzekeren dat ik volstrekt geen aanspraak had op die titel. Toen zei ze heel eenvoudig: 'U lijkt meer op een prins. Ik zal u Prins Charmant noemen.'”
   “Op mijn woord, Dorian, Miss Sybil kan goed complimentjes maken.”
   “Je begrijpt haar niet, Harry. Ze beschouwde mij als iemand uit één van haar stukken. Ze kent niets van het leven. Ze woont bij haar moeder, een verlepte vrouw die Lady Capulet speelde in een soort van magenta-rode peignoir en die er uitziet of ze betere dagen gekend heeft.”
   “O, dat ken ik. Zo iets geeft me een akelig gevoel”, mompelde Lord Henry, naar zijn ringen kijkend.
   “De jood wou me haar geschiedenis vertellen, maar ik zei, dat het me niet schelen kon.”
   “Je had groot gelijk. Er schuilt altijd een grote vulgariteit in de tragedies van andere mensen.”
   “Sybil is het enige waar ik om geef. Wat kan het mij schelen waar ze vandaan komt. Van haar hoofdje tot haar voetjes is zij volmaakt hemels. Iedere avond ga ik naar haar kijken en iedere avond is ze verrukkelijker dan de vorige.”
   “O, is dat de reden waarom je tegenwoordig nooit meer met mij dineert. Ik dacht dat je iets heel interessant om handen had. Dat heb je nu ook wel, maar het is toch niet wat ik verwachtte.”
   “Maar Harry, we lunchen en souperen toch iedere dag samen en ik ben heel vaak met jou naar de opera geweest”, zei Dorian met verwondering in zijn blauwe ogen.
   “Je bent altijd verschrikkelijk laat.”
   “Maar ik moet Sybil zien”, riep hij, “al is het slechts één akte. Ik smacht naar haar tegenwoordigheid en wanneer ik denk aan de wonderbaarlijke ziel, verborgen in dat kleine ivoren lichaam, voel ik een eerbiedige vrees in mij.”
   “Je kunt vanavond toch wel met mij dineren, Dorian, niet waar?”
   Hij schudde het hoofd. “Vanavond is zij Imogen”, antwoordde hij, “en morgen Julia.”
   “Wanneer is zij Sybil Vane?”
   “Nooit.”
   “Ik feliciteer je.”
   “Je bent afschuwelijk. In haar zijn al de heldinnen van de wereld verenigd. Zij is meer dan één persoon. Je lacht, maar ik verzeker je, dat zij een genie is. Ik heb haar lief en ik moet ervoor zorgen dat zij ook van mij houdt. Jij, die alle geheimen van het leven kent, zeg me hoe ik Sybil Vane kan betoveren. Ik wil Romeo jaloers maken. Ik wil dat al haar minnaars, die nu dood zijn, ons lachend geluk zullen horen en erom zullen treuren. Ik wil dat de adem van onze passie hun stof zal opwekken en hun as zal doen lijden. Grote God, Harry, ik aanbid haar.” Terwijl hij sprak, liep hij op en neer door de kamer. Een koortsig rode blos gloeide op zijn wangen. Hij was zeer opgewonden.
   Lord Henry volgde hem met een verfijnd genot. Hoezeer verschilde hij nu van de verlegen knaap die hij in het atelier van Basil Hallward had ontmoet. Zijn natuur had zich ontwikkeld als een bloem en droeg bloesems als vurig purper. Zijn ziel was ontwaakt uit haar geheime schuilplaats en liep de hartstocht tegemoet.
   “En wat denk je nu te doen?”, vroeg Lord Henry uiteindelijk.
   “Ik wou, dat jij en Basil eens met me meegingen om haar te zien spelen. Ik ben niet bang voor de uitslag. Je zal dan zeker moeten toegeven dat ze talent heeft. En dan moeten we haar uit de handen van die jood zien te krijgen. Ze is aan hem verbonden voor drie jaar, tenminste twee jaar en acht maanden. Ik zal hem natuurlijk moeten betalen. Wanneer dat geregeld is koop ik een theater in West-End en lanceer ik haar. Ze zal het publiek stormenderhand innemen, net zoals zij het bij mij gedaan heeft.”
   “Dat is onmogelijk, mijn beste jongen.”
   “Toch zal ze het doen. Ze heeft niet alleen kunst in zich, een fijn instinct voor kunst, maar zij is een persoonlijkheid, en je hebt mij dikwijls gezegd, dat de wereld beheerst wordt door personaliteiten, en niet door principes.”
   “Nu, wanneer zullen we gaan?”
   “Laat ons eens kijken: vandaag is het dinsdag. Laten we het op morgen houden. Ze speelt Julia morgen.”
   “Goed. Om acht uur in de Bristol, en ik zal Basil meevragen.”
   “Acht uur! Maar Harry, dat is te laat! Half zeven. We moeten er zijn voor het gordijn opgaat. Je moet haar zien in de eerste akte, wanneer ze Romeo ontmoet.”
   “Half zeven? Wat een uur! Dat is even erg als wanneer je slappe bouillon drinkt of een Engels romannetje leest. Laten we zeven uur zeggen. Welk fatsoenlijk mens dineert nu vóór zeven uur? Zie je Basil nog vóór die tijd, of zal ik hem schrijven?”
   “Die goede Basil. Ik heb hem de hele week nog niet gezien. Het is niet aardig van mij, want hij heeft me mijn portret toegezonden in een prachtige lijst, door hemzelf ontworpen en hoewel ik wel een beetje jaloers ben op dat portret, dat een hele maand jonger is dan ik, moet ik bekennen, dat het mij toch een aangenaam gevoel geeft. Misschien is het toch maar beter dat jij hem schrijft. Ik zie hem liever niet alleen. Hij zegt dingen die mij hinderen. Hij geeft me altijd goede raad.”
   Lord Henry glimlachte. “De mensen houden ervan net datgene weg te geven wat ze zelf het meest nodig hebben. Ik noem dat een overmaat aan edelmoedigheid.”
   “O, Basil is een goede kerel, maar voor mij heeft hij iets van een Filistijn. Sinds ik jou ken, Harry, heb ik dat bedacht.”
   “Mijn beste jongen, Basil legt al het mooie dat hij heeft in zijn werk. Bijgevolg blijft er niets over voor het echte leven dan zijn vooroordelen, zijn principes en zijn verstand. De enige artisten met enige persoonlijke charme die ik gekend heb, waren slechte artisten. Goede artisten bestaan alleen in wat zij voortbrengen en zijn dus bijgevolg zeer onbeduidend als mens. Een groot dichter, een werkelijk groot dichter is het meest prozaïsche van alle schepsels. Maar mindere dichters zijn allercharmantst. Hoe slechter hun rijm is, hoe schilderachtiger zij er zelf uitzien. Alleen het feit een boek met tweederangs sonnetten te hebben uitgegeven, maakt een man onweerstaanbaar. Hij beleeft de poëzie die hij niet kan uiten. Anderen uiten de poëzie die ze niet durven realiseren.”
   “Zou dat echt zo zijn, Harry?”, vroeg Dorian Gray terwijl hij wat parfum op zijn zakdoek deed uit een grote fles met een gouden dop die op de tafel stond. “Het zal wel, indien jij het zegt. Nu ga ik er vandoor. Imogen wacht op me. Vergeet onze afspraak niet voor morgen. Adieu.”
   Toen hij de kamer verliet, vielen Lord Henry's zware oogleden toe en begon hij na te denken. Het was waar: weinig mensen hadden hem zo geïnteresseerd als Dorian Gray en toch voelde hij niet de minste pijn van verongelijking of afgunst om de opgewonden aanbidding van de jongen voor een ander. Het deed hem zelfs plezier. Het maakte de studie nog interessanter. Hij was altijd aangetrokken door de methodes van de natuurwetenschap; maar haar gewone onderwerpen vond hij triviaal en van weinig belang. Hij was dus begonnen zichzelf te ontleden, zoals hij nu eindigde met anderen te ontleden. Alleen het leven van de ziel scheen hem de moeite van een onderzoek waard. Daarmee kon niets vergeleken worden. Tijdens het bestuderen van het leven, met zijn vreemde dwarreling van smart en geluk, kon men het gezicht niet beschermen met een masker van glas, kon men niet beletten dat er een mist over de hersenen neerdaalde en de verbeelding troebel maakte met monsterlijke ideeën en wanstaltige dromen. Er bestonden zulke subtiele vergiften dat men ze, tot walgens toe, moest gebruiken wilde men er de essentie van kennen. Er bestonden ziekten, zo vreemd, dat men ze moest doorgemaakt hebben wilde men hun karakter kennen. En toch, hoe groot de beloning! Hoe vreemd de hele samenstelling van de wereld! Welk een genot: de vreemde harde logica van het gevoelsleven tegenover het emotievolle kleurrijke leven van het verstand; observeren waar ze elkaar ontmoeten en waar ze zich scheiden, waar ze samen smelten en waarin ze verschillen! Wie bekommerde zich om de prijs? Men kon een sensatie nooit te duur betalen.
   Hij was er zich bewust van en de gedachte bracht een glans van genoegen in zijn bruine, agaten ogen: het was door woorden van hém - woorden van muziek uitgesproken met een muzikale stem - dat Dorians ziel zich aangetrokken voelde tot die vrouw vol blanke reinheid en zich in aanbidding voor haar neerboog. De jongen was voor een groot deel zijn eigen schepping. Hij had hem vroeg rijp gemaakt. Dat was niet niets. Gewone mensen wachten tot het leven zijn geheimen aan hen openbaart, maar voor enkelen, de uitverkorenen, worden de mysteries van het leven geopenbaard nog vóór de sluier is weggetrokken. Soms was dit het effect van de kunst en vooral van literatuur, die onmiddellijk inwerkt op de passies en het intellect. Maar nu en dan nam een gecompliceerde persoonlijkheid die plaats in en deed het werk van de kunst, was in zijn genre een waar kunstvoorwerp, want het leven zelf heeft ook zijn doorwrochte meesterwerken, net zoals de poëzie, de beeldhouwkunst of de schilderkunst.
   Ja, de jongen was vroeg rijp. Hij haalde zijn oogst al binnen terwijl het nog lente was. Het leven en de hartstocht van de jeugd sliepen nog in hem, maar hij werd al zelfbewust. Het was heerlijk hem gade te slaan. Met zijn mooi gezicht en zijn mooie ziel was hij iets om te bewonderen. Het deed er niet toe hoe dit alles zou aflopen, hoe het voorbestemd was te eindigen. Hij was als één van die gracieuze figuren in een marionettenspel of in een toneelstuk, wiens genoegens ver van ons staan, maar wiens smarten ons schoonheidsgevoel beroeren, en wiens wonden als rode rozen zijn.
   Ziel en lichaam, lichaam en ziel, hoe mysterievol zijn ze. Er lag een dierlijkheid in de ziel en het lichaam had zijn ogenblikken van spiritualiteit. De zinnen konden zich verfijnen en het intellect kon verdierlijken. Wie kon zeggen waar de impuls van het vlees eindigde en waar de impuls van de ziel begon? Hoe kleingeestig waren de tegenstrijdige beschrijvingen van psychologen! En toch, hoe moeilijk was het te kiezen tussen de verschillende richtingen! Was de ziel slechts een schim, die spookte in een huis vol zonden? Of was het lichaam waarlijk een verpersoonlijking van de ziel, zoals Giordano Bruno beweert? De scheiding van geest en materie was een geheim, evenals de eenwording van geest en materie een geheim was.
   Hij vroeg zich af of de psychologie ooit zou opklimmen tot zulk een absolute wetenschap, dat zelfs de kleinste bron van het leven aan ons geopenbaard zou worden. Zoals ze nu was, begrepen wij onszelf altijd verkeerd en anderen in het geheel niet. Ondervinding had van geen ethische waarde. Het was slechts een naam die de mensen gaven aan hun vergissingen. Zedenmeesters beschouwden ze in de regel als een waarschuwing, hechtten er een ethische waarde aan bij de vorming van karakters, prezen haar als iets dat ons leert wat we moeten doen of laten. Maar er schuilt geen oorspronkelijke kracht in ondervinding. Evenmin als het geweten is ze een drijfveer die ons tot handelen kan aanzetten. Het enige wat ze aangaf was dat de toekomst gelijk zou zijn aan het verleden en dat men zonden, die men ooit met afschuw begaan had, nog vele malen zou herhalen in diep genot.
   Het was duidelijk dat de proefondervindelijke methode de enige was, waarmee men tot een wetenschappelijke analyse van passies kon komen en Dorian Gray was een prachtig studieobject dat een rijk en vruchtbaar resultaat beloofde. Zijn plotse opgewonden liefde voor Sybil Vane was een psychologisch verschijnsel van groot belang. Ongetwijfeld was er veel nieuwsgierigheid in het spel; nieuwsgierigheid en de drang naar nieuwe sensaties; toch was het geen eenvoudige maar een zeer ingewikkelde passie. Het zuiver zinnelijke instinct van de jeugd was omgevormd door de werking van de verbeelding, veranderd in iets waarvan de jongen dacht dat het geheel belangeloos was en net daarom was het des te gevaarlijker. Want precies die hartstochten welke wij onjuist inschatten zijn diegene die de meeste macht over ons hebben. Onze zwakste drijfveren zijn diegene waarvan we ons bewust zijn. Het gebeurt dikwijls dat, wanneer we denken dat we proefnemingen doen op anderen, we in werkelijkheid proeven nemen op onszelf.
   Terwijl Lord Henry hierover zat te dromen, klonk er een klop op de deur en de knecht kwam binnen om hem eraan te herinneren dat het tijd was zich voor het diner te kleden. Hij stond op en keek naar de straat. De ondergaande zon deed de bovenste ruiten van het huis aan de overkant opvlammen in vurig goud. De dakpannen glansden als gloeiende platen metaal. De lucht daarboven was als een verwelkte roos. Hij dacht aan het jonge, vlammend rode leven van zijn vriend en vroeg zich af wat het einde zou zijn .
   Toen hij na halftwaalf thuis kwam, lag er een telegram op de tafel in de hal. Hij opende het en zag, dat het van Dorian Gray was. Hij meldde dat hij verloofd was met Sybil Vane.



5 Hoofdstuk 5


  

“Moeder, moeder, ik ben zo gelukkig”, fluisterde het meisje, het gelaat verbergend in de schoot van de verlepte, afgetakelde vrouw die, met haar rug gekeerd naar het schelle binnenvallende licht, in een lage zetel zat in hun vuil, morsig zitkamertje. “Ik ben zo gelukkig”, herhaalde ze, “en nu moet u ook gelukkig zijn.”
   Mrs. Vane keek ontstemd en legde haar magere witte handen op het hoofd van haar dochter. “Gelukkig!”, riep ze, “ik ben alleen gelukkig, Sybil, wanneer ik jou zie spelen. Je moet aan niets anders denken dan aan spelen. Mr. Isaacs is heel goed voor ons geweest en we zijn hem geld schuldig.”
   Het meisje keek op en trok een pruilend gezichtje. “Geld, moeder!”, riep ze, “welk belang heeft geld nu? Liefde is toch meer dan geld?”
   “Mr. Isaacs heeft ons vijftig pond voorgeschoten om onze schulden af te betalen en een uitzet voor James te kopen. Dat moet je niet vergeten, Sybil. Vijftig pond is veel geld. Mr. Isaacs is heel goed voor ons geweest.”
   “Hij is zeker geen heer, moeder, en ik haat de manier waarop hij tegen mij spreekt”, antwoordde het meisje terwijl ze opstond en door het raam ging kijken.
   “Ik weet niet hoe we het zonder hem zouden kunnen doen”, antwoordde de oude vrouw tobberig.
   Sybil Vane schudde het hoofd en lachte. “Wij hebben hem niet meer nodig, moeder. Een toverprins zal nu ons leven maken!” Toen zweeg ze. Een gloed trilde in haar bloed en kleurde haar wangen. Haar snelle ademhaling opende de bloemblaadjes van haar lippen. Ze trilden. Een zuidenwind van passie gleed door haar heen en beroerde de dunne plooien van haar kleed. “Ik heb hem lief!”, sprak ze eenvoudig.
   “Dwaas kind! Dwaas kind!”, was het papegaaien antwoord. Het schudden van de kromgetrokken, met valse juwelen versierde vingers, maakte de woorden nog grotesker.
   Het meisje lachte weer. Het gejubel van een getralied vogeltje klonk in haar stem. Haar ogen namen de melodie in zich op en flitsten glanzend op; toen sloten zij zich even als om hun geheim te verbergen. Toen ze zich opnieuw openden lag de nevel van een droom over hen.
   Een dun gelipte wijsheid sprak tot haar vanuit de versleten stoel, maande haar aan tot voorzichtigheid, debiteerde gemeenplaatsen uit het boek der lafheid, geschreven door het gezond verstand. Ze luisterde niet. Ze voelde zich vrij in haar gevangenis van hartstocht. Haar prins, haar toverprins was bij haar. Ze had vrouwe Herinnering gelast hem op te roepen. Ze had haar ziel uitgestuurd om hem te zoeken en zij had hem bij haar gebracht. Zijn kus brandde terug op haar mond. Haar oogleden waren warm van zijn adem.
   Toen veranderde de wijsheid haar methode en sprak ze over spionneren en ontdekken. Die jonge man kon rijk zijn. En in dat geval moest er aan een huwelijk gedacht worden. Maar tegen haar fijne oorschelpen braken de golven van wereldse berekening. De listige pijlen verwondden haar niet. Ze zag alleen maar hoe de dunne lippen bewogen en ze glimlachte.
   Opeens voelde ze de drang om te spreken. De woordenrijke stilte hinderde haar. “Moeder, moeder”, jammerde ze, “waarom houdt hij zo van mij? Ik weet waarom ik van hem hou. Ik heb hem lief omdat hij de liefde zelf is. Maar wat ziet hij in mij? Ik ben hem niet waard. En toch, het waarom kan ik niet zeggen, en toch, hoewel ik weet dat ik zover beneden hem sta voel ik mij niet nederig. Ik ben trots, verschrikkelijk trots. Moeder, had u mijn vader zo lief als ik mijn toverprins?”
   De oude vrouw werd bleek onder het grove poeder dat ze op haar wangen had gesmeerd en haar dorre lippen vertrokken in een stuiptrekking van pijn. Sybil vloog naar haar toe, sloeg de armen om haar heen, en kuste haar. “Vergeef mij, moeder. Ik weet dat het u verdriet doet over vader te spreken. Maar dat is ook alleen maar omdat u zoveel van hem hield. Kijk nu niet zo treurig. Ik ben vandaag net zo gelukkig als u dat was, twintig jaar geleden. O, laat me altijd zo gelukkig zijn!”
   “Kind, je bent nog veel te jong om er over te denken van iemand te houden. En daarbij, wat weet je over die jonge heer? Je kent niet eens zijn naam. De hele zaak ligt zeer moeilijk, net nu James op het punt staat naar Australië te gaan en ik zoveel aan mijn hoofd heb; ik moet zeggen dat je toch wel wat meer aan mij had kunnen denken. Maar zoals ik zei: indien hij rijk is...”
   “O moeder, moeder laat mij gelukkig zijn!”
   Mrs. Vane keek haar aan en met één van die gemaakte theatrale gebaren, die een acteur zo dikwijls tot tweede natuur worden, sloot zij haar in de armen. Op dat ogenblik ging de deur open en een jongen met dik bruin haar kwam binnen. Zijn figuur was kort en stevig; zijn handen en voeten waren groot en onhandig in hun bewegingen. Hij was niet zo fijn opgevoed als zijn zuster. Men kon nauwelijks geloven dat ze broer en zuster waren. Mrs. Vane liet haar ogen op hem rusten en rond haar mond verscheen een brede glimlach. Ze zag in haar zoon een groot publiek. Ze was overtuigd dat zij een tableau vormden.
   “Je zou wat van je kussen voor mij kunnen overhouden, Sybil”, zei de jongen met een goedaardig gebrom.
   “O, maar je houdt er niet van omhelsd te worden, Jim”, riep ze. “Je bent een verschrikkelijke brompot.” En ze vloog op hem toe om hem te omhelzen.
   Jim Vane keek naar zijn zuster met een gezicht vol tederheid. “Ik zou graag met jou een eindje gaan wandelen, Sybil. Ik denk niet dat ik ooit dit afschuwelijke Londen nog terug zal zien. En ik hoop het ook niet.”
   “Mijn zoon, zeg toch niet zulke verschrikkelijke dingen”, mompelde Mrs. Vane, terwijl ze een theaterkostuum nam en het met een zucht begon te verstellen. Ze was enigszins teleurgesteld dat hij zich niet aangesloten had bij de groep. Het zou de melodramatische schilderachtigheid ervan verhoogd hebben.
   “Waarom niet? Ik meen het.”
   “Je doet me verdriet, mijn jongen. Ik hoop dat je uit Australië zult terugkeren met een invloedrijke positie. Ik geloof dat er in de kolonies geen goed gezelschap is, tenminste niet wat ik goed gezelschap noem; wanneer je dus je fortuin gemaakt hebt, moet je terugkomen en naam maken in Londen.”
   “Naam maken!”, mompelde de jongen. “Daar geef ik niets om. Ik wil geld verdienen om u en Sybil van het toneel weg te halen. Want dat haat ik.”
   “Hè Jim!”, lachte Sybil. “Hoe lelijk van je. Maar wil je echt met mij gaan wandelen! Dat is prettig. Ik was bang dat je afscheid zou gaan nemen van je vrienden; Tom Hardy, die je die afschuwelijke pijp gaf, of Ned Langton, die je uitlacht omdat je eruit rookt. Het is heel lief van je om mij je laatste namiddag te willen geven. Waar zullen we heen gaan. Naar het Park?”
   “Ik zie er te slordig uit”, antwoordde hij met een een frons. “Alleen chique lui gaan naar het Park.”
   “Nonsens, Jim”, sprak ze zacht en streek over de mouw van zijn jas.
   Hij aarzelde even. “Nu goed dan”, zei hij tenslotte, “maar treuzel dan niet met kleden.” Ze danste de deur uit. Men hoorde haar zingen terwijl ze de trap opvloog. Haar kleine voetjes trippelden boven hen.
   Hij liep een paar keer door de kamers op en neer wendde zich toen naar de stille gestalte op de stoel. “Moeder is mijn koffer klaar?”, vroeg hij.
   “Alles is klaar, James”, antwoordde zij, met de ogen op haar werk gericht. Al enkele maanden voelde ze zich niet op haar gemak wanneer ze alleen was met haar ruwe, strenge zoon. Haar kleine, onoprechte natuur werd onrustig wanneer hun ogen elkaar ontmoetten. Ze vroeg zich dikwijls af of hij iets vermoedde. De stilte, want hij zei verder niets meer, werd onhoudbaar voor haar. Ze begon te klagen. Vrouwen verdedigen zich door aan te vallen, zoals ze ook kunnen aanvallen in een plotselinge vreemde opwelling. “Ik hoop, dat je tevreden zult zijn, James, met je leven op zee”, zei ze. “Denk erom dat je het zelf gekozen hebt. Je had op een notariskantoor kunnen gaan werken. Notarissen zijn zeer fatsoenlijke mensen en ze dineren bij de beste families.”
   “Ik haat kantoren en ik haat klerken”, antwoordde hij. “Maar u heeft gelijk. Ik heb mijn leven nu zelf gekozen. Alles wat ik te zeggen heb is: pas op Sybil! Laat haar niets overkomen, moeder. Pas op haar.”
   “James, wat praat je toch vreemd! Natuurlijk pas ik op Sybil.”
   “Ik hoor dat er een heer is die iedere avond naar het theater komt en achter de schermen gaat om met haar te spreken. Is dat zo? Wat betekent dat?”
   “Je spreekt over dingen waar je geen verstand van hebt, James. Wij actrices zijn het gewend veel attenties te krijgen. Ik kreeg in mijn tijd talloze boeketten. Dat was toen het toneel nog op prijs werd gesteld. Wat Sybil betreft: ik weet nu nog niet of ze het meent of niet. Maar de jonge man in kwestie is een echte heer. Hij is altijd heel beleefd tegen mij. Bovendien schijnt hij rijk te zijn en de bloemen die hij stuurt zijn prachtig.”
   “Maar u weet niet hoe hij heet”, zei de jongen hard.
   “Nee”, antwoordde zijn moeder rustig. “Hij heeft ons zijn naam nog niet gezegd. Dat is erg romantisch. Hij is waarschijnlijk iemand uit de aristocratie.”
   James Vane beet zich op de lippen. “Let op Sybil, moeder!”, riep hij, “pas op haar!”
   “Mijn jongen, wat wil je toch? Sybil is altijd onder mijn ogen. Maar wanneer die heer rijk is, is er geen reden waarom zij geen relatie met hem zou aanknopen. Ik geloof dat hij van adel is. Hij heeft er alle schijn van. Het zou een schitterend huwelijk zijn voor Sybil. Ze zouden een knap paar vormen. Hij ziet er buitengewoon goed uit; iedereen merkt hem op.”
   De jongen mompelde iets in zichzelf en trommelde met zijn brede vingers op de ruiten. Hij keerde zich net om en wou nog iets zeggen toen de deur openging en Sybil binnenstormde.
   “Wat zijn jullie ernstig!, riep zij. Wat is er?”
   “Niets”, antwoordde hij. “Een mens moet wel eens durven ernstig zijn. Dag, moeder. Ik zal om vijf uur eten. Alles is ingepakt, behalve mijn hemden; u hoeft dus niet ongerust te zijn.”
   “Dag, mijn kind”, antwoordde zij, met een koele statige buiging van haar hoofd.
   De toon, die hij tegen haar gebruikte, stoorde haar zeer, en er was iets in zijn blik dat haar een angstig gevoel gaf.
   “Geef mij een kus, moeder”, zei het meisje. Haar frisse lippen beroerden de verwelkte wangen en deden de vorst erop ontdooien.
   “Mijn kind, mijn kind!”, riep Mrs. Vane, naar het plafond opkijkend, als zocht zij een denkbeeldig publiek.
   “Kom Sybil!”, riep haar broer ongeduldig. Hij hield niet van die affectaties van zijn moeder.
   Ze gingen naar buiten in het flitsende zonlicht en liepen door de eentonige Euston Road. De voorbijgangers keken vol verwondering naar de plompe, zware jongen die in een grof pak naast zulk een bekoorlijk, mooi, lief meisje liep. Hij was als een tuinman die op wandel was met een roos.
   Jim fronste van tijd tot tijd zijn wenkbrauwen, wanneer hij de onderzoekende blik van een vreemde opving. Hij hield er niet van om aangestaard te worden, wat alle genieën overkomt laat in hun leven en nooit meer weggaat. Sybil was zich totaal onbewust van de indruk die ze maakte. Haar liefde trilde in een lach op haar lippen. Ze dacht aan haar prins en om nog beter aan hem te kunnen denken sprak ze niet meer over hem, maar praatte ze over het schip waarmee Jim zou afzeilen, over het goud dat hij natuurlijk zou vinden, over de rijke erfgename die hij zou redden uit de handen van woeste struikrovers met rode hemden. Want hij zou niet altijd matroos of bootsman of zo iets blijven. O nee. Het zeemansleven was verschrikkelijk. Beeld je maar eens in, opgesloten zitten in zo een akelig schip, waar de razende, gebochelde golven overheen slaan wanneer een zware storm de masten doet omwaaien en de zeilen aan flarden scheurt. Hij moest in Melbourne onmiddellijk het schip verlaten, afscheid nemen van de kapitein en naar de goudvelden gaan. Binnen een week zou hij een klomp zuiver goud vinden, zo groot als er nog nooit één gevonden was en hij zou die naar de kust brengen in een kar, bewaakt door zes politieagenten te paard. De struikrovers zouden hen wel drie keer aanvallen, maar ze werden telkens met grote verliezen teruggeslagen. Of nee, hij moest helemaal niet naar de goudvelden gaan; dat waren onaangename plaatsen waar de mannen dronken werden, elkaar in de herbergen doodschoten en verschrikkelijk vloekten. Hij moest maar schapenfokker worden en, op een avond naar huis rijdend, zou hij zien hoe een mooie erfdochter ontvoerd werd door een rover op een zwart paard; hij zou haar achterna gaan en haar redden. Natuurlijk werd zij verliefd op hem en hij op haar en ze zouden trouwen en naar Engeland terugkomen en in een prachtig huis in Londen wonen. Ja, er waren een heleboel prettige dingen voor hem weggelegd. Maar hij moest goed oppassen en niet driftig worden of zijn geld onnodig uitgeven. Ze was maar een jaar ouder dan hij, maar ze wist toch veel meer van het leven af. Hij moest haar ook brieven sturen en elke avond, voor hij ging slapen, zijn gebed zeggen. God was zo goed en zou dan zeker over hem waken. Zij ook zou voor hem bidden en over een paar jaar zou hij rijk en gelukkig terugkomen.
   De jongen luisterde somber en gaf geen antwoord. Hij voelde zich treurig omdat hij nu zo ver weg zou gaan.
   Toch was het niet alleen dat wat hem somber en melancholiek maakte. Onervaren als hij was, had hij toch een intens gevoel van gevaar bij Sybils situatie. Die jonge dandy, die haar zo het hof maakte, had zeker niet veel goeds in de zin. Hij was een heer en daarom haatte hij hem met een vreemd instinct, dat hij niet kon beredeneren en dat daarom des te sterker was. Hij kende ook de ijdelheid en oppervlakkigheid van zijn moeder, en zag daarin een groot gevaar voor Sybil's geluk. Kinderen beginnen met hun ouders lief te hebben; wanneer ze ouder worden gaan ze hen beoordelen; en soms vergeven zij hen.
   Zijn moeder! Hij had haar iets willen vragen, iets waarover hij al maanden in stilte had nagedacht. Een los gezegde, toevallig in het theater gehoord; een minachtend gefluister dat hj had opgevangen op een avond toen aan de artistendeur wachtte, hadden verschrikkelijke gedachten in hem losgemaakt. Hij herinnerde het zich nog altijd, alsof hij toen een zweepslag in zijn gezicht had gekregen. Diepe rimpels kwamen op zijn voorhoofd; hij beet op zijn lip met een trek van pijn.
   “Maar je luistert helemaal niet naar mij, Jim”, riep Sybil, “en ik maak dan nog wel allerlei plannen voor je toekomst. Zeg toch eens wat.”
   “Wat wil je dat ik zeg?”
   “O, dat je een brave jongen zal zijn en ons niet zal vergeten”, antwoordde zij lachend.
   Hij haalde zijn schouders op. “Er is meer kans, dat jij mij vergeet, dan ik jou, Sybil.”
   Ze kreeg een kleur. “Wat bedoel je daarmee, Jim?”, vroeg ze.
   “Je hebt een vreemde vriend, hoor ik. Wie is hij? Waarom heb je mij niet over hem gesproken? Hij heeft zeker niet veel goeds met je voor?”
   “Stil Jim!”, riep ze. “Je mag geen kwaad over hem zeggen, ik hou van hem.”
   “Zo, en je weet niet eens zijn naam”, antwoordde de jongen. “Wie is hij? Ik heb toch wel het recht om dat te weten.”
   “Hij is mijn toverprins. Vind je dat geen mooie naam? O, dwaze jongen, je moet die naam nooit vergeten. Indien je hem zag, zou je hem de mooiste van de wereld vinden. Je zult hem ooit ontmoeten, wanneer je uit Australië terugkomt. Je zult zeker veel van hem houden. Iedereen houdt van hem en ik... ik heb hem lief. Ik wou dat je vanavond naar het theater kon komen. Hij zal er vanavond zijn en ik zal Julia spelen. O, hoe zal ik haar spelen! Beeld je dat eens in, Jim, lief te hebben en dan Julia moeten spelen! Hem daar zien zitten. Voor hem acteren! Ik ben bang dat ik het publiek zal afstoten of meeslepen. Want liefhebben is zichzelf overtreffen. Arme, vreselijke Mr. Isaacs zal 'genie' roepen naar zijn leeglopers bij de bar. Hij heeft mij gepreekt als een dogma; vanavond zal hij mij aankondigen als een openbaring. Dat voel ik. En ik, ik ben van hem, van hem alleen, van mijn toverprins, mijn God, mijn alles! Maar ik ben arm! Arm? Wat maakt het uit? Komt armoede de deur binnen, dan vliegt de liefde eruit, zegt het spreekwoord. Maar toen dat uitgevonden werd was het zeker winter en nu is het zomer; voor mij is het lente, een hoogfeest van bloesems in blauwe luchten.”
   “Hij is een grote meneer”, zei de jongen somber.
   “Een prins”, riep zij met een stem die klonk als muziek. “Wat wil je meer?”
   “Hij wil van jou zijn slavin maken.”
   “Ik zou het vreselijk vinden om vrij te zijn.”
   “Ik zou willen dat voorzichtig bent met hem.”
   “Hem zien is hem aanbidden, hem kennen is hem vertrouwen.”
   “Sybil, je bent stapelgek op die man.”
   Zij lachte en nam zijn arm. “Goede oude Jim, je praat alsof je honderd jaar bent. Je zal zelf ook nog wel eens verliefd worden en dan zal je zelf ondervinden wat het is. Kijk nu niet zo somber! Je zou blij moeten zijn dat, nu je van mij weggaat, mij gelukkiger achterlaat dan ik nooit geweest ben. Tot nu toe is het leven alles behalve prettig en gemakkelijk voor ons geweest, maar het zal nu anders worden. Jij gaat naar een nieuwe wereld en ik heb er hier één gevonden. Kijk daar staan twee stoelen; laten we gaan zitten en naar de mooie mensen kijken.”
   Ze zetten zich neer tussen een menigte toeschouwers. De tulpenbedden aan de andere zijde van het pad vlamden als trillende ringen van vuur. Een witte stof, als een bevende wolk van stuifmeel, hing in de hijgende lucht. Heldere parasols dansten op en neer als grote koepels.
   Ze liet haar broer over hemzelf spreken, over zijn plannen, zijn verwachtingen. Ze spraken langzaam en met moeite. Ze wisselden woorden zoals spelers tijdens een spel fiches wisselen. Sybil voelde zich bedrukt. Ze kon haar genot niet delen. Een zwakke glimlach rond die mokkende mond was het enige wat ze als reactie kreeg. Na een poosje werd ze stil. Plots ving ze een glans op van gouden haar en lachende lippen; in een open rijtuig en in het gezelschap van twee dames, reed Dorian Gray voorbij.
   Zij sprong op. “Daar is hij!”, riep ze.
   “Wie?”, vroeg Jim Vane.
   “Mijn toverprins”, antwoordde ze, en keek de victoria na.
   Hij vloog op en greep haar ruw bij de arm. “Toon hem mij! Wie? Waar? Toon hem mij goed. Ik moet hem zien!”, riep hij uit. Maar op dat ogenblik kwam de four-in-hand van de Hertog van Berwick voorbij en toen die weg was, was het rijtuig al uit het park verdwenen.
   “Hij is weg”, zuchtte Sybil treurig. “Ik wou zo graag, dat je hem gezien had.”
   “Ik wou het ook, want zo waar als er een God is; als hij je ooit enig kwaad doet dan maak ik hem dood.”
   Ze keek angstig naar hem op. Hij herhaalde zijn woorden. Ze sneden door de lucht als messen. De mensen rondom hen begonnen hen aan te staren. Een dame, dicht naast haar, giechelde.
   “Kom mee, Jim, kom mee”, drong ze aan. Hij volgde haar nors terwijl ze zich door de menigte wurmden. Hij was blij om wat hij gezegd had.
   Toen ze het beeld van Achilles bereikt hadden, keek ze hem aan. Er was medelijden in haar ogen, die overging in een glimlach om haar lippen. Ze schudde haar hoofd. “Je bent dwaas, Jim, heel dwaas. Jij bent uit je humeur vandaag, dat is het. Hoe kan je nu zulke akelige dingen zeggen. Je weet niet eens waarover je spreekt. Je bent jaloers en helemaal niet lief. O, ik zou willen dat jij heel veel van iemand ging houden. Dat maakt je goed en wat je daarnet zei was slecht.”
   “Ik ben zestien jaar”, antwoordde hij, “en ik weet heel goed wat ik zeg en wat ik bedoel. Moeder is geen steun voor jou. Ze kan helemaal niet op jou passen. Ik wou dat ik nu niet naar Australië ging. Ik heb veel zin om de hele zaak af te blazen. En ik zou het ook doen indien mijn papieren niet getekend waren.”
   “O, doe toch niet zo akelig ernstig, Jim. Je lijkt wel op een held uit één van die draken die moeder zo graag speelt. Ik wil niet met je kibbelen. Ik heb hem gezien, en hem zien maakt mij zo gelukkig dat ik niet de minste zin heb om met jou te kibbelen. Beloof me nu dat je nooit kwaad zult doen aan iemand van wie ik hou.”
   “Niet zolang je van hem houdt”, was het onwillige antwoord.
   “O, en ik zal altijd van hem houden!”, riep ze uit.
   “En hij?”
   “Och, natuurlijk.”
   “Dat zou ik hem ook aanraden.”
   Ze schrok even. Toen lachte ze weer en stak haar hand door zijn arm. Hij was toch nog maar een jongen.
   Bij Marble Arch riepen ze een omnibus aan die hen vlak bij hun armoedig huisje in Euston Road afzette. Het was over vijven en Sybil moest nog een paar uur rusten vóór ze zou optreden; dat wilde Jim. Hij wilde ook liever afscheid van haar nemen zonder dat hun moeder er bij was. Ze zou natuurlijk weer een hele scène maken en daar had hij een vreselijke hekel aan.
   In Sybils eigen kamer namen ze afscheid. De jonge man voelde in zijn hart een jaloezie; een bittere, wrede haat tegen die vreemde, die, naar het hem scheen, tussen hen was gekomen. Maar toen haar armen om zijn hals lagen en haar vingers door zijn haar streelden, werd hij zachter gestemd; hij gaf haar een kus vol tederheid. Er waren tranen in zijn ogen toen hij naar beneden ging.
   Zijn moeder wachtte hem op. Ze deed lastig over zijn te laat komen toen hij binnentrad. Hij antwoordde niet maar zette zich aan tafel voor zijn sobere maaltijd. De vliegen vlogen rond en kropen over het gevlekte tafellaken. Tussen het rammelen van de omnibussen en het geratel van de cabs op straat, luisterde hij hoe die dreunerige stem iedere minuut die hij nog voor zich had wegzeurde.
   Een ogenblik later schoof hij zijn bord weg en verborg zijn gezicht achter zijn handen. Hij voelde dat hij recht had om het te weten. En was het zoals hij vreesde, dan had men hem het al vroeger moeten zeggen. Zijn moeder keek hem angstig aan. Woorden rolden werktuigelijk over haar lippen. Tussen haar vingers friemelde ze zenuwachtig aan een gescheurde kanten zakdoek. Toen de klok zes uur sloeg, stond hij op en ging naar de deur. Hij keerde zich om en keek haar aan. Hun ogen ontmoetten elkaar. Hij las in de hare een wanhopig verlangen naar genade. Het maakte hem gek.
   “Moeder, ik moet u wat vragen”, zei hij. Haar ogen dwaalden vaag door de kamer. Ze gaf geen antwoord. “Zeg mij de waarheid. Ik heb het recht het te weten. Was u getrouwd met mijn vader?”
   Ze zuchtte diep. Het was een zucht van verlichting. Het vreselijke ogenblik, het ogenblik dat ze dag en nacht, weken en maanden gevreesd had, was uiteindelijk aangebroken en toch voelde ze geen angst. In zeker opzicht viel het haar zelfs wat tegen. De botte kortheid van de vraag verlangde ook een kort antwoord. Hij was niet geleidelijk tot die vraag gekomen. Zo was het te ruw. Het deed haar denken aan een slechte repetitie.
   “Nee”, antwoordde ze, verwonderd over de eenvoud in het leven.
   “Dan was mijn vader een ellendeling!”, riep de jongen uit met gebalde vuisten.
   Ze schudde haar hoofd. “Ik wist, dat hij niet vrij was. We hielden veel van elkaar. Indien hij was blijven leven zou hij zeker voor ons gezorgd hebben. Spreek geen kwaad over hem, mijn jongen. Hij was toch je vader en een fatsoenlijk man. Hij was ook van goede familie.”
   Een vloek kwam over zijn lippen. “Voor mijzelf maakt het niets uit”, riep hij, “maar voor Sybil! Het is een heer, nietwaar, die op haar verliefd is, of ten minste doet alsof? En waarschijnlijk ook van goede familie?”
   Een ogenblik kwam er een afschuwelijk gevoel van vernedering over de arme vrouw. Ze boog het hoofd. Ze veegde over haar ogen met een bevende hand. “Sybil heeft een moeder”, fluisterde ze; “die had ik niet.”
   De jongen was getroffen. Hij ging naar haar toe en boog zich voorover om haar te kussen. “Het spijt me dat ik u verdriet heb gedaan door te vragen naar mijn vader”, zei hij, “maar ik kon het niet helpen. En nu moet ik weg. Dag moeder. Vergeet niet dat u nu maar één kind hebt om voor te zorgen, en geloof me, als die kerel mijn zuster ooit kwaad doet, ga ik achter hem aan en vermoord hem als een hond. Dat zweer ik.”
   De overdreven dwaasheid van die bedreiging, de hartstochtelijke beweging die hij er bij maakte, de opgewonden melodramatische woorden schenen voor haar meer werkelijkheid te hebben dan het leven zelf. Ze voelde zich thuis in die atmosfeer. Ze ademde vrijer en voor het eerst in lange tijd bewonderde ze haar zoon. Ze had graag deze scène op dezelfde wijze voortgezet, maar hij maakte er een eind aan. Koffers moesten naar beneden gebracht worden en jassen en dassen bij elkaar gezocht. Het hulpje van het logies liep telkens in en uit. Daarna volgde het onderhandelen met de koetsier. Het ogenblik ging verloren in alledaagse kleinigheden. En het was met een nieuw gevoel van teleurstelling dat zij met haar versleten kanten zakdoek voor het raam stond te wuiven terwijl haar zoon wegreed. Ze was er zich van bewust dat een prachtige gelegenheid was voorbijgegaan. Ze troostte zich echter door Sybil te vertellen hoe eenzaam het leven nu voor haar zou zijn, nu ze nog maar één kind had om voor te zorgen. Ze had die zin goed onthouden. Hij klonk goed. Over de bedreiging zei ze niets. Ze was met vuur en met dramatische kracht voorgedragen, maar ze vreesde dat erom gelachen zou worden.



6 Hoofdstuk 6


  

“Je hebt zeker het nieuws al gehoord, Basil?”, zei Lord Henry die avond, toen Hallward binnen kwam in de Bristol, waar een tafel voor drie gedekt stond.
   “Nee Harry”, antwoordde de schilder, terwijl hij hoed en jas aan de knecht gaf die voor hem boog. “Wat is het? Toch niets in de politiek, hoop ik? Dat interesseert me helemaal niet. Er is nauwelijks een enkele persoon in het Lagerhuis het waard om te schilderen, hoewel velen van hen wel wat witwassen kunnen gebruiken. ”
   “Dorian Gray heeft zich verloofd en gaat trouwen”, zei Lord Henry, hem ondertussen aankijkend.
   Hallward schrok op en fronste zijn wenkbrauwen. “Dorian trouwen”, riep hij. “Onmogelijk!”
   “En toch is het waar.”
   “Met wie?”
   “Met één of andere jonge actrice.”
   “Ik kan het niet geloven. Dorian is daarvoor veel te verstandig.”
   “Dorian is veel te verstandig om niet af en toe iets buitenissigs te doen, mijn beste Basil.”
   “Een huwelijk is toch niet iets dat je af en toe eens doet, Harry.”
   “Wel in Amerika”, riposteerde Lord Henry. “Maar ik heb niet gezegd dat hij al getrouwd is. Ik heb gezegd dat hij verloofd is. Dat is een groot verschil. Ik heb een vage herinnering aan mijn huwelijk, maar van mijn verloving weet ik niets meer. Ik denk eigenlijk dat ik nooit verloofd ben geweest.”
   “Ja maar, bedenk toch eens: Dorian, met zijn naam, zijn positie, en zijn geld. Het zou toch belachelijk zijn indien hij zich zo mesallieerde.”
   “Als je wilt dat hij daadwerkelijk met dat meisje trouwt, dan moet je dit ook zeker tegen hem zeggen. Dan zal hij het zeker doen. Elke keer wanneer een mens iets stom doet heeft hij er de edelste bedoelingen mee.”
   “Ik hoop tenminste dat het een fatsoenlijk meisje is. Ik zou het verschrikkelijk vinden Dorian gebonden te zien aan een gemeen schepsel dat hem fysiek en moreel zou bederven.”
   “O, ze is beter dan fatsoenlijk”, mompelde Lord Henry en nam een slokje van zijn glas vermouth met oranjebitter. “Dorian zegt, dat ze geweldig mooi is, en op dat punt is zijn oordeel nogal te vertrouwen. Zijn portret heeft zijn smaak voor uiterlijk schoon wel ontwikkeld. Dat is trouwens één van de vele goede uitwerkingen die het gehad heeft. We zullen haar vanavond zien, indien die jongen tenminste zijn afspraak niet vergeet.”
   “Meen je dat serieus?”
   “Heel serieus, Basil. Ik zou het een ellendig vooruitzicht vinden indien ik ooit nog ernstiger zou moeten zijn dan nu.”
   “Maar keur jij het goed Harry?”, vroeg de schilder terwijl hij door de kamer op en neer liep en op zijn lip beet. “Je kunt het toch onmogelijk goedkeuren. Het is een dolle verliefdheid.”
   “Ik keur nooit iets goed of af. Dat is een absurde manier om tegen het leven aan te kijken. We zijn niet op deze wereld om onze morele vooroordelen te luchten. Ik luister nooit naar wat banale mensen vertellen en ik bemoei me nooit met wat interessante mensen doen. Als iemand mij aantrekt is iedere uiting van die persoonlijkheid mij even lief. Dorian Gray wordt verliefd op een mooie meid, die voor Julia speelt en hij wil met haar trouwen. Wel waarom niet? Al trouwde hij met Messalina in eigen persoon hij zou daarom niet minder interessant blijven. Je weet heel goed dat ik geen voorstander van het huwelijk ben. Een nadeel van het huwelijk is dat het egoïsme in een mens gedood wordt. Mensen zonder zelfzucht zijn kleurloos. Ze missen individualiteit. En toch zijn er enkele temperamenten die door het huwelijk nog ingewikkelder worden. Ze behouden hun egoïsme en krijgen er nog verschillende andere ego's erbij. Ze zijn gedwongen meer dan één leven te hebben. Ze worden beter georganiseerd, en beter georganizeerd te zijn is, dunkt me, het doel van het leven. Bovendien heeft iedere ondervinding zijn waarde, en wat je ook tegen het huwelijk zeggen kan, het is in ieder geval altijd een ervaring. Ik hoop dat Dorian Gray met dat kind zal trouwen, haar zes maanden op de handen zal dragen en dan ineens op een ander zal verliefd worden. Het zou een prachtige studie zijn.”
   “Je meent geen woord van wat je zegt, Harry, geen woord. Als het met Dorian Gray slecht afliep, zou het niemand meer verdriet doen dan jou. Je bent beter dan je je voordoet.”
   Lord Henry lachte. “De reden waarom wij zo graag goed denken van onze vrienden is omdat we allemaal doodsbang zijn voor onszelf. De basis van optimisme is pure angst. We denken dat we heel edel zijn omdat wij anderen kwaliteiten toeschrijven waar wij voordeel uit kunnen halen. We prijzen een bankier in de hoop dat we een hogere wissel op hem te kunnen nemen en we zien goede kwaliteiten in een struikrover in de hoop, dat hij onze beurs zal sparen. Ik meen ieder woord dat ik gezegd heb. Ik heb de grootste minachting voor optimisme. Wat een verspild leven betreft, geen enkel leven is verspild behalve het leven waarvan de groei is gestopt. Als je een natuur wilt ontsieren, hoef je haar alleen maar te hervormen. En wat dat huwelijk betreft, het zou natuurlijk een misstap zijn maar er zijn nog andere verhoudingen tussen een man en een vrouw. En die zal ik zeker aanmoedigen. Ze hebben de charme om modieus te zijn. Maar hier is Dorian zelf. Hij kan je er meer van vertellen dan ik.”
   “Harry, Basil, jullie mogen me feliciteren!”, riep de jongen, terwijl hij zijn ulster afwierp en zijn vrienden beurtelings de hand schudde. “Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest. Het is wel nogal onverwachts gebeurd, maar alle genotvolle dingen komen onverwachts. En toch is het alsof ik er mijn hele leven naar heb uitgekeken!” Hij had een kleur van opwinding en genoegen en was mooier dan ooit.
   “Ik hoop dat je altijd gelukkig zal zijn, Dorian”, zei Hallward, “maar ik vergeef je maar half dat je mij niets over je verloving hebt laten weten. Tegen Harry heb je wel verteld.”
   “En ik vergeef je niet dat je te laat bent voor het diner”, viel Lord Henry in en legde hem met een glimlach de hand op de schouder. “Kom, laten we gaan zitten en zien hoe goed de nieuwe 'chef' hier is; ondertussen kan jij vertellen hoe alles gebeurd is.”
   “O, er valt niet veel te vertellen”, riep Dorian uit toen zij om de kleine ronde tafel gingen zitten. “Het ging heel eenvoudig. Toen ik gisteravond van je weg ging, Harry, kleedde ik mij, dineerde in dat kleine Italiaanse restaurant in Ruperstreet waar je me geïntroduceerd hebt en ging om acht uur naar het theater. Sybil speelde Roselind. Het decor was natuurlijk afschuwelijk en Orlando bespottelijk. Maar Sybil! Je had haar moeten zien toen zij opkwam in haar jongenspakje! Ze was om te stelen. Ze droeg een groenachtig fluwelen buisje met havanna mouwen, een donker bruin nauw broekje, en een koket groen mutsje met daarop een haviksveer met een juweel, en een kleine mantel, gevoerd met dof rood. Ik heb haar nog nooit zo mooi gezien. Ze had die fijne gratie van dat Tanagra beeldje in je atelier, Basil! Het haar krulde om haar gezichtje als donkere bladeren rond een bleke roos. En haar bewegingen... maar dat zal je vanavond zelf zien. Zij is een geboren artiste. Ik zat als betoverd in die smerige loge. Ik vergat, dat ik in Londen, in de negentiende eeuw was. Ik was weg met mijn liefde, in een woud dat niemand ooit gezien had. Zodra de voorstelling afgelopen was ging ik achter de coulissen en sprak met haar. En toen wij daar zo samen zaten kwam er iets in haar ogen, iets wat ik er vroeger nooit in gezien heb. Mijn lippen bogen zich naar de hare. We kusten elkaar. Ik kan je niet zeggen wat ik op dat moment voelde. Het was alsof mijn hele leven zich concentreerde in die ene stip van rooskleurig geluk. Zij beefde en trilde als een witte narcis. Toen gooide ze zich op haar knieën en kuste mijn handen. O! ik voel, dat ik dit alles niet mag vertellen, maar ik kan niet anders. Onze verloving is tot hiertoe natuurlijk nog een diep geheim. Ze heeft er zelfs tegen haar moeder niets van verteld. Ik ben benieuwd wat mijn voogden ervan zullen zeggen. Lord Radley zal natuurlijk razend zijn. Het kan mij niets schelen. Ik word dit jaar meerderjarig en dan kan ik doen wat ik wil. Heb ik geen gelijk gehad, Basil, mijn liefde te putten uit de poëzie en mijn vrouw te vinden in de drama's van Shakespeare! Lippen die Shakespeare geleerd heeft om te spreken hebben hun geheim in mijn oor gefluisterd. Rosalind sloeg haar armen om mij heen en Julia kuste ik op de mond.”
   “Ja Dorian, ik geloof, dat je er goed aan deed!”, antwoordde Hallward langzaam.
   “Heb je haar vandaag nog gezien?”, vroeg Lord Henry.
   Dorian Gray schudde het hoofd. “Ik nam afscheid van haar in het bos van Arden en ik zal haar terug vinden in de tuinen van Verona.”
   Lord Henry dronk peinzend van zijn champagne. “Op welk gewichtig moment heb jij het eerst over een huwelijk gesproken, Dorian? En wat antwoordde zij daarop? Of ben je alles weer vergeten?”
   “Maar Harry, het is geen handelsovereenkomst en ik heb het haar ook niet formeel gevraagd. Ik zei haar dat ik van haar hield en zij antwoordde dat ze niet goed genoeg was om mijn vrouw te worden. Niet goed genoeg! In vergelijking met haar is de hele wereld niets voor mij.”
   “Vrouwen zijn toch verbazend praktisch”, mompelde Lord Henry, “veel praktischer dan wij. Bij zulke gelegenheden vergeten wij meestal te spreken over een huwelijk maar zij herinneren er ons altijd aan.”
   Hallward legde zijn hand op zijn arm. “Spreek zo niet, Harry. Je doet Dorian verdriet. Hij is niet als andere mannen. Hij zou niemand ooit ongelukkig maken. Daar is hij te goed voor.”
   Lord Henry keek over de tafel. “Ik doe Dorian geen verdriet”, antwoordde hij. “Ik vroeg iets en het enige wat ik als excuus kan aanvoeren is dat ik het vroeg uit nieuwsgierigheid. Het is mijn theorie dat het de vrouwen zijn die ons, mannen, vragen; maar wij vragen nooit de vrouwen. Behalve bij de burgerlijke stand natuurlijk. Maar de burgerlijke stand is dan ook niet modern.”
   Dorian Gray lachte en schudde het hoofd. “Je bent onverbeterlijk Harry, maar het kan mij niet schelen. Het is onmogelijk boos op jou te zijn. Wanneer je Sybil Vane ziet zal je zelf voelen dat de man die haar ongelukkig kan maken een ellendeling moet zijn, een ellendeling zonder hart. Ik kan niet begrijpen hoe je iemand, die je lief is, verdriet kan doen. Ik hou van Sybil Vane en ik zal haar op een gouden verhoog zetten en de hele wereld zal de vrouw aanbidden, die de mijne is. Wat is het huwelijk? Een onverbreekbare belofte. Daarom spot je ermee. O, lach niet. Het is net datgene wat ik doen wil. Haar vertrouwen, haar geloof in mij, maakt mij goed. Wanneer ik bij haar ben ondervind ik hinder van alles wat jij me geleerd hebt. Ik word heel anders dan de Dorian die je tot nu toe hebt gezien. Ik onderga een totale metamorfose en de loutere aanraking van haar hand doet mij al je slechte, betoverende, giftige en toch heerlijke theorieën vergeten.”
   “En die zijn?”, vroeg Lord Henry, terwijl hij een kleine portie sla op zijn bord legde.
   “O! je theorieën over het leven, je theorieën over de liefde, je theorieën over genot. Kortom, al je theorieën Harry!”
   “Genot: dat is het enige wat een theorie waard is”, antwoordde hij met zijn zachte stem, vol muziek. “Maar ik mag niet beweren, dat die theorie van mij is. Het is een theorie van de natuur zelf. Genot is de toetssteen van de natuur, haar teken van goedkeuring. Wanneer we ons gelukkig voelen zijn we altijd goed, maar wanneer we goed zijn voelen we ons niet altijd gelukkig.”
   “Maar wat versta je onder goed?” riep Basil Hallward.
   “Ja”, herhaalde Dorian, zich in zijn stoel achterover werpend en Lord Henry aankijkend over de zware trossen van purperkleurige irissen die midden op de tafel stonden “Wat versta je onder goed, Harry?”
   “In harmonie zijn met jezelf”, hernam hij, de fijne steel van zijn glas even aanroerend met zijn witte, spitse vingers. “Het wordt een kakafonie wanneer je gedwongen wordt in harmonie te leven met een ander. Je eigen individuele leven is het belangrijkste. Wat het leven van iemands buren betreft, als men een varken of een puritein wenst te zijn, kan men met zijn morele opvattingen over hen pronken, maar ze zijn niemands zorg. Daarnaast is het individualisme werkelijk het hogere doel. De moderne moraal bestaat uit het accepteren van de standaard van de tijd. Ik beschouw het accepteren van de standaard van de tijd door elke willekeurige persoon of cultuur een vorm van de grootste immoraliteit.”
   “Maar wanneer je voor niemand anders leeft dan voor je eigen ik, Harry, dan moet je die harmonie toch wel heel duur betalen”, wierp de schilder tegen.
   “Ja, tegenwoordig is alles duur. En de tragedie van de armen is dan ook dat zij zich niets kunnen permitteren, behalve de ontzegging zelf. Mooie zonden zijn, net als alle mooe dingen, het privé bezit van de rijken.”
   “Je betaalt die dingen niet alleen met geld.”
   “Waarmee dan, Basil?”
   “Nu, ik zou denken met berouw, met verdriet en... met het besef dat je hoe langer hoe lager zinkt.”
   Lord Henry haalde zijn schouders op. “Hoor eens kerel, middeleeuwse kunst is charmant, maar middeleeuwse ideeën zijn helemaal verouderd. In fictie kan je ze natuurlijk altijd gebruiken. Maar de enige dingen die je ook in fictie kan gebruiken zijn net die welke je niet meer als feiten beschouwt. Geloof me, geen enkel beschaafd mens heeft ooit berouw van genot, en een ongecivilizeerd mens weet niet wat genot is.”
   “Ik weet wat plezier is”, riep Dorian. “Iemand aanbidden!”
   “Het is zeker beter dan aanbeden te worden”, antwoordde hij en speelde met een paar vruchten. “Want dat is altijd een vervelend iets. Vrouwen behandelen ons precies zoals de mensheid haar goden. Ze aanbidden ons maar hebben altijd iets dat ze van ons verlangen.”
   “Ik zou zeggen dat, wat ze ons ook mogen vragen, zij het ons toch altijd eerst gegeven hebben”, murmelde de jongen ernstig. “Zij scheppen liefde in ons; ze hebben dus ook het recht die terug te vragen.”
   “Volkomen waar, Dorian!”, riep Hallward.
   “Niets is ooit volkomen waar”, zei Lord Henry.
   “Dit wel”, viel Dorian in. “Je zult moeten toegeven, Harry, dat een vrouw het goud van haar leven aan haar man schenkt!”
   “Mogelijk”, zuchtte hij, “maar ze willen het wel altijd in kleingeld terug hebben. Dat is nu net het vervelende. Een geestige Fransman heeft eens gezegd: vrouwen inspireren tot meesterwerken, maar verhinderen de uitvoering ervan.”
   “Harry, je bent onuitstaanbaar. Ik begrijp eigenlijk niet waarom ik van je hou.”
   “Je zult altijd van me blijven houden, Dorian”, antwoordde hij. “Willen jullie koffie drinken? Breng koffie, fine-champagne en sigaretten. Of nee, geen sigaretten, ik heb er zelf wel. Basil, je moet echt geen sigaren roken, neem nu een sigaret. Een sigaret is het volmaaktste type van een volmaakt genot. Het is iets exquis en het laat je onbevredigd achter. Wat wil je nog meer? Ja, Dorian, je zal altijd van mij blijven houden. Ik ben voor jou de verpersoonlijking van alle zonden die je nooit hebt durven begaan.”
   “Wat een nonsens, Harry”, riep de jongen en stak zijn sigaret aan met een zilveren vuurspuwend draakje dat de knecht op tafel had gezet. “Maar laat ons nu gaan. Wanneer Sybil opkomt zal je een nieuw levensideaal hebben. Je zal iets in haar zien wat voor jou geheel nieuw en onbekend is.”
   “Ik geloof niet dat er voor mij nog iets onbekend is”, zei Lord Harry, met een vermoeide uitdrukking in zijn ogen, “maar ik ben altijd te vinden voor een nieuwe emotie. Hoewel ik niet geloof dat er nog zo iets voor mij is weggelegd. Maar je mooie vriendinnetje kan mij misschien interesseren. Ik kijk graag naar goed acteerwek. Dat is veel reëler dan het echte leven. Kom, laat ons nu gaan. Dorian, ga jij met mij mee. Het spijt me, Basil, maar ik heb maar twee plaatsen in mijn brougham. Volg jij ons in een cab.”
   Ze stonden recht, deden hun overjassen aan en dronken de koffie staande uit. De schilder was stil en zichtbaar afgepeigerd. Er hing een nevel over hem. Dit huwelijk deed hem pijn en toch scheen het hem dat er iets nog veel erger had kunnen gebeuren. Na enkele minuten daalden ze de trap af. Hij reed alleen, zoals afgesproken was, en staarde naar de flikkerende lichten van het rijtuig voor hem. Een vreemd gevoel, als had hij iets verloren, kwam over hem. Hij voelde dat Dorian Gray voor hem nooit meer zou zijn wat hij vroeger geweest was. Het leven had zich tussen hen in gewurmd. Zijn ogen vielen dicht en de drukke, verlichte straten deemsterden weg. Toen de cab stilhield voor het gebouw was het of hij jaren ouder was geworden.



7 Hoofdstuk 7


  

Toevallig zat het theater die avond erg vol en de dikke Joodse directeur, die hen bij de deur ontving, glom van genoegen, met een vettige brede glimlach. Hij begeleidde hen naar hun loge met een pompeuze nederigheid, gesticuleerde met zijn dikke handen vol ringen en sprak veel, met een hoge schelle stem. Dorian Gray verafschuwde hem meer dan ooit. Het scheen hem toe of hij Miranda zocht, en Caliban ontmoette. Lord Henry mocht hem integendeel wel. Tenminste dat beweerde hij; hij gaf hem ook een hand en verzekerde hem dat hij blij was iemand te ontmoeten die een genie had ontdekt en bankroet ging door een dichter. Hallward vermaakte zich met de gezichten op de parterre te bestuderen. De hitte was er benauwend en de lichtkroon vlamde als een reusachtige dahlia met meeldraden van geel vuur. De mannen in de galerij hadden hun jassen en vesten uitgetrokken en over de afsluiting gehangen. Ze schreeuwden elkaar over en weer van alles toe, deelden hun sinaasappelen met de vulgair opgedirkte meisjes naast hen. Een paar vrouwen gilden en lachten. Hun stemmen klonken ruw en schel. Geluiden van ontkurkende flessen kwamen van het buffet.
   “Welk een plaats om een godheid te vinden!”, zei Lord Henry.
   “Ja”, antwoordde Dorian Gray. “Hier vond ik haar en zij is een godinnetje. Wanneer ze acteert vergeet je alles om je heen. Dit vulgaire publiek met zijn grove gezichten en gemene gebaren verandert wanneer zij op het toneel komt. Ze zitten als gemagnetiseerd naar haar te kijken. Zij laat ze huilen of lachen, zij bespeelt ze als een viool. Zij spiritualiseert hen, en dan voel je dat ze toch eigenlijk van hetzelfde vlees en bloed zijn als jijzelf.”
   “Hetzelfde vlees en bloed! Dat hoop ik niet!”, riep Lord Henry uit terwijl hij door zijn binocle het publiek in de galerij bekeek.
   “Luister maar niet naar hem, Dorian”, zei de schilder. “Ik begrijp wat je bedoelt en ik geloof in dit kind. Iedereen van wie jij houdt moet buitengewoon zijn en een vrouw die kan doen wat jij over haar vertelt, is goed en edel. Je eigen eeuw spiratualiseren, dat is iets heel moois. Indien zij een ziel kan geven aan mensen die altijd zonder ziel leefden, indien zij het verlangen naar schoonheid kan opwekken in mensen die altijd lelijk en vuil geleefd hebben, indien zij hun egoïsme kan wegnemen en hen kan laten huilen om een verdriet dat niet van henzelf is, dan is zij je aanbidding waard, dan is zij de aanbidding van de hele wereld waard. Ik geloof dat je huwelijk uitstekend zal zijn. Dat vond ik eerst niet, maar dat geef ik nu toe. Sybil Vane is voor jou geschapen. Zonder haar zou je niet compleet zijn.”
   “Dank je, Basil”, antwoordde Dorian Gray hem de hand drukkend. “Ik wist dat jij me begrijpen zou. Harry is soms zo cynisch dat hij me bang maakt. Maar daar begint het orkest. Het is afschuwelijk, maar het duurt gelukkig niet langer dan vijf minuten. Daarna gaat het gordijn op en dan zal je de vrouw zien aan wie ik mijn leven zal geven, aan wie ik alles gegeven heb wat goed is in mij.”
   Na een kwartier kwam, onder een daverend applaus, Sybil Vane op. Ja, ze zag er zeker allerliefst uit, één van de mooiste schepseltjes die hij ooit gezien had, vond Lord Henry. Er was iets van een ree in haar schuwe bevalligheid en in haar grote, verschrikte ogen. Een lichte blos, als de schim van een roos in een zilveren spiegel, kwam op haar wangen toen zij even rondkeek in de volle, enthousiaste zaal. Ze ging een paar passen achteruit en haar lippen schenen te beven. Basil Hallward sprong op en applaudisseerde. Onbeweeglijk, als in een droom, zat Dorian Gray daar en staarde haar aan. Lord Henry tuurde door zijn binocle en murmelde: “Allerliefst! Allerliefst!”
   Het decor stelde een zaal voor in Capulets huis en Romeo, in pelgrimsgewaad, was binnengekomen met Mercutio en zijn andere vrienden. Het zogenaamde orkest speelde een paar noten en het bal begon. Sybil Vane bewoog zich tussen die groep lelijke, slecht geklede acteurs als een schepsel uit een andere wereld. Terwijl zij danste dreef haar figuurtje op de muziek als een bloem op het water. De tedere buigingen van haar hals waren als de rondingen van een blanke lelie. Haar handen leken te zijn gemaakt van koud ivoor.
   En toch was ze zeer mat. Ze toonde geen vreugde, toen haar ogen Romeo zagen. De enkele woorden die ze te spreken had:

   O, goede pelgrim, smaad uw hand niet langer.
   Welpassend eerbetoon bewijst ge aldus;
   Een heilge gunt zijn hand de bedevaarder.
   Een hand in hand is vrome pelgrimskus;

de korte dialoog die volgde, werd zeer gekunsteld gezegd. De stem zelf was als muziek, maar de toon was vals. De kleur ervan was slecht. Die nam al het leven uit de poëzie weg. Die maakte de passie onwaar.    Dorian Gray verbleekte toen hij haar zo zag. Hij begreep haar niet en werd bang. Geen van beide vrienden durfde iets zeggen. Ze kwam zeer incompetent op hen over. Ze waren zeer teleurgesteld.
   Maar ze vonden dat een Julia beoordeeld moest worden op de balkonscène in het tweede bedrijf. Dat was hun laatste hoop. Mislukte zij daarin, dan betekende ze helemaal niets.
   Ze zag er allerbekoorlijkst uit toen zij in de maneschijn naar buiten trad. Dat moest gezegd worden. Maar het toneelmatige van haar bewegingen was onverdragelijk en werd hoe langer hoe erger. Haar gebaren werden bespottelijk. Ze legde een overdreven nadruk op alles wat ze te zeggen had. Die mooie passage:

   Ge weet, de nacht omsluiert mijn gelaat.
   Mijn wang bleke anders door een blos geverfd
   Om wat deez' nacht u daar verraden heeft,

   werd opgezegd met de pijnlijke juistheid van een schoolkind, alsof het er ingepompt was door een leraar in de voordrachtskunst. Toen ze over het balkon leunde en kwam aan de exquise regels:

   'k begroet u blij, maar niet
   Dat wisselen van geloften in deez' nacht.
   Dat is te snel, te plotseling, te onberaden,
   Te zeer als 't weerlicht dat verdwijnt nog eer
   Men zegt: het licht!
   Vaarwel!
   Deez' liefdeknop, door 's zomers adem gekoesterd, is misschien
   Een schone bloem bij 't volgend wederzien

   sprak zij de woorden alsof ze geen betekenis voor haar hadden. Het was geen zenuwachtigheid. Integendeel, ze was geheel zichzelf. Het was eenvoudigweg slechte kunst. Ze was totaal fout.
   Zelfs het ruwe, onontwikkelde publiek op de parterre en in de galerij verloren hun belangstelling. Ze werden onrustig en begonnen luid te spreken en te fluiten. De Joodse directeur stond vloekend en stampvoetend achteraan in een loge. De enige die kalm bleef was het meisje zelf.
   Na het tweede bedrijf kwam er een storm van gesis en Lord Henry stond op en deed zijn overjas aan. “Ze is prachtig, Dorian”, zei hij, “maar ze kan niet acteren. Kom, laat ons weggaan.”
   “Nee, ik blijf tot het einde”, antwoordde de jongen, met een harde, bittere klank in zijn stem. “Het spijt me dat ik je een avond heb doen verliezen, Harry. Ik bied jullie beiden mijn excuses aan.”
   “Beste jongen, ik geloof dat Miss Vane zich niet goed voelt”, viel Hallward in. “We zullen op een andere avond terugkomen.”
   “Ik wou dat het waar was dat zij ziek is”, antwoordde hij. “Maar ik geloof, dat ze eenvoudigweg kil en ongevoelig is. Ze is veranderd als een blad aan een boom. Gisteravond was zij een grote kunstenares. Vanavond is zij niets meer dan een heel gewone, heel middelmatige actrice.”
   “Spreek zo niet over iemand van wie je houdt, Dorian. Liefde is hoger dan kunst.”
   “Beide zijn imitaties”, merkte Lord Henry op. “Maar laat ons nu gaan, Dorian. Blijf nu niet langer hier. Het is niet goed voor je moreel om een slechte voorstelling aan te zien. Bovendien denk ik, dat je je vrouw toch niet zult laten acteren. Wat kan het je dan schelen of ze Julia speelt als een houten pop. Ze ziet er allerliefst uit en als ze van het leven even weinig afweet als van acteren, is zij een charmant tijdverdrijf. Er zijn maar twee soorten mensen die werkelijk interessant zijn: mensen die alles weten en mensen die helemaal niets weten. Goede hemel, kerel, kijk toch niet zo tragisch! Het geheim om jong te blijven is nooit een emotie hebben die je niet goed staat. Ga met ons mee naar de club. We zullen wat sigaretten roken en op de charmes van Sybil Vane drinken. Ze is prachtig. Wat wil je nog meer?”
   “Ga weg, Harry”, riep de jongen uit. “Ik wil alleen zijn. Basil, jij moet ook weg. O, zien jullie dan niet dat mijn hart breekt?” Tranen kwamen in zijn ogen, zijn lippen beefden. Hij haastte zich naar de achterkant van de loge en tegen de muur leunend, verborg hij zijn gezicht in zijn handen.
   “Kom mee, Basil”, zei Lord Henry met een vreemde tederheid in zijn stem en ze gingen samen weg.
   Na een ogenblik vlamde het voetlicht weer op voor de derde akte. Dorian ging terug naar zijn plaats. Hij zag er bleek, trots en onverschillig uit. Het stuk sleepte zich voort en scheen eindeloos te duren. De helft van het publiek ging weg, lachend en stampend met de zware schoenen. Det hele voorstelling was een fiasco. De laatste akte werd voor een bijna lege zaal gespeeld. Het gordijn viel neer onder gegiechel en hier en daar een zucht.
   Zodra het gedaan was vloog Dorian Gray achter de coulissen naar de foyer. Het meisje stond daar alleen, met een glans van voldoening op haar gezichtje. Haar ogen schitterden met een uirzonderlijk vuur. Er scheen een triomfantelijke gloed om haar heen te stralen. Haar halfgeopende lippen glimlachten om een geheim dat zij alleen kenden.
   Toen hij binnenkwam, keek ze hem aan en een uitdrukking van onzegbaar geluk kwam over haar wezen. “Wat heb ik vanavond slecht gespeeld, Dorian!”, jubelde ze.
   “Afschuwelijk!”, antwoordde hij, haar vol verbazing aankijkend. “Afschuwelijk! Het was verschrikkelijk! Ben je ziek? Je weet niet hoe verschrikkelijk het geweest is. Je hebt er geen idee van hoe ik geleden heb.”
   Ze glimlachte. “Dorian”, antwoordde ze en streelde zijn naam met een lange muzikale toon, als was die naam zoeter dan honing voor de purperen meeldraden van haar lippen. “Dorian, je had het toch kunnen begrijpen. Maar nu, nu begrijp je het toch, nietwaar?”
   “Wat begrijpen?”, vroeg hij boos.
   “Waarom ik zo slecht was. Waarom ik altijd zo slecht zal zijn. Waarom ik nooit meer goed zal spelen.”
   Hij haalde zijn schouders op. “Ach, je bent ziek. En wanneer je ziek bent, moet je niet spelen. Je maakt jezelf belachelijk. Mijn vrienden hadden er genoeg van. En ik had er ook genoeg van.”
   Ze scheen hem niet te horen. Ze stond daar als verheerlijkt; een aureool van geluk omstraalde haar.
   “Dorian, Dorian”, riep ze, “voor ik jou kende was mijn spel voor mij het enige echte in het leven. Ik leefde pas echt wanneer ik acteerde. Ik dacht dat alles waar was. Ik was de ene keer Rosalind en de volgende keer Portia. Ik was gelukkig in Rosalind, ik leed in Cordelia. Ik geloofde in alles. Die slechte acteurs rondom mij leken goden te zijn. De geschilderde decors waren mijn wereld. Ik kende alleen maar schimmen en ik dacht dat zij het leven waren. Toen kwam jij, o, mijn heerlijke lieveling! en je maakte mijn ziel los uit haar gevangenis. Jij leerde mij wat waar is. Ik voelde vanavond voor het eerst hoe leeg, hoe hol, hoe nutteloos alles was in de wereld waarin ik tot nu toe leefde. Voor het eerst viel het mij op dat Romeo lelijk, oud, en geverfd is, dat het maanlicht in de tuin vals is, dat het decor vulgair is en dat de woorden die ik moest zeggen, onwaar klonken, dat ze niet mijn woorden waren, dat ze niet uitdrukten wat ik wilde zeggen. Je hebt mij iets mooi, iets hoog gegeven iets waarbij elke kunst maar een flauwe afspiegeling is. Je hebt mij geleerd wat liefde echt is. Mijn lieveling! Mijn lieveling! Mijn toverprins, prins van mijn leven! O, ik ben nu zo moe van al die schimmen. Je bent voor mij meer dan alle kunst ooit kan betekenen. Wat heb ik te maken met de poppen van een toneelstuk? Toen ik daarnet opkwam begreep ik niet waarom alles zo ver van mij scheen te staan. Ik dacht juist nu goed te zullen spelen en ik merkte dat ik niets meer kon. Opeens werd het helder in mijn ziel en wist ik wat dat allemaal betekende. En die kennis was zalig. Ik hoorde de toeschouwers fluiten en ik lachte. Wat weten zij van een liefde als de onze. O! neem mij mee, Dorian, neem mij met je mee, ergens waar we helemaal alleen zijn. Ik heb een afkeer van dat toneel. Ik kon een passie imiteren die ik niet voelde, maar één die in mij brandt als een vuur die kan ik niet spelen. O! Dorian, Dorian, nu begrijp je het, nietwaar? Zelfs als ik het kon, zou het heiligschennis voor mij zijn indien ik op de planken deed alsof ik liefhad. Zie je, dat heb je mij geleerd.”
   Hij wierp zich op een bank en keerde zijn gezicht af. “Je hebt mijn liefde vermoord!”, steunde hij.
   Zij keek hem verwonderd aan en lachte. Hij gaf geen antwoord. Ze kwam bij hem en streelde zijn haar met haar dunne vingers. Ze knielde neer en drukte zijn handen tegen haar lippen. Hij trok ze terug en een rilling liep over hem.
   Toen vloog hij op en liep naar de deur. “Ja”, riep hij haar toe, “je hebt mijn liefde vermoord. Vroeger streelde je mijn verbeelding, nu wek je niet eens nieuwsgierigheid in mij op. Je maakt geen indruk meer op mij. Ik had je lief, omdat je mooi was, omdat je talent en ontwikkeling bezat, omdat je de dromen van grote dichters tot werkelijkheid maakte, omdat je leven en kleur gaf aan de schaduwen van de kunst. Dat alles heb je nu weggegooid. Je bent klein en dom. Mijn God, ik was gek om zoveel van je te houden! Ik was dwaas! Je bent nu immers niets meer voor mij. Ik wil je niet meer zien. Ik wil niet meer aan je denken. Ik wil je naam niet meer uitspreken. O! je weet niet wat je voor mij betekend hebt, vroeger. Waarom vroeger? O, ik mag er niet aan denken! Ik wou dat ik je nooit gezien had! Je hebt de poëzie van mijn leven bedorven. Hoe weinig weet je wat liefde is wanneer je zegt dat ze niet samengaat met kunst. Zonder je kunst ben je niets. Ik zou je beroemd, schitterend en rijk gemaakt hebben. De wereld zou je aanbeden hebben en je zou mijn naam hebben gedragen. Wat ben je nu? Een slechte actrice met een mooi gezichtje.”
   Ze werd wit en trilde. Ze klampte haar handen samen en de stem scheen in haar keel te stokken. “Je meent dat toch niet echt, Dorian?”, fluisterde zij. “Je speelt met mij.”
   “Spelen! Dat laat ik aan jou over. Jij doet het zo mooi”, antwoordde hij bitter.
   Ze richtte zich op en met een intens verdriet op haar gezicht kwam ze naar hem toe. Ze legde haar hand op zijn arm en keek in zijn ogen. Hij duwde haar weg. “Raak me niet aan!”, schreeuwde hij.
   Een doffe snik, en ze wierp zich aan zijn voeten. Zo bleef ze daar liggen, als een bloem die vertrapt was. “Dorian, Dorian, ga niet weg van mij”, stamelde ze. “Het spijt me dat ik zo slecht speelde. Ik dacht de hele tijd alleen maar aan jou. Maar ik zal mijn best doen, echt, ik zal mijn best doen. Het kwam zo onverwachts, mijn liefde voor jou. Ik zou het nooit geweten hebben indien je mij niet omhelsd had, indien we elkaar niet gekust hadden. O, kus me nog eens! Ga niet van mij weg. Dat zou ik niet kunnen verdragen. O, ga niet van mij weg! Mijn broer... Ach nee, het is niets! Hij meende het niet. Het was maar een bevlieging van hem... Maar jij... O, kan je mij deze éne avond niet vergeven? Ik zal hard studeren en goed mijn best doen! Wees niet wreed tegen mij omdat ik meer van jou hou dan van al het andere op de wereld. En daarbij, het is toch maar één keer geweest dat ik niet goed gespeeld heb! Maar je hebt gelijk, Dorian. Ik had meer artiste moeten blijven. Het was heel dwaas van me, maar ik kon het niet helpen! O, laat me niet alleen, laat me niet alleen!” Een hartstochtelijk gesnik scheen haar te doen stikken. Ze kroop over de grond als een gewond dier en Dorian Gray zag met zijn mooie ogen op haar neer en zijn fijne lippen krulden van minachting; er is altijd iets dwaas in de emoties van iemand, die men niet meer lief heeft. Hij vond Sybil Vane bespottelijk melodramatisch. Haar tranen en snikken verveelden hem.
   “Ik ga weg!”, sprak hij eindelijk met zijn kalme, heldere stem. “Ik wil niet boos op je zijn, maar ik kan je niet meer zien. Je bent een te grote teleurstelling geweest!”
   Ze weende zacht, gaf geen antwoord, maar kroop dichter bij hem. Haar handjes strekten zich in de leegte alsof ze hem zochten. Hij keerde zich om en ging de kamer uit. Een paar seconden later had hij het gebouw verlaten.
   Waar hij heen ging wist hij nauwelijks. Hij herinnerde zich later gedwaald te hebben door flauw verlichte straten, door nauwe spookachtige poortjes, langs verdachte huizen. Vrouwen hadden hem met schorre stemmen en ruw gelach allerlei dingen toegeroepen. Dronken kerels waren langs hem gezwaaid, vloekend en in zichzelf pratend, als reusachtige apen. Hij had misvormde kinderen bij elkaar zien kruipen op de stoepen voor de deuren, hij had gegil en gevloek gehoord van uit sombere holen .
   Tegen de ochtend merkte hij dat hij dicht bij Covent Garden was. De duisternis trok op en, eerst aarzelend met hier en daar een flauwe weerglans, rondde de hemel zich tot een zuivere parel. Grote karren volgeladen met verse lelies, ratelden langzaam door de leeg geveegde straat. De lucht werd zo zwaar van die bloemengeur die uit de kelken opsteeg als een tegengif voor zijn verdriet. Hij volgde de karren naar de markt en zag hoe de mannen ze ontlaadden. Een wit-gekielde vrachtvoerder bood hem een paar kersen aan. Hij dankte hem en verwonderde zich erover dat de man weigerde er geld voor aan te nemen; hij begon ze lusteloos op te eten. Ze waren 's nachts geplukt en ze hadden de kilte van de maan nog in zich. Een lange rij jongens met bonte tulpen, rode en witte rozen, liep voor hem uit; ze zochten hun weg door de hoge, fletsgroene stapels groenten. Onder de loods met zijn grijze, zonverbleekte zuilen, wachtte een groep vuile meisjes met blote hoofden tot de markt afgelopen was. Anderen verdrongen zich rond de open en dichtslaande deuren van een café. De zware karrenpaarden trappelden en stampten op de ruwe stenen en schudden met hun tuig en bellen. Een paar karrenvoerders lagen te slapen op een hoop zakken. Duiven trippelden heen en weer met rode pootjes en bogen hun glanzende nekjes.
   Na een poosje riep hij een hansom aan en reed naar huis. Even aarzelde hij nog voor de open deur, keek om zich heen naar de slapende Square met zijn stil gesloten vensters en blank starende luiken. De lucht was helder opaal geworden; de daken van de huizen staken er zilverachtig tegen af. Uit een enkele schoorsteen steeg een dun streepje rook. Het kronkelde als een violet lint door een lucht van parelmoer.
   In de grote vergulde Venetiaanse lantaarn - gestolen uit de bark van een Doge - die in de ruime eikenhouten vestibule hing, brandden nog drie flikkerende lichtjes; dunne blauwe vlamblaadjes met randen van wit vuur. Hij draaide ze uit, gooide hoed en jas op de tafel, ging doorheen de bibliotheek naar zijn slaapkamer: een groot achthoekig vertrek dat hij in zijn recente zucht naar luxe net had laten inrichten en behangen met kostbare Renaissance gobelins, gevonden op een ongebruikte zolder in Selby Royal. Hij opende de deur; zijn oog viel op het portret dat Basil Hallward geschilderd had. Hij deinsde ontsteld terug. Toen ging hij naar zijn zitkamer, met verwarring in zijn ogen. Hij nam de bloem uit zijn knoopsgat en bleef even staan, alsof hij iets wou uitstellen. Toen keerde hij terug op zijn passen, bleef voor het portret staan en bekeek het aandachtig. In het half gedempte licht dat door neergelaten crème zijden gordijnen viel, scheen het of het portret veranderd was. De uitdrukking was niet meer dezelfde. Iets als een grijns van wreedheid lag rond de mond. Het was zeer vreemd.
   Hij ging naar het raam en trok het gordijn op. Het nieuwe daglicht viel in de kamer, drong de fantastische schaduwen terug in de schemerhoekjes waar ze sidderend bleven liggen. Maar het vreemde op het gezicht van dat portret was er nog, scheen zelfs intenser. Het warm levende zonlicht toonde hem die lijnen van wreedheid om de mond even duidelijk als wanneer hij zichzelf in een spiegel had bekeken nadat hij iets slecht gedaan had.
   Hij deinsde terug, nam een ovale spiegel van de tafel, vastgehouden door ivoren cupido's, één van Lord Henry's vele geschenken, en keek haastig in die gepolijste diepte. Geen trek verwrong zijn lippen. Wat betekende dat?
   Hij wreef over zijn ogen, kwam vlak bij het portret staan en bekeek het opnieuw. In het werk zelf was niets te bespeuren en toch was de hele uitdrukking veranderd. Het was geen verbeelding. Het was akelig duidelijk.
   Hij liet zich neervallen in een stoel en dacht na. Ineens flitste door hem heen wat hij gezegd had in Basils atelier, toen het portret voltooid was. Ja, hij herinnerde het zich nu heel goed. Hij had toen die onbesuisde wens gedaan: hij zou altijd jong willen blijven en alleen het portret zou ouder worden; zijn eigen schoonheid en frisheid zouden blijven, het gezicht op het doek zou de last van zijn hartstochten en zonden dragen; het geschilderde portret zou doorgroefd worden met lijnen van smart en ouderdom; hijzelf zou de tere bloesem van zijn jeugd voor altijd behouden. En die wens, werd die nu vervuld? Zulke dingen waren toch onmogelijk. Het was zelfs monsterlijk om zo iets te bedenken. En toch stond het portret daar voor hem, met die trek om de mond.
   Wreedheid! Was hij dan wreed geweest? Het was haar schuld en niet de zijne. Hij had haar bewonderd als een grote kunstenares, had haar zijn liefde gegeven omdat hij haar groot waande. Toen had zij hem teleurgesteld. Ze was klein en onbetekenend geweest. En toch kwam er een grote spijt in hem op, nu hij haar zich voorstelde, liggend aan zijn voeten, snikkend als een kind. Hij herinnerde zich hoe gevoelloos hij toen op haar had neergekeken. Waarom was hij zo geweest? Waarom had men hem zulk een ziel gegeven? Maar hij had zelf ook geleden. Die drie verschrikkelijke uren, dat het stuk geduurd had, had hij eeuwen van smart, eonen van folterpijn doorstaan. Ze stonden nu gelijk. Indien hij haar voor het leven gekwetst had dan had zij hem een ogenblik gemarteld. Bovendien kunnen vrouwen beter lijden dan mannen. Zij leven van hun emoties. Ze denken alleen aan hun emoties. Houden ze van je, dan is het alleen om iemand te hebben waar ze scènes mee kunnen maken. Dat had Lord Henry hem verteld en die wist toch hoe de vrouwen waren? Waarom zou hij zich zorgen maken over Sybil Vane? Zij was nu niets meer voor hem.
   Maar het portret? Hoe moest hij dat uitleggen? Het bezat het geheim van zijn leven, van zijn doen en laten. Het had hem geleerd zijn eigen schoonheid lief te hebben. Zou het hem nu ook leren zijn eigen ziel te verafschuwen? Zou hij er ook nog naar kijken?
   Nee, het was slechts een droom van zijn verwarde zinnen. De verschrikkelijke nacht die hij had beleefd had spookbeelden nagelaten. Op zijn hersens was plotseling dat kleine purperen spatje gevallen, waardoor een mens gek wordt. Het portret was niet veranderd. Het was dwaasheid om zoiets te denken.
   En toch staarde het hem aan met dat vertrokken, mooie gelaat en die wrede lach. Het haar blonk als goud in dit vroege zonlicht. De blauwe ogen ontmoetten de zijne. Een gevoel van oneindig medelijden, niet met zichzelf maar met zijn geschilderd beeld, kwam over hem. Het was nu al veranderd en het zou als maar meer veranderen. Dat goud zou grijs worden. Die rode en witte rozen zouden verwelken. Voor iedere zonde zou een smet die bloemende frisheid bezoedelen. Maar hij wilde niet zondigen. Dat portret, veranderd of niet, zou voor hem zijn zichtbaar geweten zijn. Hij zou de verleiding weerstaan. Hij wilde Lord Henry niet meer zien, wilde in ieder geval niet meer horen naar die fijn geslepen theorieën vol vergif, welke in Basils tuin zijn passie voor hem hadden opgezweept. Hij zou teruggaan naar Sybil Vane, haar vergeving vragen, haar trouwen, proberen haar weer lief te hebben, ja, dat was zijn plicht. Zij moest meer geleden hebben dan hij. Arm kind! Hij was egoïstisch en hard tegen haar geweest. De betovering die zij op hem had zou terug komen. Ze zouden gelukkig zijn. Zijn leven met haar zou mooi en puur zijn.
   Hij rees op uit zijn stoel op, schoof een groot scherm recht voor het portret en rilde toen hij er naar keek. “Hoe verschrikkelijk!”, mompelde hij, terwijl hij naar het deurvenster liep en het open wierp. Hij ging naar buiten, op het gras, en haalde diep adem. De zuivere ochtendlucht scheen al zijn somber lijden weg te blazen. Hij dacht alleen aan Sybil. Een flauwe echo van zijn liefde drong tot hem door. Hij sprak haar naam uit, telkens weer zei hij haar naam. De vogels die in de bedauwde tuinen aan het zingen waren schenen de bloemen over haar te vertellen.



8 Hoofdstuk 8


  

Het was al ver over twaalven toen hij wakker werd. De knecht was verschillende keren op de tippen van zijn tenen binnengeslopen om te zien of hij zich bewoog en had er zich over verwonderd dat zijn jonge meester zo lang sliep. Eindelijk klonk zijn bel en Victor kwam zachtjes binnen, met een kop thee en een stapeltje brieven op een antiek Sèvres dienblad; hij trok de olijfgroene satijnen gordijnen, met blauwe voering, van de drie hoge vensters open.
   “Meneer heeft goed geslapen vanmorgen”, sprak hij met een glimlach.
   “Hoe laat is het, Victor?”, vroeg Dorian Gray nog loom.
   “Kwart over één, meneer.”
   Wat was het al laat! Hij ging recht zitten, dronk wat thee en bekeek zijn brieven. Eén was er van Lord Henry, net bezorgd. Hij twijfelde en legde hem toen opzij. De anderen opende hij zonder enige interesse. Het was de gewone verzameling kaartjes, invitaties voor diners, toegangskaartjes voor de één of andere amateurvoorstelling, programma's van liefdadigheidsconcerten, die ieder uitgaand jongmens gedurende het season krijgt. Er was ook een torenhoge rekening bij voor een gedreven zilveren Louis XV toiletgarnituur, en waarvoor hij nog niet de moed had gevonden om ze aan zijn voogden voor te leggen, ouderwetse mensen die niet begrepen dat men leeft in een eeuw waarin onnodige zaken het meest essentiële zijn. Ook waren er verschillende zeer beleefde aanbiedingen van geldschieters uit Jermyn Street om tegen de meest billijke intresten geld voor te schieten.
   Na tien minuten stond hij op, wierp een vreemd geborduurde kasjmieren chambercloak om en ging naar de met onyx geplaveide badkamer. Het koude water friste hem op na zijn lange slaap. Hij scheen alles wat er gebeurd was te zijn vergeten. Even nog kreeg hij het vage gevoel alsof hij had meegespeeld in een vreemde tragedie, maar het leek meer op een droom.
   Zodra hij gekleed was ging hij naar de bibliotheek en zette zich neer voor een licht ontbijt voor het open raam. Het was een heerlijke dag. De warme lucht geurde zwaar van sterke aroma's. Een bij vloog binnen en gonsde rond de groenblauwe vaas, gevuld met zwavelgele rozen voor hem. Hij voelde zich volmaakt gelukkig.
   Plots viel zijn oog op het scherm voor het portret; hij trok bleek weg.
   “Heeft meneer het koud?”, vroeg de knecht, die een omelet op tafel zette. “Zal ik het raam dicht doen?”
   Dorian schudde het hoofd. “Ik heb het niet koud”, fluisterde hij.
   Zou het waar zijn? Zou het portret werkelijk veranderd zijn? Of was het maar een spel van zijn verbeelding geweest? Een geschilderd doek kon toch niet veranderen? Het was te dwaas. Hij zou het later eens aan Basil vertellen. Die zou er wel om lachen.
   En toch, hoe levendig zag hij het nog voor zich! Eerst in de flauwe schemering, toen in het volle licht had hij die trek van wreedheid gezien, die verwrongen lippen. Hij zag op tegen het ogenblik dat de knecht de kamer zou verlaten. Hij voelde dat, zodra hij alleen was, hij het portret zeker zou bekijken. En die zekerheid deed hem huiveren. Toen de knecht koffie en sigaretten had gebracht had en wegging, had Dorian veel zin om hem te zeggen dat hij moest blijven. En toen hij de deur achter zich sloot, riep hij hem terug. De man stond weer voor hem. Dorian keek hem aan. “Ik ben vandaag voor niemand thuis, Victor”, sprak hij met een zucht. De knecht boog en vertrok.
   Daarna stond Dorian van tafel op, stak een sigaret aan en wierp zich op een lage sofa voor het scherm. Het was een oud scherm van Spaans goudleer met een bloemrijk Louis XIV patroon. Hij bekeek het aandachtig, zich afvragend of het de eerste maal was dat het een geheim van een mensenleven verborg.
   Zou hij het opzij schuiven? Waarom het niet gewoon laten staan? Welk voordeel had hij erbij om het te weten? Was het werkelijkheid, dan was die verschrikkelijk. En zo niet, waarom er dan over tobben? Maar indien, door een noodlottig toeval, andere ogen dan de zijne het bekeken en die afschuwelijke verandering zagen, wat dan? Indien Basil Hallward het nog eens wilde zien? Dat zou Basil zeker willen. Nee, hij moest het weten, en wel dadelijk. Alles was beter dan die verschrikkelijke onzekerheid.
   Hij stond op, sloot beide deuren af. Hij wilde tenminste alleen zijn bij het aanschouwen van de schaduw van zijn schande. Toen schoof hij het scherm weg en bekeek zijn eigen gelaat. Het was waar. Het portret was veranderd.
   Hij herinnerde zich later dikwijls en met niet geringe verbazing dat hij het portret eerst een hele tijd met zuiver wetenschappelijke nieuwsgierigheid had beschouwd. Hij kon niet begrijpen dat zoiets kon gebeuren. En toch was het een feit. Bestond er dan een affiniteit tussen de atomen waaruit de vormen en kleuren op het doek waren opgebouwd en zijn ziel in hem? Kon het zijn dat zij weerspiegelden wat die ziel dacht, dat zij in de werkelijkheid weergaven wat die ziel droomde? Of was er een andere, nog verschikkellijkere reden? Hij huiverde, werd bang, kroop terug naar de bank en lag daar te staren naar zijn beeld in angstig afgrijzen.
   Eén ding had het hem geleerd, wist hij nu. Het had hem doen inzien hoe onrechtvaardig, hoe wreed hij tegen Sybil Vane geweest was. Het was niet te laat om dat goed te maken. Zij kon nog zijn vrouw worden. Zijn egoïstische en valse liefde zou volwassen worden door een hogere invloed, zou herschapen worden in een mooier gevoel en het portret dat Basil Hallward van hem had geschilderd, zou voor hem zijn wat heiligheid voor de één, geweten voor de ander en de vrees voor God voor ons allen is. Al bestonden er verdovende middelen tegen het berouw, kruiden die de moraliteit in slaap wiegden, hier was een zichtbaar symbool van ondergang door zonde, hier was een altijd zichtbaar beeld van de ellende die de ziel zichzelf kan aandoen.
   De klok sloeg drie uur, vier uur, half vijf, maar Dorian Gray bewoog zich niet. Hij was bezig de purperen draden van het leven bij elkaar te nemen, ze tot een patroon samen te weven; hij trachtte zijn weg te vinden door het bloedig labyrint van passie waarin hij ronddoolde. Hij wist niet wat hij moest doen, wat hij moest denken. Eindelijk zette hij zich aan tafel en schreef een brief vol hartstocht aan de vrouw die hij had liefgehad, haar smekend om vergeving, zichzelf beschuldigend van dolle drift. Hij schreef bladzijde na bladzijde vol met gloeiende spijtbetuigingen. Er schuilt weelde in zelfverwijt. Door onszelf te beschuldigen ontnemen wij anderen het recht dit te doen. Het is door de biecht zelf, niet door de priester, dat wij vergiffenis krijgen. Toen Dorian zijn brief had beëindigd, voelde het alsof hij reeds vergiffenis had gekregen.
   Een klop op de deur; buiten hoorde hij Lord Henry's stem. “Beste jongen, ik moet je absoluut zien. Laat me toch binnen. Ik vind het zo erg, dat je je zo opsluit.”
   Hij antwoordde niet en bleef roerloos zitten. Het kloppen hield aan, werd dringend. Ja, het was beter Lord Henry binnen te laten, te zeggen dat hij een nieuw leven wenste, met hem ruzie te maken, indien dat nodig was, afscheid van hem te nemen, indien dat onvermijdelijk was. Hij sprong op, trok het scherm weer voor het portret en opende de deur.
   “Ik heb diep medelijden met je, Dorian”, sprak Lord Henry binnenkomend. “Maar je moet er niet al te veel aan denken.”
   “Bedoel je over Sybil Vane?”, vroeg de jongen.
   “Ja natuurlijk”, antwoordde Lord Henry terwijl hij in een stoel zonk en langzaam zijn gele handschoenen uittrok. “Het is natuurlijk iets verschrikkelijk, maar jij kon er niets aan doen. Zeg eens: ben je later, na het stuk nog bij haar geweest? En heb je haar nog gesproken?”
   “Ja”.
   “Dat dacht ik wel! Heb je een scène met haar gehad?”
   “Ik was schandelijk, Harry, schandelijk. Maar nu is alles in orde. Ik heb geen spijt van hetgeen er gebeurd is. Het heeft mij mezelf beter leren kennen.”
   “Wel Dorian, ik ben blij, dat je het zo opneemt. Ik was al bang je diep wanhopig aan te treffen, met je handen in je mooie haar!”
   “Dat heb ik al doorgemaakt”, sprak Dorian, met een glimlach zijn hoofd schuddend. “Ik ben zeer tevreden. Ik weet nu wat een geweten is. Het is niet datgene wat jij beweert. Het is het mooiste in ons. Je hoeft er niet om te lachen, Harry, tenminste niet wanneer ik er bij ben. Ik wil goed worden. Ik vind het een onverdraaglijk idee een lelijke ziel te hebben.”
   “Een zeer artistieke basis voor een moraal, Dorian. Ik feliciteer je er mee. En hoe begin je?”
   “Door met Sybil Vane te trouwen.”
   “Met Sybil Vane trouwen?”, riep Lord Henry, opspringend en hem in stomme verbazing aankijkend. “Maar beste jongen...”
   “Ja, Harry, ik weet wat je nu gaat zeggen. Iets lelijk over het huwelijk, natuurlijk. Zeg het maar niet. Zeg nooit meer zo iets tegen mij. Twee dagen geleden vroeg ik Sybil Vane mijn vrouw te worden. Ik wil mijn woord niet verbreken. Zij zal mijn vrouw worden.”
   “Je vrouw, Dorian! Heb je mijn brief dan niet gekregen? Ik heb je vanmorgen geschreven en de brief door de knecht laten bezorgen.”
   “Je brief? O ja, nu herinner ik het me. Ik heb hem nog niet gelezen, Harry. Ik was bang, dat er iets in zou staan wat ik niet prettig zou vinden. Je trekt het leven aan flarden, met al je spitsvondigheden.”
   “Je weet dus niets?”
   “Wat bedoel je toch?”
   Lord Henry liep door de kamer, ging naast Dorian zitten, nam beide zijn handen in de zijne en hield ze vast. “Dorian”, zei hij, “die brief - schrik niet - was om je te zeggen, dat Sybil Vane dood is.”
   Een kreet van pijn kwam over Dorians lippen, hij vloog op en trok zijn handen weg. “Dood! Sybil dood! Het is niet waar! Het is een afschuwelijke leugen! Hoe durf je dat te zeggen!”
   “Het is echt waar, Dorian!”, zei Lord Henry ernstig. “Het staat in de ochtendkranten. Ik schreef je om je te vragen niemand te ontvangen voor ik bij je kwam. Er zal natuurlijk een onderzoek komen, maar jij moet je er buiten houden. In Parijs zou door zo een geschiedenis je naam gemaakt zijn. Maar hier in Londen zijn ze nog ouderwets op dat punt. Hier moet je maar liever niet je debuut maken met een schandaal. Dat moet je hier maar bewaren om later een beetje fleur aan je oude dag te geven. Ik veronderstel dat niemand in dat theater je naam kent. Dan is alles in orde. Heeft iemand je naar haar toe zien gaan? Dat is een belangrijk punt.”
   Dorian bleef een paar seconden sprakeloos zitten. Hij was versuft van schrik. Eindelijk stamelde hij met een toegeknepen stem: “Harry, sprak je over een onderzoek? Wat bedoelde je daarmee? Heeft Sybil...? O, Harry, ik kan het niet begrijpen. Zeg me alles, zeg me gauw alles.”
   “Ik geloof zeker, dat het een ongeluk is, Dorian, hoewel ze het natuurlijk niet zo aan het publiek zullen voorstellen. Het schijnt dat ze net klaar was om met haar moeder naar huis te gaan, rond half één, toen ze deed alsof ze boven iets vergeten had. Ze bleven op haar wachtten, maar Sybil kwam niet terug. En uiteindelijk vonden ze haar dood op de grond in de kleedkamer. Ze schijnt iets ingenomen te hebben, een vergif dat ze nodig hebben bij het grimeren. Ik weet niet wat het was, maar er moet pruisisch zuur of loodwit in gezeten hebben. Ik denk pruisisch zuur want ze is blijkbaar onmiddellijk gestorven.”
   “Harry, Harry, o God, het is verschrikkelijk!”, schreeuwde de jongen.
   “Ja, het is een treurige geschiedenis, maar je moet je er buiten zien te houden. Ik zag in de Standard dat ze zeventien jaar was. Ik had haar nog jonger gegeven. Ze was nog een kind en kende niets van acteren. Dorian, trek je dit nu niet teveel aan. Ga met mij dineren, dan kunnen we later even naar de opera gaan. Patti zingt van avond en iedereen zal er zijn. Je kan in de loge van mijn zuster zitten. En ze heeft een paar mooie vriendinnen bij zich.”
   “Ik heb Sybil Vane vermoord”, stamelde Dorian Gray, half tot zichzelf, “ik heb het gedaan, evengoed alsof ik haar met een mes had neergestoken. En toch staan de rozen er niet minder mooi bij. En toch zingen de vogels even vrolijk in de tuin. En vanavond ga ik met je dineren, daarna naar de Opera en daarna nog ergens souperen, zeker. Hoe vreemd is het leven! Als ik dit alles in een boek gelezen had, Harry zou ik erover gehuild hebben. En nu het werkelijk gebeurd is, en met mijzelf dan nog wel, nu schijnt het zo veraf, te ver voor tranen. Hier is de eerste liefdesbrief die ik in mijn leven schreef, aan een dode. Zouden ze nog iets voelen die witte, stille mensen, die wij de doden noemen? Sybil! Zou zij nog iets voelen, nog iets weten, nog horen! O Harry! Ik had haar zo lief! Het is nu alsof dat jaren geleden is. Ze was mijn alles. En toen kwam die avond - was dat pas gisteren? - die verschrikkelijke avond toen ze zo slecht acteerde en mijn hart brak. Ze heeft mij later alles verteld. Het was zo treurig, zo intreurig. Maar toen deed het mij niets. Ik vond haar onbelangrijk. En opeens gebeurde er iets dat me angstig maakte! Ik kan je niet zeggen wat, maar het was afschuwelijk! Ik besloot dat ik terug bij haar zou gaan. Ik voelde dat ik slecht was geweest. En nu is ze dood. God! Mijn God! Harry! Wat moet ik beginnen! Je weet niet voor welk een afgrond ik sta, en er is niets of niemand om mij staande te houden. Zij zou het gedaan hebben. O, ze had het recht niet dood te gaan. Het was egoïstisch van haar.”
   “Beste Dorian”, antwoordde Lord Henry - hij nam een sigaret uit zijn koker en een gouden luciferdoosje uit zijn zak - “de enige manier waarop een vrouw een man staande kan houden is door hem zo te vervelen dat hij alle interesse in het leven verliest. Indien je met dit kind getrouwd had was je diep ongelukkig geworden. Je zou natuurlijk wel lief tegen haar geweest zijn, ach, het is zo gemakkelijk lief te zijn voor mensen waar je niets om geeft. Maar zij zou heel gauw gemerkt hebben dat je totaal niets om haar gaf. En wanneer een vrouw zoiets merkt bij haar man, wordt ze ofwel verschrikkelijk slordig ofwel begint ze heel kokette hoedjes te dragen die ze door de echtgenoot van een ander laat betalen. En dan spreek ik nog niet eens over het verschil in stand; in elk geval was het je ongeluk geweest.”
   “Misschien wel”, fluisterde de jongen, terwijl hij de kamer op en neer liep, dodelijk bleek. “Maar ik dacht, dat ik het doen moest. Het is niet mijn schuld dat dit drama mij belet heeft mijn plicht te doen. Ik herinner me dat je eens gezegd hebt dat er een noodlot rust op goede voornemens. Ze komen altijd te laat. Dat doen de mijne zeker.”
   “Goede voornemens zijn nutteloze tegenstribbelingen tegen de wetten van de natuur. Ze komen voort uit ijdelheid. Hun effect is nihil. Ze geven ons, af en toe, enkele van die luxueuze steriele emoties die een zekere charme hebben voor de zwakken. Dat is alles wat er over hen gezegd kan worden. Het zijn cheques, getrokken op een bank die niet uitbetaalt.”
   “Harry!”, riep Dorian Gray opeens, en hij zette zich bij hem, “hoe komt het toch dat ik dit drama niet voel zoals ik het zou willen voelen? Ik geloof niet dat ik ongevoelig ben, vind jij van wel?”
   “Je hebt de laatste veertien dagen teveel dwaze dingen gedaan om dat te kunnen zijn, Dorian!”, antwoordde Lord Henry, met zijn zachte melancholische glimlach.
   De jongen fronste even het voorhoofd. “Ik vind dat geen prettige uitspraak”, zei hij, “maar ik ben blij, dat je mij niet ongevoelig vindt. Dat ben ik waarlijk niet. Dat weet ik. En toch moet ik bekennen dat wat gebeurd is mij niet zo hard raakt als het zou moeten doen. Het lijkt voor mij niets meer dan een mooi slot van een mooi theaterstuk. Het heeft de verschrikkelijke schoonheid van een Griekse tragedie, een tragedie waarin ik een grote rol speelde, maar niet gewond werd.”
   “Het is zeker een interessant geval”, zei Lord Henry, die er een verfijnd genot in vond om met het naïeve egoïsme van de jongen te spelen. “Heel interessant. Ik geloof, dat je het zo kunt uitleggen dat de werkelijke tragedies in het leven meestal op zulk een onartistieke manier gebeuren, dat zij ons afstoten door hun ruwe kracht, hun absolute onsamenhangendheid, hun bespottelijke nutteloosheid en een totaal gebrek aan stijl. Ze beroeren ons net zoals vulgariteit ons beroert. Ze geven ons de indruk dat ze slechts het gevolg zijn van een blinde, domme kracht, en daar verzetten wij ons tegen. Maar een enkele keer vindt er in ons leven een tragedie plaats die artistieke elementen heeft. Ook al zijn die elementen reëel en levend, toch maakt het geheel een theatrale indruk op ons. Opeens zijn we niet langer de acteurs, maar het publiek. Of liever: we zijn beiden. We kijken naar onszelf en laten ons betoveren door het wonder van het drama. Wat is er nu in dit geval gebeurd? Iemand heeft zich om het leven gebracht uit liefde voor jou. Wel, ik wou dat zoiets mij ook overkwam. Ik zou mijn hele verdere leven verliefd op mezelf zijn geweest. Maar de mensen die mij aanbeden hebben... het zijn er niet veel, maar wel enkele... zijn zo dom geweest te blijven leven, lang nadat ik opgehouden had iets voor hen te voelen, en zij voor mij. Ze zijn dik en vervelend geworden en wanneer ik ze ontmoet halen ze allerlei oude herinneringen op. O, het geheugen van een vrouw! Ik ken niets dat verschrikkelijker is, en welk een bewijs is het van haar volslagen intellectuele stilstand! Een mens moet alleen de essentie van het leven in zich opnemen, de details moet hij vergeten: details zijn altijd vulgair.”
   “Ik zal papavers in mijn leven moeten zaaien”, zuchtte Dorian.
   “O, dat is niet nodig”, zei zijn vriend. “Het leven biedt overal papavers aan. Natuurlijk blijft er nu en dan wat hangen. Ik heb eens een heel seizoen niets dan viooltjes gedragen, als artistieke rouw over een romance die maar niet in mij sterven wou. Maar uiteindelijk is het toch voorbij gegaan. Ik weet niet hoe. Ik geloof door haar voorstel om de hele wereld aan mij op te offeren. Dat is altijd een gevaarlijk moment. Je krijgt plotseling angst voor de eeuwigheid. Maar, wil je wel geloven dat, toen ik vorige week aan een diner bij Lady Hampshire naast de dame in kwestie zat, ze de gehele geschiedenis absoluut weer wou overdoen! Ik had mijn romance begraven onder affodillen. Zij groef hem weer op en verweet me haar leven verwoest te hebben. Ik moet er bij vertellen dat ze copieus dineerde en ik dus niet de minste gewetenswroeging had; maar wat een gebrek aan smaak toch! De enige charme van het verleden is net dat het het verleden is. Maar vrouwen weten nooit wanneer het gordijn moet vallen. Ze willen altijd nog een zesde akte. Als je ze hun gang liet gaan zou iedere komedie eindigen in een treurspel en iedere tragedie in een klucht. Ze kunnen allerliefst gekunsteld zijn maar van kunst weten ze niets af. Jij bent gelukkiger dan ik. Ik verzeker je, Dorian, dat geen van de vrouwen die ik gekend heb, voor mij zou gedaan hebben wat Sybil Vane voor jou deed. Gewoonlijk troosten de vrouwen zich wel. Sommigen doen het door sentimentele kleuren te dragen. Vertrouw nooit een vrouw, van welke leeftijd ook, die mauve draagt of een vrouw boven de vijfendertig die houdt van roze lintjes. Het is altijd een bewijs dat ze een ongelukkige liefde in hun leven hebben gehad. Anderen troosten zich dan weer door opeens allerlei deugden in hun echtgenoten te vinden. Ze pronken met hun echtelijk geluk alsof het de meest fascinerende zonde was. Godsdienst is ook een uitstekende troost. Een vrouw heeft me eens verteld dat de mysteries van de godsdienst dezelfde charme hadden als een flirt, en ik kan dat best begrijpen. Daarnaast, niets maakt iemand zo ijdel als verteld te worden een zondaar te zijn. Het geweten maakt egoïsten van ons allemaal. Zo zie je maar dat vrouwen genoeg vertroosting vinden in onze moderne wereld en o, ik vergat nog de belangrijkste...”
   “Welke dan, Harry”, vroeg de jongen lusteloos.
   “Datgene wat het meest voor de hand ligt. De bewonderaar van een ander te nemen wanneer je je eigen bewonderaar verliest. In een goede maatschappij zuivert dat een vrouw altijd van blaam. Maar Dorian, hoe helemaal anders dan de meeste vrouwen moet Sybil Vane geweest zijn. Ik vind zo iets moois in haar dood! Ik ben blij dat ik leef in een eeuw waarin zulke dingen nog gebeuren. Het maakt dat je echt gaat geloven in gevoelens die meestal maar gespeeld worden, hartstocht en liefde.”
   “Je vergeet dat ik verschrikkelijk wreed tegen haar ben geweest”.
   “Ik geloof dat vrouwen wreedheid meer appreciëren dan wat ook. Ze hebben eigenaardige, primitieve instincten. Wij hebben ze wel wat geëmancipeerd, maar zij blijven toch slavinnen die naar hun meesters opkijken. Ze houden ervan overheerst te worden. Je zal er prachtig uitgezien hebben in je boosheid, daar ben ik zeker van. Ik heb je nog nooit werkelijk kwaad gezien, maar ik kan me voorstellen hoe prachtig je moet geweest zijn. En... nu herinner ik me ineens iets wat je me eergisteren zei. Ik beschouwde het eerst als een los gezegde, maar ik zie nu dat het niet alleen zeer waar is, maar ook alles verklaart.”
   “Wat was dat dan, Harry?”
   “Je zei, dat Sybil Vane voor jou de verpersoonlijking was van al Shakespeare's heldinnen, dat zij de ene avond Desdemona en de volgende Ofelia was; dat, wanneer ze stierf als Julia, ze weer tot leven kwam als Imogen.”
   “Maar nu zal ze nooit meer tot het leven terugkeren”, fluisterde Dorian en verborg zijn gelaat in zijn handen.
   “Nee, dat is zo. Ze heeft haar laatste rol gespeeld. En je moet je dat sterven in een armoedig kleedkamertje eenvoudig voorstellen als een vreemd, somber fragment uit een Jacobijnse tragedie, als een scène van Webster, of Ford, of Cyril Tourneur. Dat kind heeft nooit werkelijk geleefd, dus kan zij ook niet werkelijk sterven. Voor jou tenminste was zij altijd als een droom; een schim, die rondzweefde door Shakespeare's drama's en ze mooier maakte door haar wezen; een muziekinstrument waarin Shakespeare's muziek rijker en voller klonk. Maar toen het werkelijke leven tegen haar botste werd ze hard geraakt en daardoor verdween ze. Draag rouw voor Ofelia, als je dat wilt. Bestrooi je hoofd met as, omdat Cordelia gewurgd werd. Schreeuw tegen de hemel omdat Brabantio's dochter stierf. Maar verspil je tranen niet om Sybil Vane. Zij was minder echt dan deze personnages.”
   Er viel een stilte. De avond verdonkerde de kamer. Geluidloos, op zilveren voeten, slopen de schaduwen vanuit de tuin naar binnen. Moe verwelkten de kleuren in alles wat hen omringde.
   Na een ogenblik keek Dorian Gray op. “Je hebt me duidelijk gemaakt wie ik ben, Harry”, fluisterde hij mat, met een zucht van verlossing. “Ik voelde wel alles wat je zei maar toch was ik er bang voor en ik begreep mijzelf niet. Wat ken je mij toch goed. Maar we zullen niet meer spreken over wat gebeurd is. Het is een wondermooie ervaring geweest. Dat is alles. Zou het leven voor mij nog iets in petto hebben dat zo mooi als dit?”
   “Het leven heeft nog heel veel voor jou in petto, Dorian. Er is niets wat jij met je mooie gezicht niet zou kunnen doen.”
   “Maar je stel eens voor, Harry, dat ik lelijk, oud en gerimpeld word? Wat dan?”
   “O, dan”, sprak Lord Henry terwijl hij opstond, “dan zal je moeten vechten voor je veroveringen. Nu worden ze je op een zilveren blaadje aangeboden. Nee, je moet je mooie jeugd trachten te behouden. We leven in een tijd, waarin men teveel leest om verstandig te zijn en teveel denkt om mooi te blijven. We kunnen je niet missen. En nu moet je je gaan kleden en mee naar de club rijden. Het is al behoorlijk laat.”
   “Ik zal liever in de opera bij jou komen, Harry. Ik ben te moe om te eten. Wat is het nummer van de loge van je zuster?”
   “Zevenentwintig, geloof ik. Het is op de grand tier. Je zal haar naam wel op de deur zien. Maar het spijt me dat je niet mee komt dineren.”
   “Ik voel me echt niet in staat”, zei Dorian mat. “Maar ik ben je dankbaar voor alles wat je me gezegd hebt. Je bent mijn beste vriend. Niemand begrijpt mij zoals jij.”
   “We zijn pas aan het begin van onze vriendschap, Dorian”, antwoordde Lord Henry hem de hand schuddend. “Nu, adieu. Ik hoop je voor halftien te zien. Denk erom, Patti zingt.”
   Toen hij de deur achter zich sloot trok Dorian Gray aan de bel en Victor kwam binnen met de lampen en schoof de gordijnen dicht. Dorian wachtte ongeduldig tot hij weg zou gaan. De knecht scheen voor alles een zee van tijd nodig te hebben.
   Zodra hij de kamer uit was stortte Dorian zich op het scherm en trok het weg. Nee, er was geen verdere verandering in het portret te zien. Het had geweten dat Sybil dood was vooraleer hij het zelf wist. Het werd zich bewust van de dingen van het leven zodra ze plaatsvonden. De boosaardige wreedheid, die fijne lijnen rond de mond had getrokken, was daar ongetwijfeld gekomen op het ogenblik dat het vergif werd ingenomen. Of was het onverschillig voor resultaten? Nam het slechts ter kennisgeving aan wat er zich in de ziel afspeelde? Hij dacht erover na en hoopte dat hij ooit die verandering zou zien gebeuren onder zijn ogen. Een rilling liep over hem terwijl hij dit hoopte.
   Arme Sybil! Wat een drama was het geweest. Ze had op het podium zo dikwijls gedaan alsof ze stierf. Toen had de dood haar zelf beroerd en haar met zich meegenomen. Hoe had zij die wanhopige laatste scène gespeeld? Had zij hem vervloekt toen zij stierf? Nee, ze was uit liefde voor hem gestorven en voortaan zou liefde een heilig sacrament voor hem zijn. Zij had voor alles boete gedaan door de opoffering van haar leven. Hij wilde niet denken aan wat zij hem had doen lijden op die verschrikkelijke avond. Wanneer hij aan haar dacht zou het zijn als aan een toverachtig, tragisch figuur welke op het wereldtoneel was gezonden om de grote waarheid van de liefde te verkondigen. Een toverachtig tragisch figuur? Tranen kwamen in zijn ogen, terwijl hij zich haar blik vol kinderlijkheid, haar vriendelijke, innemende maniertjes en haar verlegen, aarzelende gratie herinnerde. Hij veegde de tranen haastig weg en keek weer naar het portret.
   Hij voelde dat de tijd gekomen was om zijn keuze te maken. Of had hij dat reeds gedaan? Ja, het leven had reeds voor hem gekozen, het leven en zijn eigen grote nieuwsgierigheid naar het leven. Eeuwige jeugd, eindeloze passies, subtiele en geheime genoegens, woeste vreugden en nog woester zonden, dit alles zou hij hebben. Het portret zou de last van zijn schande dragen, dat was alles.
   Een gevoel van pijn sneed in hem; de gedachte aan de ontering, weggelegd voor dat mooie gezicht op het doek. Eens, in een jongensachtig nadoen van Narcissus, had hij ze gekust, die geschilderde lippen, welke hem nu zo wreed toelachten. Ochtend na ochtend had hij voor het portret gezeten, de schoonheid ervan bewonderend, er verliefd naar gekeken. Zou het nu veranderen met iedere gril waaraan hij toegaf? Zou het een monsterachtig, afschuwelijk iets worden, dat men moest wegstoppen in een donkere kamer, ver van het zonlicht, dat zo vaak de krullende haren zo helder had verguld? O, het was jammer, zo jammer.
   Even nog dacht hij er voor te bidden dat het afgrijselijke verband tussen hem en dat portret zou ophouden te bestaan. De band was er gekomen na de verhoring van een gebed, misschien kon hij terug verdwijnen door de verhoring van een ander gebed. En toch... Wie, die iets van het leven afwist, zou de kans om altijd jong te blijven willen verliezen, hoe fantastisch die kans ook scheen en met welke noodlottige gevolgen die ook betaald werd. Bovendien, kon hij er echt iets aan doen? Was het werkelijk het gevolg van zijn gebed geweest? Kon er niet de een of andere wetenschappelijke verklaring voor zijn? Indien gedachten invloed kunnen hebben op een levend organisme, kunnen ze dan ook geen invloed hebben op dode en anorganische dingen? Nee, zou het niet kunnen dat, zonder suggestie of bewuste wens, materiele dingen met onze eigen stemmingen en passies in harmonie samentrillen, en atomen zich herschikken onder de invloed van liefde of affiniteit? Maar wat maakte het uit hoe het gebeurde. Hij zou nooit door enig gebed een verschrikkelijke macht verzoeken. Indien het portret moest veranderen, dan was dat maar zo. Dat was alles. Waarom er zo diep op ingaan?
   En daarbij, het zou hem genoegen doen die veranderingen langzaam te zien ontstaan. Hij zou zijn ziel kunnen volgen tot in haar geheimste hoekjes. Dit portret zou voor hem een magische spiegel zijn. Zoals het hem zijn lichaam had geopenbaard, zo zou het hem nu ook zijn ziel openbaren. En wanneer de winter er overheen zou trekken dan zou hijzelf nog staan op de grens van lente en zomer. Wanneer het bloed verbleekte in dat gezicht en een bleek kalken masker met dode ogen achterliet, dan zou hij nog alle glans en jeugd behouden hebben. Niet één bloesem van zijn schoonheid zou verwelken. Geen polsslag van zijn leven zou verzwakken. Net zoals de Griekse goden zou hij steeds krachtig, jong en vrolijk blijven. Wat deed het er toe wat er gebeurde met die geschilderde afbeelding? Hij zou veilig zijn, dat was het belangrijkste!
   Hij schoof het scherm terug op zijn plaats, vlak voor het schilderij, en lachte terwijl hij dit deed. Hij ging in zijn kleedkamer, waar de knecht al wachtte. Een uur later was hij in de opera en leunde Lord Henry over zijn stoel heen.



9 Hoofdstuk 9


  

Toen hij de volgende morgen aan het ontbijt zat werd Basil Hallward binnengelaten.
   “Ik ben blij dat ik je gevonden heb, Dorian”, begon hij ernstig. “Ik ben gisteravond ook al naar hier gekomen, maar ik hoorde dat je naar de opera was. Ik wist dat dat natuurlijk niet waar kon zijn. Maar ik had zo graag geweten waar je werkelijk was. Ik heb een verschrikkelijke avond doorgebracht, bang dat de ene tragedie door de andere zou gevolgd worden. Je had mij toch wel kunnen telegraferen om bij je te komen, toen je het hoorde. Ik las het bij toeval op een pagina van de Globe die ik in de club opnam. Ik ben toen onmiddellijk hierheen gekomen en was wanhopig toen ik je niet kon vinden. Ik kan je niet zeggen hoe ellendig ik me voel door die geschiedenis. Ik begrijp wat je lijden moet. Maar waar was je nu toch? Ben je naar haar moeder geweest? Ik dacht een ogenblik je daar te gaan zoeken. Het adres stond in de krant. Ergens in Euston Road, niet waar? Maar ik was bang mij op te dringen bij een verdriet waar ik niets kon aan verhelpen. Arme vrouw! In wat voor een toestand moet zij verkeren! En haar enig kind! Hoe was zij er onder?”
   “Beste Basil, hoe weet ik dat?”, fluisterde Dorian en nipte aan een bleke gele wijn uit een doorzichtige kelk van Venetiaans glas met gouden facetten. “Ik was in de opera. Je had daar ook moeten zijn. Ik ontmoette er voor de eerste maal Lady Gwendolen, Harry's zuster. We zaten in haar loge. Ze is allerliefst en Patti zingt goddelijk. En spreek nu niet over akelige dingen. Als je niet over die dingen spreekt is het net alsof ze niet gebeurd zijn. Het is eenvoudigweg de expressie, zoals Harry zegt, die de realiteit aan dingen geeft. Ik moet je ook zeggen, dat het niet haar enig kind is. Er is nog een zoon, een goede kerel, geloof ik. Maar hij zit niet bij het toneel. Hij is matroos of zoiets. En vertel me nu wat over jezelf en wat je aan het schilderen bent.”
   “Je ging naar de opera?”, vroeg Hallward langzaam, met een klank van pijn in zijn stem. “Je ging naar de opera terwijl Sybil Vane dood lag in een treurig kamertje? Je bent in staat om te praten over andere vrouwen die allerliefst waren en over Patti die goddelijk zingt, voordat het meisje dat je lief had nog maar de rust heeft om in te slapen. Wel, dat kleine witte lichaam van haar staat nog een hoop verschrikkelijks te wachten!”
   “Hou op, Basil! Ik wil het niet horen!”, riep Dorian kwaad. “Je moet er niet meer over spreken. Wat gebeurd is, is gebeurd. Het verleden is het verleden.”
   “Noem je gisteren het verleden?”
   “Wat heeft tijd ermee te maken? Alleen kleinzielige mensen hebben jaren nodig om zich over een emotie heen te zetten. Een man die meester is over zichzelf kan even gemakkelijk een einde maken aan een verdriet als beginnen aan een genot. Ik heb geen zin om slaaf te zijn van mijn emoties. Ik wil ze gebruiken, ervan genieten en ze beheersen.”
   “Dorian, dat is afschuwelijk! Je bent helemaal veranderd. Uiterlijk ben je nog dezelfde mooie jongen die iedere dag in mijn atelier kwam poseren voor zijn portret. Maar toen was je eenvoudig, natuurlijk en hartelijk. Je was het meest onbedorven schepsel op de wereld. Nu weet ik niet wat er met je gebeurd is. Je spreekt alsof er geen hart, geen medelijden in je is. Het is de invloed van Harry, dat is duidelijk.”
   De jongen kreeg een kleur, en voor het venster bleef hij een ogenblik staan kijken naar de groene tuin, waar de zon doorheen flitste. “Ik ben Harry heel veel verschuldigd, Basil”, sprak hij tenslotte, “meer dan aan jou. Jij leerde me alleen maar ijdel zijn.”
   “Daar ben ik nu wel voor gestraft, Dorian.”
   “Ik weet niet wat je bedoelt, Basil”, riep hij uit terwijl hij zich omdraaide. “Ik weet niet wat je wilt. Wat wil je eigenlijk?”
   “Ik wil de Dorian Gray die ik vroeger schilderde”, zei Hallward treurig.
   “Basil”, sprak de jongen terwijl hij naar hem toe ging en hem de hand op de schouder legde, “je komt te laat. Toen ik gisteren hoorde, dat Sybil Vane zich van kant had gemaakt...”
   “Van kant gemaakt! Grote God! Is dat zeker?”, riep Hallward, hem aankijkend vol ontsteltenis.
   “Maar Basil, je dacht toch niet, dat het een gewoon ongeluk was. Natuurlijk deed zij het zelf.”
   Hallward verborg het gelaat in de handen. “Hoe verschrikkelijk!”, mompelde hij en een rilling liep over hem.
   “Nee”, sprak Dorian Gray, “er is niets verschrikkelijk aan. Het is een van de meest romantische tragedies van deze eeuw. Gewoonlijk hebben acteurs en actrices zeer banale levens. Ze zijn goede huisvaders of trouwe moeders of zoiets vervelend. Je begrijpt wat ik bedoel: zo van die burgerlijke deugden. Hoe geheel anders was het leven van Sybil. Ze beleefde haar mooiste tragedie. Zij was altijd een heldin. De laatste avond dat ze speelde, toen jij haar gezien hebt, speelde ze slecht omdat ze de realiteit van de liefde leerde kennen. Toen ze zag dat de liefde gedaan was, stierf zij, zoals Julia zou gestorven zijn. Ze keerde terug naar de kunstwereld. Er is iets van een martelares in haar. Haar dood heeft de pathetische nutteloosheid van het martelaarschap en de verspillende schoonheid ervan. Maar, zoals ik je al zei, je moet niet denken dat ik zelf niet geleden heb. Indien je gisteren op het juiste ogenblik was gekomen, na half vijf of kwart voor zes, dan zou je me in tranen gevonden hebben. Zelfs Harry, die hier was en mij het bericht meedeelde, had geen idee van wat ik doormaakte. Ik leed een onmenselijk verdriet. Daarna ging het over. Ik kan een emotie niet herhalen. Dat kunnen alleen sentimentele mensen. En je bent gruwelijk onrechtvaardig, Basil. Je komt hier om mij te troosten. Nu, dat is heel lief van je. Maar wanneer je merkt dat ik al getroost ben dan word je kwaad. Dat is toch niet erg sympathiek. Je herinnert me aan een verhaal van Harry, over een filantroop die twintig jaar lang ijverde tegen een onrechtvaardige wet of zoiets; ik ben vergeten wat het precies was. Eindelijk kreeg hij zijn zin en toen was hij verschrikkelijk teleurgesteld. Hij had totaal niets meer te doen, verveelde zich halfdood en werd de grootste mensenhater. En daarbij, Basil, indien je me werkelijk wilt troosten, dan zou je mij moeten helpen om te vergeten wat er gebeurd is, of het bekijken vanuit uit een artistiek oogpunt. Was het niet Grautier die altijd schreef over la consolation des arts? Ik herinner me dat eens gelezen te hebben in een klein perkamenten boekje in jouw atelier. Wel, ik ben niet meer de jongen waarmee je in Marlow bent geweest, de jongen die altijd zei dat geel satijn hem kon troosten in alle tegenslagen die het leven met zich mee brengt. Ik hou ervan mooie dingen om mij heen te zien en ze te gebruiken. Antieke brokaten, groene bronzen, lakwerk, uitgesneden ivoor, een exquise omgeving, luxe, pracht, er is in dat alles zeker veel te vinden. Maar het artistieke gevoel dat die dingen opwekken, of liever openbaren, is mij nog meer waard. Toeschouwer van je eigen leven worden is, zoals Harry zegt, ontsnappen aan je eigen verdriet. Ik zie dat je verbaasd bent mij zo te horen spreken. Je kunt je niet voorstellen hoe ik veranderd ben. Ik was een schooljongen toen je mij leerde kennen. En nu ben ik een man. Ik heb nieuwe passies, nieuwe gedachten, nieuwe ideeën. Ik ben veranderd, maar daarom moet je niet minder van mij houden. Ik ben niet meer dezelfde, maar je moet toch mijn vriend blijven. Ik hou natuurlijk heel veel van Harry. Maar ik voel dat jij beter bent dan hij. Jij bent niet zo sterk - je bent zo bang voor het leven - maar je bent beter. En hoeveel aangename uren hebben we samen beleefd. Laat mij niet aan mijn lot over, Basil, en wees niet boos op mij. Ik ben zoals ik ben. Daar is niets aan te doen.”
   De schilder voelde zich geroerd. Die jongen was hem zeer dierbaar en zijn persoonlijkheid was het hoogste motief in zijn kunst geweest. Hij had het hart niet hem nog meer verwijten te doen. En misschien was die onverschilligheid maar een bui die gauw zou overdrijven. Er was zoveel moois, zoveel hoogs in hem.
   “Wel, Dorian”, sprak hij eindelijk met droevige glimlach, “ik zal na vandaag niet meer met je spreken over deze treurige geschiedenis. Ik hoop alleen dat je naam er niet in genoemd zal worden. Morgenmiddag is het onderzoek. Ben je opgeroepen?”
   Dorian schudde het hoofd en een waas van ontevredenheid kwam over zijn gelaat bij het woord 'onderzoek'. Het klonk zo ruw en banaal. “Ze weten mijn naam niet”, antwoordde hij.
   “Maar zij toch wel?”
   “Alleen mijn voornaam, en ik ben zeker van dat ze die nooit aan een ander zal gezegd hebben. Ze vertelde mij eens dat iedereen erg nieuwsgierig was naar mijn naam, maar dat ze altijd antwoordde dat mijn naam 'Toverprins' was. Dat was lief van haar. Je moet voor mij een schets van Sybil maken, Basil. Ik zou graag nog iets meer van haar hebben dan de herinnering aan een paar kussen en enkele lieve woordjes.”
   “Ik zal het proberen, Dorian, als ik je daarmee een plezier kan doen. Maar je moet zelf nog eens voor mij komen poseren. Ik kan niets doen zonder jou.”
   “Ik kan nooit meer voor jou poseren, Basil. Dat is onmogelijk!”, riep hij uit, opschrikkend.
   De schilder staarde hem aan. “Maar jongenlief, wat een nonsens!”, riep hij. “Vind je het portret dat ik van je maakte soms niet goed? Waar is het? Waarom heb je dat scherm ervoor getrokken? Laat mij het zien. Het is het beste wat ik ooit gemaakt heb. Toe, neem het scherm weg, Dorian. Het is toch een schande dat jouw knecht mijn werk zo verstopt. Ik voelde dat de kamer anders was toen ik binnenkwam.”
   “Mijn knecht heeft er niets mee te maken, Basil. Je denkt toch niet, dat ik hem mijn kamer laat inrichten. Hij maakt soms een boeket voor mij, dat is alles. Nee, ik deed het zelf. Het licht viel er zo sterk op.”
   “Het licht! Dat kan niet, kerel. Het is er een prachtige plaats voor. Laat mij het eens zien.” En Hallward liep naar de hoek van de kamer.
   Een kreet van angst ontsnapte aan Dorian Gray's lippen; hij vloog tussen het schilderij en het scherm. “Basil”, sprak hij, zeer bleek, “je mag het niet zien. Ik wil het niet.”
   “Mijn eigen werk niet zien! Dat meen je niet! Waarom zou ik het niet mogen zien?”, riep Hallward lachend.
   “Wanneer je probeert het te zien, Basil, dan geef ik je mijn woord van eer dat ik nooit meer een woord tegen je spreek zolang ik leef. Ik meen het in volle ernst. Ik geef je geen verklaring en ik verzoek je er ook niet naar te vragen. Maar denk eraan dat, wanneer je dit scherm aanraakt, alles uit is tussen ons.”
   Hallward bleef staan, als door de bliksem getroffen. Hij keek Dorian Gray in stomme verbazing aan. Hij had hem nog nooit zo gezien. De jongen was doodsbleek van opwinding. Zijn handen waren gebald en de pupillen van zijn ogen waren schijven van blauw vuur. Hij trilde over zijn hele lichaam.
   “Dorian!”
   “Spreek niet!”
   “Maar wat scheelt er aan? Ik zal er natuurlijk niet naar kijken als dat niet wilt”, sprak Basil nogal koel en zich omkerend ging hij voor het raam staan. “Maar het is te gek voor woorden dat ik mijn eigen werk niet mag zien; vooral omdat ik het dit najaar wil exposeren in Parijs. Ik moet het nog vernissen en dan zie ik het toch. Waarom dus niet vandaag?”
   “Het exposeren! Je wilt het exposeren!”, riep Dorian Gray uit en een vreemde huivering van angst kroop over hem. Zou zijn geheim aan de wereld overgeleverd worden? Zouden de mensen de mysteries van zijn leven te zien krijgen? Dat mocht niet gebeuren. Iets, hij wist niet wat, moest dat verhinderen.
   “Ja, daar kun je toch niets tegen hebben? Georges Petit is van plan mijn beste stukken te verzamelen voor een speciale expositie in de rue de Sèze; de eerste week van oktober wordt ze geopend. Het portret zal hoogstens een maand weg zijn. Zo lang kan je het toch wel missen, denk ik. Bovendien ben je dan toch de stad uit. En als je het toch achter een scherm verbergt zal het je wel niet veel kunnen schelen.”
   Dorian Gray streek met zijn hand over zijn voorhoofd waarop druppels zweet stonden te parelen. Hij voelde dat hij aan de rand van een afschuwelijke afgrond stond. “Je vertelde me een maand geleden dat je het nooit zou tentoonstellen”, riep hij. “Waarom ben je nu veranderd? Mensen zoals jij, die zichzelf standvastig noemen, hebben evenveel grillen en nukken als de anderen. Het enige onderscheid is dat jullie grillen zeer onbeduidend zijn. Je bent toch niet vergeten dat je me plechtig verzekerde dat niets je zou kunnen dwingen het naar een tentoonstelling te zenden. Je hebt tegen Harry precies hetzelfde gezegd...” Hij zweeg ineens en een licht kwam in zijn ogen. Hij herinnerde zich dat Lord Henry ooit tegen hem gezegd had: “Wanneer je een zonderlinge geschiedenis wilt horen moet je Basil vragen waarom hij je portret niet wil exposeren. Hij heeft het mij verteld en het was als een openbaring.” Ja, hij, Basil, had ook een geheim! Hij zou er hem naar vragen.
   “Basil”, sprak hij. Hij ging voor hem staan en keek hem recht in zijn gezicht, “wij hebben allebei een geheim. Zeg mij het jouwe en jij zult het mijne weten. Welke reden had je vroeger om mijn portret niet te willen exposeren?”
   De schilder huiverde in weerwil van zichzelf. “Dorian, indien ik je dat vertelde zou je zeker nog minder van mij houden dan je nu al doet en je zou mij uitlachen. Geen van beide zou ik kunnen verdragen. Indien je wenst dat ik je portret nooit meer zie dan is dat goed voor mij. Ik heb jou nog altijd om naar te kijken. Wil je dat mijn beste stuk verborgen blijft voor de wereld dan is dat ook goed voor mij. Jouw vriendschap is mij meer waard dan mijn naam of mijn roem.”
   “Nee, Basil, je moet het mij vertellen”, drong Dorian Gray aan. “Ik heb het recht het te weten.” Zijn gevoel van angst was voorbij; nieuwsgierigheid was in de plaats gekomen. Hij was vast besloten Basil Hallwards geheim te ontsluieren.
   “Laten we gaan zitten, Dorian” zei de schilder enigszins verward. “Laten we gaan zitten. En beantwoord één vraag. Heb je in het portret iets opgemerkt, iets dat je misschien in het begin niet getroffen heeft, maar dat zich ineens aan je geopenbaard heeft?”
   “Basil!”, riep de jongen en klemde zich met trillende handen vast aan de armen van zijn stoel; hij staarde hem aan met woeste, angstige ogen.
   “Je hebt het gezien. Zeg niets! Wacht tot je gehoord hebt, wat ik je te zeggen heb. Dorian, vanaf het ogenblik dat ik je ontmoette, had je een persoonlijke invloed op mij, zoals ik nooit te voren ondervonden had. Ik was bezeten van jou; mijn ziel, mijn geest, mijn kracht was vervuld van jou. Je werd voor mij de zichtbare belichaming van dat nooit aanschouwde ideaal, waarvan de herinnering bij ons, kunstenaars, rondspookt als een exquise droom. Ik aanbad je. Ik werd jaloers op iedereen tegen wie je sprak. Ik wou je geheel voor mijzelf hebben. Ik was enkel gelukkig wanneer ik bij jou was. Wanneer je van mij weg was, was je toch nog aanwezig in mijn kunst! Natuurlijk heb ik je dat nooit laten merken. Dat zou onmogelijk geweest zijn. Je zou het niet begrepen hebben. Ik begreep het zelf ook nauwelijks. Ik wist alleen dat ik een volmaaktheid had aanschouwd en dat de wereld wondermooi werd in mijn ogen, te mooi misschien, want dergelijke aanbiddingen zijn gevaarlijk, gevaarlijk om te verliezen, gevaarlijk om te hebben... Weken en weken gingen voorbij en ik ging meer en meer in je op. Toen kwam er een nieuwe fase. Ik had je geschilderd als Paris in een sierlijk harnas en als Adonis in een dierenhuid met een blinkende speer. Gekroond met zware lotusbloesems zat je vooraan op de bark van Adrianus, starend over de groene, woelige Nijl. Je stond gebogen over de stille vijver in een Grieks woud en bewonderde in het vlakke zilver van het water je eigen schoonheid. En het was wat kunst altijd zijn moest, onbewust, ideaal en ver af. Op een dag - een noodlottige dag denk ik nu - besloot ik een portret van je te maken zoals je werkelijk bent, niet in een kostuum uit voorbije eeuwen maar in je eigen kleren en in je eigen tijd. Of het nu kwam door het realisme van de methode of door de zuivere bewondering van je wezen, zo zonder sluier aan mij geopenbaard, kan ik niet zeggen. Maar ik weet dat, terwijl ik eraan werkte, elk laagje, elk vlekje kleur mijn geheim openbaarde. Ik werd bang dat vreemden mijn aanbidding zouden zien. Ik voelde, Dorian, dat ik te veel van mezelf erin had gelegd. Toen besloot ik het portret nooit te exposeren. Je was een beetje boos, maar je begreep toen ook niet wat het voor mij was. Harry, met wie ik erover sprak, lachte mij uit. Maar dat kon mij niet schelen. Toen het portret af was, en ik er alleen voor zat, voelde ik dat het een juiste beslissing was. Wel, een paar dagen daarna moest ik er tijdelijk afstand van doen en zodra ik de vreemde bekoring die het uitstraalde, kwijt was, scheen het mij toe dat ik heel dwaas was geweest om er iets meer in te zien dan dat jij een mooie jongen was en ik tamelijk goed kon schilderen. Zelfs nu nog denk ik dat het verkeerd is te geloven dat de passie welke men voelt tijdens het scheppen zichtbaar zou zijn in het geschapene. Kunst is altijd veel abstracter dan onze gedachten zijn. Lijnen en kleuren spreken tegen ons over kleuren en lijnen, dat is alles. Ik vind dikwijls dat kunst de artist veel meer verbergt dan dat ze hem openbaart. En toen ik dus nu dit aanbod kreeg voor Parijs, besloot ik jouw portret tot het belangrijkste in mijn verzameling te maken. Het kwam nooit in mij op dat je zou weigeren. Ik zie nu dat je gelijk hebt. Het portret kan niet geëxposeerd worden. Wees niet boos op mij, Dorian, om wat ik je verteld heb. Want, zoals ik ooit tegen Harry zei, je bent geboren om aanbeden te worden.”
   Dorian Gray haalde diep adem. De kleur kwam terug op zijn wangen, de glimlach op zijn lippen. Het gevaar was voorbij. Op dit ogenblik was hij veilig. Maar hij kon niet nalaten een oneindig medelijden te voelen met de schilder die hem deze vreemde biecht had gedaan en hij vroeg zich af of ook hij ooit zo overheerst zou worden door het wezen van een vriend. Lord Henry bezat de charme van het gevaar. Dat was alles. Hij was te knap en te cynisch om werkelijk van hem te kunnen houden. Zou er ooit iemand komen die hem zou vervullen met zulk een vreemde aanbidding? Was dat één van de dingen die het leven voor hem weggelegd had?
   “Het is buitengewoon, Dorian”, zei Hallward, “dat je dit in het portret zou opgemerkt hebben. Heb je het er echt in gezien?”
   “Ik zag er iets in”, antwoordde hij, “iets dat mij vreemd toescheen.”
   “Mag ik het nu even zien?”
   Dorian schudde het hoofd. “Dat moet je mij niet vragen, Basil. Ik kan je onmogelijk het portret laten zien.”
   “Maar een andere keer toch wel?”
   “Nooit.”
   “Wel, misschien heb je gelijk. En nu adieu, Dorian. Je bent de enige persoon die invloed op mijn kunst heeft gehad. Wat ik ooit goed deed, heb ik aan jou te danken. Oh! je weet niet wat het mij kostte je alles te vertellen wat ik zo even zei.”
   “Mijn beste Basil”, zei Dorian, “wat heb je mij nu verteld? Eenvoudig, dat je mij teveel bewonderde. Dat is niet eens een compliment.”
   “Het was ook niet bedoeld als een compliment. Het was een biecht. Nu ik die gedaan heb is het of er iets uit mij weg is. Misschien moet een mens nooit zijn aanbidding onder woorden brengen.”
   “Het was een biecht, die mij erg tegenviel.”
   “Maar wat verwachtte je dan, Dorian? Je hebt toch niets anders in het portret gezien, wel? Er was immers niets anders in te zien.”
   “Nee, niets anders. Waarom vraag je dat? Maar je moet niet zo van aanbidden spreken. Dat is dwaas. We zijn vrienden, Basil en dat moeten we blijven.”
   “Je hebt Harry toch”, sprak de schilder treurig.
   “O Harry!”, lachte de jongen. “Harry brengt zijn dagen door met onmogelijke dingen te zeggen, en zijn avonden met onmogelijke dingen te doen. Zo een leven wil ik ook leiden. Maar toch geloof ik niet dat ik naar Harry zou gaan wanneer ik verdriet had. Ik zou eerder bij jou komen, Basil.”
   “Wil je weer eens voor mij poseren?”
   “Onmogelijk!”
   “Je vernietigt mijn leven als kunstenaar door dit te weigeren, Dorian. Niemand ontmoet twee idealen. Slechts enkelingen hebben soms het geluk er één te ontmoeten.”
   “Ik mag je niet zeggen waarom, Basil, maar ik kan nooit meer voor jou poseren. Er is iets noodlottig in een portret. Het heeft een eigen leven. Ik zal bij je komen thee drinken, dat is even gezellig.”
   “Alleen voor jou, vrees ik” mompelde Hallward met een zucht van spijt. “En nu, adieu. Het spijt me dat ik het portret niet heb kunnen zien. Maar er is niets aan te doen. Ik begrijp heel goed, waarom je het liever niet wilt.”
   Toen hij de kamer verlaten had glimlachte Dorian Gray. Arme Basil! Hoe weinig wist hij af van de ware reden! En hoe vreemd dat, in plaats van zijn eigen geheim te moeten openbaren, hij bijna toevallig doorgedrongen was in het geheim van zijn vriend. Hoeveel dingen maakte die vreemde biecht hem nu niet duidelijk! Die dwaze buien van jaloezie, zijn hartstochtelijke toewijding, zijn buitensporige loftuigingen, zijn vreemde terughoudendheid hij begreep ze nu en hij voelde er spijt over. Het scheen hem toe dat er iets tragisch school in een vriendschap die met zoveel verbeelding gekleurd was.
   Hij zuchtte en drukte op de bel. Het portret moest verborgen worden. Hij kon het niet opnieuw aan een mogelijke ontdekking blootstellen. Het was dom van hem het ding nog langer dan een uur te laten staan in een kamer waar al zijn kennisen toegang tot hadden.



10 Hoofdstuk 10


  

Toen de knecht binnenkwam keek hij hem onderzoekend aan, zich afvragend of hij eraan gedacht zou hebben achter het scherm te kijken. De man stond onbeweeglijk en wachtte af. Dorian stak een sigaret op, ging voor de spiegel staan en wierp er een blik er in. Hij kon zo de weerkaatsing van Victors gezicht zien, een onverstoorbaar masker van dienstbaarheid. Van hem was dus nog niets te vrezen. Maar het was altijd goed op zijn hoede te zijn.
   Langzaam verzocht hij hem de huishoudster bij zich te laten komen, vervolgens naar de lijstenmaker te gaan en hem te vragen twee bedienden te zenden. Het scheen hem toe dat, toen de knecht de kamer verliet, zijn ogen naar het scherm dwaalden. Of verbeeldde hij het zich maar?
   Kort daarop ritselde Mrs. Leaf in haar zwart zijden kleed, met ouderwetse katoenen mitaines over de gerimpelde handen, de bibliotheek binnen. Hij vroeg naar de sleutel van de studeerkamer.
   “De oude studeerkamer, Mr. Dorian?”, riep zij uit. “Maar die ligt vol stof. Ik moet ze eerst schoonmaken en opruimen voor u erin kunt. U kunt er zo echt niet ingaan, echt niet.”
   “Opruimen is niet nodig, Leaf. Geef mij de sleutel maar.”
   “Maar meneer, u zult begraven worden onder de spinnenwebben. De kamer is in geen vijf jaar open geweest. Niet meer na de dood van de oude Lord.”
   Hij schrok op bij de herinnering aan zijn grootvader. Hij had geen prettige herinneringen aan hem. “Dat doet er niet toe”, antwoordde hij. “Ik wil ze enkel eens zien, dat is alles. Geef mij de sleutel.”
   “Hier is de sleutel, meneer”, sprak de oude dame en ze zocht met bevende onzekere vingers in haar sleutelbos. “Hier is de sleutel. Ik zal hem dadelijk van de ring nemen. Maar u denkt er toch niet over boven uw kamer te nemen? Het is hier pas zo netjes gemaakt.”
   “Nee, nee”, riep hij ongeduldig. “Dank je wel, Leaf. Zo is het in orde.”
   Ze draalde nog enige ogenblikken en deed erg druk over een kleinigheid in het huishouden. Hij zuchtte en zei haar dat ze mocht doen wat ze wou. Zij verliet de kamer met een stralende glimlach.
   Toen de deur dicht was stak Dorian de sleutel in zijn zak en keek rond in de kamer. Zijn oog viel op een groot purperen satijnen kleed, zwaar geborduurd met gouddraad, een prachtig stuk uit de zeventiende eeuw, Venetiaans werk, door zijn grootvader in een klooster in Bologna gevonden. Het was uitstekend geschikt om dat verschrikkelijke ding te bedekken. Het had waarschijnlijk al vaak dienst gedaan als lijkkleed voor doden. Nu zou het iets verbergen dat de verrotting in zichzelf had, erger nog dan de verrotting van de dood; iets dat tot een gruwel zou ontbinden maar toch nooit zou sterven. Wat de wormen waren voor het lichaam, zouden zijn zonden zijn voor het geschilderde portret. Ze zouden die schoonheid ontsieren, die gratie doen wegrotten. Ze zouden het bezoedelen en onteren. En toch zou het altijd blijven bestaan. Het zou altijd blijven leven.
   Hij rilde en even voelde hij spijt dat hij niet alles eerlijk gezegd had tegen Basil. Basil zou hem geholpen hebben Lord Henry's invloed, en de nog giftiger uitwasemingen van zijn eigen karakter te niet te doen. De liefde die Basil voor hem voelde - want het was waarlijk liefde - had niets in zich dat niet mooi en intellectueel was. Het was niet de fysieke bewondering van schoonheid, geboren uit zinnelijkheid en stervend wanneer de zinnen verzadigd zijn. Het was een liefde zoals Michelangelo, Montaigne, Shakespeare en Winckelman gekend hadden. Ja, Basil had hem kunnen redden. Maar het was nu te laat. Het verleden kon altijd uitgewist worden door berouw, zelfopoffering of... door het te vergeten. Maar de toekomst was onvermijdelijk. Er woedden passies in hem die zich met geweld een uitweg zouden banen, dromen die de schimmen van zonde tot werkelijkheid zouden maken.
   Hij trok het grote purpergouden weefsel van de sofa en nam het mee achter het scherm. Was het gezicht op het doek nog lelijker geworden dan vroeger? Het leek hem hetzelfde maar zijn afschuw ervan was intenser geworden. Gouden haren, blauwe ogen, rode lippen, dat alles was er nog. Slechts de uitdrukking was veranderd. Dat was verschrikkelijk wreed. Hoe flauwtjes waren Basils verwijten geweest over Sybil Vane, vergeleken bij de veroordelingen en verwijten welke hij in het portret zag! - hoe flauw en zonder betekenis. Zijn eigen ziel staarde hem aan vanaf het doek en dwong hem tot een oordeel. Een trek van pijn kwam in zijn ogen en hij slingerde het kostbare lijkkleed over de schilderij. Terwijl hij dit deed werd er op de deur geklopt. Hij liep op en neer toen de knecht binnenkwam.
   “De bedienden zijn daar, meneer!”
   Hij voelde dat hij die man voor enkele ogenblikken kwijt moest. Hij mocht niet weten naar waar het portret werd gebracht. Er was zo iets sluiperig in hem en hij had zulke slimme, verraderlijke ogen. Hij zette zich voor zijn schrijftafel, krabbelde een briefje aan Lord Henry, vroeg hem wat lectuur te zenden, en herinnerde hem eraan dat zij elkaar die avond om kwart over acht zouden ontmoeten.
   “Op antwoord wachten...”, zei hij, hem het briefje aanreikend, “en laat die mensen maar binnen.”
   Twee, drie minuten later werd er weer geklopt en Mr. Hubbard, de beroemde lijstenmaker van South-Audley Street kwam binnen met een jonge knecht, lomp van uiterlijk. Mr. Hubbard was een blozend mannetje met rosse knevels, wiens bewondering voor de kunst aanmerkelijk getemperd was door het eeuwige geldgebrek van de artisten waarmee hij te doen had. In de regel verliet hij nooit zijn winkel. Hij liet de mensen bij zich komen. Maar hij maakte altijd een uitzondering voor Dorian Gray. Er was iets in Dorian Gray dat iedereen betoverde. Hem alleen nog maar zien was een genot.
   “Wat kan ik voor u doen, Mr. Gray?”, zei hij, zijn vette, gerimpelde handen over elkaar wrijvend. “Ik dacht dat ik maar best de vrijheid kon nemen zelf bij u te komen. Ik heb zonet een pracht van een lijst op een verkoop gekocht. Oud-florentijns, van Fonthill afkomstig denk ik. Uitermate geschikt voor een godsdienstig onderwerp, Mr. Gray.”
   “Het spijt mij, dat u de moeite heeft genomen om zelf te komen, Mr. Hubbard. Ik zal zeker eens komen kijken naar uw lijst, hoewel ik op het ogenblik niet erg bezig ben met kerkelijke kunst. Maar vandaag wou ik alleen maar een schilderij naar boven gedragen hebben. Het is heel zwaar en daarom wilde ik graag een paar werklui van u hebben.”
   “In het geheel geen moeite, Mr. Gray. Ik ben zeer blij u van dienst te kunnen zijn. Waar is het stuk, meneer?”
   “Hier”, antwoordde Dorian en schoof het scherm weg. “Kunt u het met kleed en al, zoals het nu is, verplaatsen? Ik ben bang, dat het anders op de gang bekrast zal worden.”
   “Dat zal heel goed gaan, meneer”, sprak de gulle lijstenmaker en begon met zijn helper het schilderij van de lange koperen kettingen, waaraan het hing, los te haken. “En naar waar moeten wij het nu brengen, Mr. Gray?”
   “Ik zal u de weg wijzen, Mr. Hubbard, indien u zo goed wilt zijn mij te volgen. Of misschien is het beter, dat u voor gaat. Het is helemaal op de bovenste verdieping. We zullen de grote trap maar opgaan, die is ruimer.”
   Hij hield de deur voor hen open, ze gingen de gang door en begonnen aan de tocht. De rijk versierde lijst had het portret kolossaal gemaakt en nu en dan moest Dorian zelf een handje meehelpen om het gevaarte te besturen ondanks het hevig protest van Mr. Hubbard die, net zoals iedere werkman er een hekel aan had een heer iets nuttig te zien doen.
   “Het is nogal een vrachtje, meneer”, steunde het mannetje toen zij boven aan de trap kwamen. En hij veegde zijn glimmend voorhoofd af.
   “Ja, het is nogal zwaar”, mompelde Dorian, terwijl hij de deur opende van de kamer waarin hij dit vreemde geheim van zijn leven zou bewaren, waar hij zijn ziel zou verbergen voor de ogen van de mensen.
   Hij was in geen vier jaar in die kamer geweest, niet meer sinds ze eerst als kinderkamer en later als studeerkamer was gebruikt. Het was een groot, ruim vertrek door Lord Kelso gebouwd, speciaal voor zijn kleinzoon, die hij om de gelijkenis met zijn moeder en om nog andere redenen altijd gehaat en zover mogelijk van zich gehouden had. Dorian vond dat de kamer weinig veranderd was. Nog altijd stond de grote Italiaanse cassone er, met fantastisch uitgesneden panelen en dof vergulde kantlijnen, waarin hij zich als jongen zo vaak verborgen had. Hier stond de boekenkast vol schoolboeken met ezelsoren. Aan de muur hing hetzelfde versleten Vlaamse gobelin, waar een verkleurde koning en koningin schaak speelden in een tuin, terwijl een stoet valkeniers, met overkapte vogels op de geharnaste polsen, voorbij reed. Hoe goed herinnerde hij zich alles nog. Herinnering na herinnering aan zijn eenzame kinderjaren kwam weer bij hem op terwijl hij rondkeek. Hij zag de onschuld van zijn jongensleven weer voor zich en het leek hem verschrikkelijk dat net hier dat noodlottige portret verborgen moest worden. Hoe weinig had hij in die lang vervlogen dagen kunnen vermoeden wat hem nog te wachten stond.
   Maar er was in het hele huis geen andere plaats zo veilig voor onbescheiden blikken als deze. Hij had de sleutel en niemand kon er binnen. Onder het purperen lijkkleed kon dat gelaat ongestoord verdierlijken, bezoedeld en onteerd worden. Wat deed het er toe? Niemand zou het zien. Hijzelf ook niet. Waarom zou hij die afschuwelijke ontbinding van zijn ziel gadeslaan? Hij behield zijn jeugd, dat was voor hem voldoende. En bovendien, zou het niet kunnen dat zijn karakter zich veredelde? Er was geen reden waarom de toekomst zo vol schande zou zijn. Wellicht zou een mooie liefde zich in zijn leven verweven, hem louteren, beschermen voor de zonden, die reeds in zijn geest en lichaam woelden: vreemde, onzegbare zonden, die hun bekoring en subtiliteit ontleenden aan dat onzegbare. Misschien zou de wrede trek om die fijne mond ooit terug verdwijnen, zou hij het meesterwerk van Basil Halward terug aan de wereld kunnen tonen.
   Nee, dat was onmogelijk. Uur na uur, dag na dag werd het portret ouder. Het kon de afzichtelijkheid van zijn zonden ontlopen, maar de afzichtelijkheid van de ouderdom niet. De wangen zouden hol en slap worden. Gele hanepoten zouden rond de fletse ogen kruipen. Het haar zou zijn glans verliezen, de mond invallen, openhangen, idioot of grof worden, zoals de monden van oude mensen. Het zou de gerimpelde hals, de kille, blauw geaderde handen en het gebogen lichaam krijgen van zijn grootvader, die zo streng voor hem was geweest in zijn jongensjaren. Het portret moest verborgen worden. Er was niets aan te doen.
   “Breng het maar binnen, Mr. Hubbard”, sprak hij vermoeid, zich omkerend. “Het spijt mij, dat ik u zo lang liet wachten. Ik dacht aan iets anders.”
   “Het doet altijd goed wat uit te rusten, Mr. Gray”, antwoordde de lijstenmaker, die nog naar adem snakte. “Waar moet het staan meneer?”
   “O, dat doet er niet toe. Hier, hier is het goed. Ik wil het niet ophangen. Zet het maar tegen de muur aan. Dank u.”
   “Mag ik het kunstwerk eens zien, meneer?”
   Dorian ontstelde. “Het zou u niet interesseren, Mr. Hubbard”, sprak hij, hem vast aankijkend. Hij voelde zich klaar om op hem te springen, hem op de grond te gooien, als hij maar een vinger uitstak naar het schitterende voorhang dat het geheim van zijn leven bedekte. “Iets anders heb ik niet meer voor u te doen. Ik dank u voor de moeite dat u zelf gekomen bent.”
   “In het geheel niet, Mr. Gray. Altijd bereid iets voor u te doen, meneer”. En Mr. Hubbard strompelde de trap af, gevolgd door zijn knecht, die naar Dorian opkeek met een blik van verlegen bewondering in zijn grof, lelijk gezicht. Hij had nog nooit iemand gezien die zó mooi was.
   Toen het geluid van hun voetstappen wegstierf sloot Dorian de deur en stak de sleutel in zijn zak. Nu voelde hij zich veilig. Niemand zou ooit het gruwelijke ding zien. Geen oog zou zijn schande aanschouwen.
   Terug in de bibliotheek zag hij dat het net vijf uur was en dat de thee al klaar stond. Er lag een briefje van Lord Henry, daarnaast een boek in een gele band, de omslag half gescheurd, hier en daar gevlekt. Een exemplaar van de derde editie van de St. James Gazette lag op het theeblad. Victor was blijkbaar al terug. Zou hij die mannen in de gang ontmoet hebben, hen uitgehoord hebben over wat ze gedaan hadden? Hij zou natuurlijk het schilderij missen, had het zeker al gemist, terwijl hij het theeblad binnenbracht. Het scherm was nog niet terug geplaatst en er was een leegte aan de muur. En wat indien Victor 's nachts naar boven sloop en de deur van de kamer trachtte open te breken? Het was ellendig een spion in huis te hebben. Hij had verhalen gehoord over rijke mensen wiens hele leven verpest was omdat de knecht een brief had gelezen, een gesprek had gehoord, een kaartje met een adres had opengemaakt, of op een kussen een verwelkte bloem of een stukje kant had gevonden.
   Hij zuchtte, schonk zich een kop thee in en opende Lord Henry's briefje. Het vertelde alleen maar dat hij hem een krant opstuurde en een boek dat hem misschien zou interesseren en dat hij om kwart na acht in de club zou zijn. Langzaam vouwde hij de St. James Gazette open en keek ze door. Een rode potloodstreep op de vijfde bladzijde trok zijn aandacht. Ze markeerde de volgende paragraaf:

   Lijkschouwing van een actrice. Deze ochtend heeft in de Bell Tavern, Hoxton Road, Mr. Danby, districtsrechter, het lijk van Sybil Vane onderzocht, een jonge actrice van het Royal Theatre, Holborn. De uitspraak luidde dat de dood door een ongeluk was teweeggebracht. Groot medelijden werd betoond voor de moeder van de overledene, die zeer aangedaan was tijdens het afleggen van haar getuigenis en die van Dr. Birell, die de lijkschouwing uitgevoerd had.

   Hij fronste de wenkbrauwen en de krant in tweeën scheurend liep hij door de kamer en wierp de stukken weg. Hoe lelijk was dat alles. En wat maakt lelijkheid de dingen toch hinderlijk echt. Hij was ontstemd dat Lord Henry hem dat bericht gezonden had. En het was heel dom van hem het zo met rood potlood aan te strepen. Victor kon het gelezen hebben. De man kende er meer dan genoeg Engels voor.
   Misschien hàd hij het gelezen en begon hij al iets te vermoeden. Maar wat kon het hem schelen. Wat had Dorian Gray te maken met de dood van Sybil Vane? Er was niets waarvoor hij bang moest zijn. Dorian Gray had haar immers niet vermoord.
   Zijn blik viel op het gele boek dat Lord Henry hem gezonden had. Wat zou het zijn? Hij ging naar het parelmoerkleurige, achtkantige tafeltje, dat hem altijd deed denken aan het werk van vreemde Egyptische bijen die hun honingraten in het zilver hadden gemaakt; het boek opnemend wierp hij zich in een fauteuil en begon de bladzijden om te slaan. Al gauw was hij er in verdiept. Het was het vreemdste boek dat hij ooit gelezen had. Het was of alle zonden van de wereld in fijne sluiers, als een zwijgende processie, voor hem heen trokken op de zilveren tonen van fluiten. Dingen, waarvan hij nooit gedroomd had trokken langzaam als openbaringen aan hem voorbij.
   Het was een novelle zonder intrige en met slechts één karakter, een psychologische studie van een jonge Parijzenaar die zich tot levensdoel had gesteld om alle passies en denkwijzen van de vorige eeuwen te verwezenlijken in de negentiende eeuw, alsof hij voor zichzelf een inventaris wou maken van alle verschillende fases welke de wereld doorleefd had. De stijl ervan was een stijl vol schitteringen, levendig en duister tegelijkertijd, vol argot en archaïsme, technische uitdrukkingen en overdreven beelden, een stijl die enkele van de beste van de Franse symbolisten kenmerkt. Er waren metaforen, fantastisch als orchideeën en even subtiel van kleur. Het zinnelijke leven werd beschreven in termen van mystieke wijsbegeerte. Men wist soms niet of het ging over de spirituele extases van een middeleeuwse heilige of over de sombere biecht van een moderne zondaar. Het was een boek vol gif. Een zware geur van wierook scheen over de bladzijden te hangen en de hersens te bedwelmen. Het ritme van de zinnen, de geraffineerde eentonigheid van de muziek met complexe refreinen en vaak terugkerende maten, bracht de geest van de jongeman, terwijl hij hoofdstuk na hoofdstuk las, in een peinzende stemming, in een koortsige droom, die hem onbewust maakte voor de wegstervende dag en de binnensluipende schaduwen.
   Strak, zonder wolken, slechts doorpriemd met één enkele ster, glom een kopergroene lucht door de ramen. Hij las bij dat fletse schijnsel tot hij niet meer lezen kon. Toen, nadat zijn knecht hem enkele malen had gewaarschuwd dat het al laat was, stond hij op, ging naar de andere kamer, legde het boek op het Florentijnse tafeltje naast zijn bed en begon zich te kleden.
   Het was bijna negen uur voor hij in de club was, waar hij Lord Henry aantrof met een verveeld gezicht.
   “Het spijt me, Harry”, riep hij, “maar het was wel jouw schuld. Je boek heeft me zo betoverd dat ik de tijd vergat.”
   “Ja, ik dacht wel, dat je het mooi zou vinden”, antwoordde Lord Henry opstaande.
   “Dat heb ik niet gezegd, Harry, ik zei dat het mij betoverde. Dat is een groot verschil.”
   “Zo, heb je dat nu ontdekt?”, fluisterde Lord Henry. En ze gingen de eetzaal binnen.



11 Hoofdstuk 11


  

Gedurende verschillende jaren kon Dorian Gray de invloed van dit boek niet van zich afschudden. Misschien is het juister te zeggen dat hij het nooit echt probeerde. Hij bestelde in Parijs niet minder dan negen prachtexemplaren en liet ze in verschillende kleuren inbinden, zodat ze met de veranderlijke buien en wisselende stemmingen van zijn natuur, die hij niet meer kon beheersen, in harmonie zouden zijn. De held, een jonge Parijzenaar in wie het romantische en het wetenschappelijke temperament zo vreemd dooreen gemengd was, werd meer en meer een evenbeeld van hem. En het scheen hem toe of het boek zijn eigen levensgeschiedenis bevatte, geschreven nog voor hij nog geboren was.
   In één opzicht was hij gelukkiger dan de fantastische held uit zijn roman. Hij kende nooit, en hoefde die trouwens ook nooit te kennen, de groteske angst voor spiegels, gepolijste metalen en stille waters, die de jonge Parijzenaar reeds vroeg in zijn leven leerde verafschuwen door het plotselinge verval van zijn schoonheid die ooit buitengewoon was geweest. Het was met een bijna wreed genot - en misschien schuilt er in ieder genot zowel als in ieder genoegen een zweem van wreedheid - dat hij het laatste deel van het boek las, het deel met de tragische ietwat overdreven beschrijving van het verdriet en de wanhoop van iemand, die zelf verloren had wat hij bij anderen in de wereld het meest op prijs stelde.
   Want die bijzondere schoonheid, welke Basil Hallward zo bekoord had en vele anderen met hem, scheen hem nooit te verlaten. Zelfs zij die zeer veel slechts over hem gehoord hadden - want nu en dan deden in Londen vreemde geruchten de ronde over zijn manier van leven en sprak men in de clubs afkeurend over hem - zelfs zij konden niet aan zijn schande geloven wanneer ze hem zagen. Hij zag er altijd uit of hij smetteloos door de wereld ging. Ruwe woorden verstomden wanneer Dorian Gray een kamer binnenkwam. Er was iets in de zuiverheid van zijn gezicht dat anderen deed zwijgen. Alleen zijn aanwezigheid scheen hen te herinneren aan de onschuld die ze zelf verloren hadden. Men verwonderde zich erover dat iemand die zo bekoorlijk en bevallig was als hij, ontsnapte aan de besmetting van een eeuw, even gemeen als zinnelijk.
   Terugkerend uit één van die langdurige en geheimzinnige afwezigheden die aanleiding gaven tot de meest wilde speculaties, sloop hij vaak stil naar boven, naar de afgesloten kamer, opende de deur met de sleutel die hem nu nooit meer verliet en stond dan met een spiegel voor het portret; hij keek dan beurtelings naar het lelijke, afgeleefde gezicht op het doek en naar dat mooie, jonge gelaat dat hem vanuit het spiegelglas toelachte. Vooral dat scherpe contrast prikkelde zijn genot. Hij werd meer en meer verliefd op zijn eigen schoonheid, meer en meer geïnteresseerd in het verderf van zijn eigen ziel. Hij kon met de meeste zorg en soms met een monsterachtig afschuwelijk genoegen de slechte lijnen opzoeken die het gerimpelde voorhoofd doorgroeven of die rond de dikke, zinnelijke mond kropen en hij vroeg zich af welke sporen de gruwelijkste waren, de sporen van de zonde of die van de ouderdom. Hij hield zijn blanke handen naast de grove, gezwollen handen van het portret en glimlachte. Hij bespotte het misvormde lichaam, de verwelkende ledematen.
   Het is waar, er waren ogenblikken - 's nachts wanneer hij slapeloos in zijn eigen zacht geurende kamer lag of in een smerig hok van een beruchte herberg bij de Dokken, waar hij vaak vermomd en onder een andere naam zichzelf overgaf aan de wildste uitspattingen - ogenblikken waarop hij met medelijden dacht aan de ellende die hij over zijn ziel had gebracht, een medelijden dat des te pijnlijker was omdat het puur egoïsme was. Maar ogenblikken als deze waren zeldzaam. De nieuwsgierigheid naar het leven, welke Lord Henry het eerst in hem had gewekt toen zij samen waren in de tuin van hun vriend, nam geweldige vormen aan. Hoe meer hij wist, hoe meer hij wilde weten. Hij had een razende honger en hoe meer hij die stilde, hoe gulziger hij werd.
   Toch was hij niet onverschillig in het vervullen van zijn plichten tegenover de wereld. Eén of twee keer in de maand tijdens de winter en elke woensdagavond gedurende het seizoen stond zijn prachtig huis open voor de mensen en ontving hij de grootste musici om zijn gasten met de wonderen van hun kunst te bekoren. Zijn kleine dinertjes, waarin Lord Henry hem trouw bijstond, waren zowel bekend om de zorgvuldige keuze en plaatsing van de genodigden als om de exquise smaak van de decoraties op de tafel met fijn symfonische arrangementen van exotische bloemen, geborduurd damast en een antiek gouden en zilveren servies. Velen, vooral de jongeren, zagen dan ook in Dorian Gray de belichaming van het type waarover zij in Eton of Oxford gedroomd hadden; dat type waarin de ontwikkeling van een geleerde samenvloeide met de distinctie en manieren van een man van de wereld. Ze leken te behoren tot het gezelschap van diegenen die Dante beschrijft als te hebben geprobeerd “zichzelf perfect te maken door de schoonheid te aanbidden.” Net zoals Gautier, was hij iemand voor wie “de zichtbare wereld bestond.”
   En, zeker, hij beschouwde het leven als het eerste, het grootste van de kunsten, waarmee vergeleken alle andere kunsten slechts voorbereiding leken te zijn. Mode, waarbij iets dat echt fantastisch is voor een moment universeel wordt, en het dandyisme, dat, op zijn eigen manier, een poging is om de absolute moderniteit van schoonheid aan te nemen, hadden, natuurlijk, een fascinatie voor hem. Zijn manier van kleden, zijn doen en laten hadden een grote invloed op de jonge fatjes van de Mayfair bals en de Pallmall club, die hem in alles wat hij deed en droeg volgden en nadeden.
   Hij was meer dan bereid was om de positie aan te nemen die hem onmiddellijk na zijn meerderjarigheid werd toegekend en hij vond het een aangename gedachte om voor Londen datgene te zijn wat de auteur van de Satyricon ooit voor het keizerlijke Rome van Nero geweest was; maar toch wenste hij diep in zijn hart iets meer te zijn dan een arbiter elegantiarum, die men kon raadplegen over de wijze waarop men een juweel moet dragen, een das knopen of een wandelstok vasthouden. Hij was op zoek naar een nieuwe manier van leven die gebaseerd zou zijn op een geordend filosofisch schema en waarin de vergeestelijking van de zinnen het hoogste doel zou zijn.
   De eredienst van de zinnen was vaak - en terecht - veroordeeld omdat de mens een ingeboren angst heeft voor gevoelens en passies die sterker zijn dan hijzelf. Maar het scheen Dorian Gray toe dat de ware natuur van de zinnelijkheid nooit goed begrepen was en dat de zinnen woest en dierlijk bleven omdat de wereld ze probeerde te onderdrukken door uithongering of ze te doden door marteling in plaats van ernaar te streven ze om te vormen naar een nieuwe spiritualiteit waarin de drang naar schoonheid de overheersende karaktertrek zou zijn. Wanneer hij nadacht over de mensheid, die zich als een schim voortbewoog door de wereldgeschiedenis, werd hij overvallen door een gevoel van oneindig verlies. Zoveel was er opgeofferd en met zo weinig resultaat! Extatische, willekeurige ascese, monsterachtige zelfmartelingen en onthoudingen, voortkomend uit angst en uitmondend in een schande die nog verschrikkelijker was dan die welke ze in hun onschuld probeerden te ontvluchten, nu de natuur, met haar vreemde ironie, de anachoreet er toe bracht samen met de wilde dieren te zoeken naar voedsel en de kluizenaar aanzette om gezelschap te zoeken bij de dieren van het veld.
   Ja, net zoals Lord Henry voorspeld had, zou er een nieuw Hedonisme komen dat het leven zou herscheppen en het redden van het ruwe, harde puritanisme dat op een vreemde manier terug heropleeft in onze tijd. Het zou natuurlijk ten dienste staan van het intellect; maar zou het geen gedragscode aanhangen welke de opoffering van alle passionele ervaringen vraagt. Het doel zou de ervaring zelf zijn, niet de vruchten van die ervaring, hoe zoet of bitter ze ook waren. Het zou afstand nemen van het ascetisme, dat de zinnen doodt, en van vulgaire losbandigheid, die ze verdooft. Het zou de mensen leren zich te concentreren op de opeenvolgende nu-momenten van een leven dat zelf slechts een ogenblik duurt.
   Men wordt wel eens wakker voor de dag begint, na één van die droomloze nachten die ons doen verlangen naar de dood of naar een nacht van verschrikkingen en verwrongen genot; dan zweven er spoken door de zalen van onze geest, verschrikkelijker dan de realiteit; ondanks hun groteske onmogelijkheid trillen ze van leven. Dan sluipen er witte vingers tussen de gordijnen en ze schijnen te beven. In zwarte fantastische vormen kruipen geluidloze schaduwen in de hoeken en houden zich daar verborgen. Buiten weerklinkt het geritsel van de vogels tussen de bladeren, het geluid van mensen die naar hun werk gaan, het zuchtend gesnik van de wind na zijn verre reis over de bergen, dwalend rond het stille huis, alsof hij bang was de slaap te verdrijven uit zijn zwartpurperen grot. Dunne grijzige, gazige sluiers lossen uiteindelijk op, de één na de ander; vormen en kleuren worden helder; de dag schept de wereld opnieuw. De fletse, bleke spiegels krijgen hun geleend leven terug. De uitgebrande kaarsen staan nog waar we ze achterlieten; ernaast ligt het half uitgelezen boek dat ons boeide, de verwelkte bloem die we droegen, de brief die we te vaak hebben gelezen. Niets schijnt ouder geworden. Uit de onechte schaduwen van de nacht komt het werkelijke leven terug dat wij kennen. We moeten het terug opnemen waar we het lieten liggen en we worden bevangen door een benauwend gevoel wanneer we opnieuw energie moeten afstaan om de tredmolen van stereotype gewoontens draaiend te houden; we verlangen er hevig naar dat onze ogen op een ochtend zouden opengaan in een nieuwe wereld, in het donker hernieuwd, een wereld waarin alle dingen een frisse kleur en een nieuw geheim hebben, een wereld waarin het verleden geen plaats heeft of waarin de herinneringen in ieder geval geen pijn meer kunnen doen.
   Het scheppen van een wereld als deze scheen voor Dorian Gray het ware doel te zijn, of tenminste één van de ware doelen; en tijdens zijn jacht naar sensaties - die tezelfdertijd nieuw en heerlijk moesten zijn en dat element van vreemdheid moesten bezitten dat zo essentieel is voor romantiek - maakte hij kennis met andere manieren van denken welke niet met zijn wezen strookten maar aan wiens subtiele invloeden hij zich volledig overgaf om ze daarna, nadat hij als het ware hun kleuren had opgedronken en zijn intellectuele nieuwsgierigheid had bevredigd, achter zich te laten met die eigenaardige onverschilligheid welke niet onverenigbaar is met een hartstochtelijk karakter en die er volgens sommige psychologen zelfs een vereiste voor is.
   Op een dag deed het gerucht de ronde dat hij op het punt stond om toe te treden tot de Rooms-Katholieke kerk, en het was inderdaad zo dat de Roomse rituelen een grote aantrekkingskracht op hem uitoefenden. De dagelijkse offerande, verschrikkelijker dan al de offers van de antieke wereld, beroerde hem evenzeer door de grandioze afwijzing van zintuiglijke bewijsbaarheid als door de primitieve eenvoud van de attributen en de eeuwige pathos van de menselijke tragedie welke ze wilde symboliseren. Hij vond het zalig neer te knielen op de koude marmeren vloer, op te kijken naar de stijve, gebloemde dalmatiek van de priester die met zijn witte handen het gordijn voor het tabernakel opzij schoof, de met juwelen bezette lantaarnvormige monstrans ophief met daarin de bleke hostie waarvan men graag gelooft dat het echt panis coelestis is, het hemels brood; of hoe hij, gekleed in de gewaden van de passie van Christus, de hostie brak over de kelk en zich op de borst sloeg vanwege zijn zonden. De rokende wierookvaten, die ernstige jongens in hun met kant afgezette scharlaken kleding als grote gouden bloemen de lucht inzwaaiden, hadden een subtiele bekoring voor hem. En wanneer hij naar buiten ging, keek hij verwonderd naar de zwarte biechtstoelen en voelde hij de aandrang om in de grijze schaduw van een pilaar te zitten en te luisteren naar de mannen en vrouwen die doorheen het gesloten traliewerk de echte geschiedenis van hun leven fluisterend bloot legden.
   Maar hij beging nooit de vergissing zijn intellectuele ontwikkeling te laten afremmen door de formele aanvaarding van enig geloof of systeem. Mysticisme, dat de wonderbaarlijke kracht bezit om aan gewone dingen een schijn van vreemdheid en onzegbaarheid te geven, bekoorde hem gedurende een seizoen; en in het volgend seizoen voelde hij zich aangetrokken tot de materialistische leerstellingen van de Darwinistische beweging in Duitsland en vond hij er een eigenaardig genoegen in om de gedachten en passies van de mensen te kunnen herleiden tot een parelachtige cel in de hersenen of een witte zenuw in het lichaam en hij vond het heerlijk te denken dat de geest geheel afhankelijk was van fysieke factoren, ziekelijke of gezonde, normale of ontaarde. En toch, zoals reeds vroeger over hem werd gemeld, waren alle theorieën over het leven totaal onbelangrijk in vergelijking met het leven zelf. Hij voelde zeer scherp aan hoe dor iedere geestelijke redenering is indien ze niet gevoed wordt door acties en ervaringen. Hij wist dat de zintuigen, net zoals de ziel, spirituele mysteries konden openbaren.
   En daarom maakte hij een studie over geuren en over de subtiele processen waarmee ze vervaardigd worden; hij distilleerde zwaar geurende oliën en brandde welriekende harsen uit het Oosten. Hij zag dat er geen enkele stemming van de ziel was die zijn evenbeeld niet had in het zintuiglijk leven en probeerde nu het spel van hun wederzijdse invloeden te ontsluieren, onderzoekend waarom wierook mystieke gevoelens opriep, waarom amber de hartstocht aanwakkerde, waarom viooltjes de herinnering aan dode romances oproepen, muskus het brein benevelt en champak de verbeelding prikkelt; en hij probeerde een echte psychologie van parfums op te stellen en de verschillende invloeden in te schatten van zoetruikende wortels en geurende, met stuifmeel beladen bloemen; van aromatische balsems en donkere, welriekende houtsoorten; van narduskruid dat misselijk maakt, van hovenia dat mensen gek maakt; en van aloë waarover men zegt dat het in staat is om melancholie uit de ziel te verdrijven.
   Een volgend seizoen wijdde hij zich aan de muziek en gaf vreemde concerten in een lang vertrek met antieke ruitjes, een purpergouden zoldering en muren van olijfgroen lakwerk. Woeste zigeuners tokkelden er hartstochtelijke melodieën op kleine citers; ernstige Tunesiërs, in gele kleding plukten aan de strak gespannen snaren van reusachtige luiten; grinnikende negers sloegen eentonig op koperen trommen; magere hindoes met witte tulbanden, gezeten op purperen matjes, bliezen er op lange rieten of koperen fluiten en betoverden er cobra's en gehoornde adders mee, of deden toch alsof. De ruwe klankintervallen en schrille dissonanten van de barbaarse muziek beroerden hem op ogenblikken wanneer de sierlijkheid van Schubert, de mooie treurigheid van Chopin en de machtige harmonieën van Beethoven zelf hem niet konden bekoren. Uit alle delen van de wereld verzamelde hij de vreemdste instrumenten die men vinden kon, in de graftombes van verdwenen beschavingen of bij wilde stammen die het contact met de westerse beschaving hadden overleefd, en hij hield ervan om ze aan te raken en uit te proberen. Hij bezat de geheimzinnige juruparis van de Rio-Negro indianen, welke de vrouwen nooit mogen zien en jonge mannen pas na veel vasten en geseling; de kruiken van de Peruanen die schelle vogelgeluiden voortbrengen; de fluiten van mensenbeenderen zoals Alfonso de Ovalle ze in Chili hoorde; de klankrijke groene jaspis-stenen die men bij Cuzco vindt en die een toon van wonderlijke zoetheid afgeven. Hij had beschilderde kalebassen vol kiezelsteentjes welke rammelden wanneer men ze schudde; de lange clarin van de Mexicanen waarin de speler niet blaast maar waarlangs hij de lucht aanzuigt; de krijsende ture van de stammen in het Amazone gebied waarop de schildwachten blazen die, een hele dag lang, hoog in de bomen zitten en waarvan het geluid, naar men zegt, meer dan drie mijlen kan overbruggen; de teponaztli die twee trillende tongen van hout heeft en bespeeld wordt met stokken die ingesmeerd zijn met een elastische gom uit het melkachtig sap van planten; de yotlbellen van de Azteken die in groepjes samen hangen zoals druiven; en een grote cilindervormige trommel die bespannen is met slangenvel zoals de trommel die Bernal Diaz zag toen hij met Cortes in de Mexicaanse tempel ging en over wiens klagende klank hij ons zulk een levendige beschrijving heeft nagelaten. Het fantastische karakter van deze instrumenten fascineerde hem en hij vond een vreemde vreugde in de wetenschap dat kunst, net zoals des Natuur, haar monsters bezit: dingen met een dierlijke vorm en afschuwelijke stemmen. Maar na een tijdje had hij er genoeg van en zat hij in zijn loge in de opera, alleen of met Lord Henry, in vervoering te luisteren naar “Tannhauser” en herkende hij in de prelude van dat grote kunstwerk een afspiegeling van zijn eigen tragsche ziel.
   Bij een volgende gelegenheid stortte hij zich op de studie van juwelen en verscheen op een gekostumeerd bal als Anne de Joyeuse, admiraal van Frankrijk, in een kostuum met daarop vijfhonderdzestig parels geborduurd. Deze voorliefde bleef hem nog jaren boeien en men zou kunnen zeggen dat ze hem nooit meer verliet. Hij kon vaak een hele dag doorbrengen met het rangschikken en herschikken van de edelstenen in hun doosjes, stenen die hij verzameld had zoals de olijfgroene chrysoberyl die rood wordt onder het licht van een lamp, de cymofaan met zijn strepen die op zilverdraad leken, de pistachekleurige peridoot, rozerode en wijngele topazen, karbonkels met een vurige scharlaken gloed en zinderende vierstralige sterren, vuurrode stenen, oranje en paarse spinellen en amethysten met hun afwisselende lagen van robijn en safier. Hij hield van de rood-gouden kleur van de zonnesteen en de parelachtige witheid van de maansteen, en de gebroken regenboog van het melkachtige opaal. Hij liet uit Amsterdam drie smaragden komen, uitzonderlijk door hun afmetingen en kleurrijkdom en hij had een turkoois van la vieille roche waar alle kenners jaloers op waren.
   Ook maakte hij kennis met wonderbare verhalen over juwelen. In Alphonso's Clericalis Disciplina wordt een slang vermeld die ogen had van echte hyacint en in de romantische geschiedenis van Alexander, de veroveraar van Emathia, werd gezegd dat hij in de vallei van Jordanië slangen had gevonden “op wiens rug snoeren van echte smaragden groeiden”. Philostratus vertelde dat er een edelsteen was gevonden in de hersens van een draak en “door hem gouden letters en een scharlaken bal te tonen” kon men het monster in een magische slaap brengen en doden. Volgens de grote alchemist, Pierre de Boniface, maakte diamant een mens onzichtbaar en agaten uit India maakten hem welsprekend. De cornelia verminderde gevaar, de hyacint maakte slaperig en de amethyst verdreef wijndampen. De granaat dreef duivels uit, en de hydropicus beroofde de maan van haar kleuren. De maansteen waste en taande met de maan, en de meloceus, waarmee men dieven kon ontmaskeren, kon alleen aangetast worden door het bloed van kinderen. Leonardus Camillus had een witte steen gezien die men uit de hersenen van een pas gedode pad had genomen en die een onfeilbaar tegengif vormde tegen alle vergiften. De bezoar, die men gevonden had in het hart van een Arabisch hert, was een tovermiddel en kon de pest genezen. In de nesten van Arabische vogels vond men de aspilaten welke, volgens Democritus, de drager beschermden tegen de gevaren van vuur.
   De koning van Ceylon reed tijdens zijn kroningsceremonie met een grote robijn in zijn hand door de stad. De poorten van het paleis van John de Priester waren “gemaakt van sardius, ingelegd met hoorn van de gehoornde adder, zodat geen mens vergif kon binnen brengen.” Op de geveltop stonden “twee gouden appels waarin twee karbonkels zaten” zodat het goud overdag licht gaf en de karbonkels 's nachts. In de vreemde roman van Lodge 'Een Margarite van Amerika' wordt gesteld dat men in de kamer van de koningin “alle eerbare dames in de wereld kon zien, gecisileerd in zilver, wanneer men kijkt door heldere spiegels van chrysoliet, karbonkels, saffieren en groene smaragden”. Marco Polo had gezien hoe de inwoners van Zipangu rose parels in de mond van de overledenen legden. Een zeemonster was verliefd geworden op de parel welke een duiker naar koning Perozes had gebracht, en had de dief gedood en zeven maanden over het verlies getreurd. Toen de Hunnen de koning in de grote put lokten slingerde hij hem weg en - vertelt Procopius - werd hij nooit meer gevonden, alhoewel keizer Anastasius er vijfhonderd goudstukken voor bood. De koning van Malabar had aan een Venetiaan een rozenkrans getoond met driehonderd en vier parels, één voor elke god die hij vereerde.
   Toen de hertog van Valentinois, zoon van Alexander VI, een bezoek bracht aan Lodewijk XII van Frankrijk, was zijn paard bedekt met bladgoud - volgens Brantone - en op zijn kap was er een dubbele rij robijnen welke een helder licht afgaven. Charles van Engeland had stijgbeugels welke versierd waren met vierhonderd eenentwintig diamanten. Richard II had een mantel wiens waarde geschat werd op dertigduizend marken en die bedekt was met balas robijnen. Hall beschrijft Hendrik VIII op zijn weg naar de Tower vlak voor zijn kroning waarbij hij “een vest van gedreven goud droeg, de placard bestikt met diamanten en andere edelstenen en een geweldige kraag rond zijn nek, gemaakt van grote rozerode spinellen.” De favorieten van James I droegen oorringen met smaragden in een zetting van goudfiligraan. Edward II gaf aan Piers Gaveston een kostuum met een roodgouden pantser, bezet met jacinten en een kraag van gouden rozen versierd met turkoois en een kalotje bezaaid met parels. Henry II droeg handschoenen welke tot aan zijn elleboog reikten en die bezaaid waren met juwelen, en hij had een valkeniershandschoen bezet met twaalf robijnen en tweeënvijftig grote oriënten. De hertogelijke hoed van Karel de Stoute, de laatste Hertog van Bourgondie in zijn geslacht, was behangen met peervormige parels en versierd met saffieren.
   Hoe exquis was het leven ooit geweest! Hoe schitterend in zijn pracht en praal! Zelfs lezen over de luxe van de doden was al heerlijk.
   Daarna richtte hij zijn aandacht op borduurwerken en op de wandtapijten die dienst deden als fresco's in de kille zalen van de noordelijke staten van Europa. Toen hij het onderwerp bestudeerde - en hij had altijd al het buitengewone vermogen gehad om zich volledig onder te dompelen in alles waarvoor zijn belangstelling gewekt was - was hij bedroefd door het verval dat de tijd in deze mooie en wonderbaarlijke dingen teweeg had gebracht. Hijzelf was daar tenminste aan ontsnapt. De ene zomer volgde op de andere, en de gele narcissen bloeiden en stierven vele malen en afschuwelijke nachten herhaalden het verhaal van hun schande, maar hij bleef onveranderd. Geen enkele winter had zijn gezicht getekend of zijn bloemachtige blos bevlekt. Hoe anders was het met materiele zaken! Wat hadden zij meegemaakt? Waar was het grote krokuskleurige kleed waarop de goden tegen de reuzen vochten, dat gemaakt was door bruine meisjes om Athena te plezieren? Waar was de reusachtige luifel die Nero over het Colosseum in Rome had laten spannen, dat titanische purperen zeil waarop een sterrennacht werd afgebeeld en Apollo die zijn triomfwagen bestuurt, getrokken door witte hengsten met gouden leidsels? Hij wou graag de vreemde tafelkleden zien die gemaakt waren voor de Priester van de Zon en waarop alle lekkernijen en etenswaren waren afgebeeld welke men voor een feest kon wensen; de lijkwade van koning Chilperic, met zijn driehonderd gouden bijen; de fantastische kleren welke de verontwaardiging van de bisschop van Pontus opwekten en die geborduurd waren met “leeuwen, panters, honden, wouden, rotsen, jagers - met werkelijk alles wat een schilder van de natuur kan afbeelden”; en de jas die Charles van Orleans ooit droeg, en op wiens mouwen de verzen van een lied waren geborduurd dat begon: “Madame, je suis tout joyeux” en daarnaast de muzikale begeleiding in gouddraad met elke noot, vierkant van vorm in die tijd, gevormd door vier parels. Hij las over de kamer die werd klaargemaakt in het paleis in Reims voor Koningin Johanna van Bourgondië en die versierd was met “dertienhonderd en tweeëntwintig papegaaien, gemaakt in borduurwerk, en versierd met het blazoen van de koning en vijfhonderd eenenzestig vlinders wiens vleugels gelijkaardig versierd waren met het blazoen van de koningin, helemaal uitgewerkt in goud”. Voor Catharina de Medicis werd een rouwbed gemaakt van zwart fluweel bespikkeld met maansikkels en zonnen. De gordijnen waren van damast, met bladrijke ranken en guirlandes, weergegeven op een zilveren ondergrond, en aan de randen afgezet met geborduurde parels, en het stond in een kamer welke behangen was met rijen zinspreuken van de koningin, uitgesneden in zwart fluweel en geappliceerd op linnen van zilverdraad. Lodewijk XIV had in zijn appartement goud-geborduurde caryatiden van vijftien voet hoog. Het staatsiebed van Sobieski, koning van Polen, was gemaakt van goudbrokaat uit Smyrna geborduurd met turkooisen verzen uit de Koran. De bedstijlen waren van verguld zilver, prachtig gesculpteerd en overvloedig ingelegd met medaillons gemaakt van email en edelstenen. Het was meegnomen uit een Turks kamp voor Wenen, en de standaard van Mohammed stond onder het schitterend vergulde baldakijn.
   En zo, gedurende een heel jaar, was hij op zoek naar de mooiste kunstwerken in textiel en borduurwerk en hij verzamelde sierlijke mousseline uit Dehli, fijn geborduurd met handvormige bladeren in gouddraad en overstikt met iriserende kevervleugels; de gazen van Dacca, die vanwege hun doorzichtigheid in het Oosten bekend staan als “geweven lucht” en “stromend water” en “avonddauw”; kleren van Java met vreemde figuren erop; doorwrochte gele Chinese draperieën; boeken ingebonden in geelbuin satijn of helder blauwe zijde en versierd met fleur-de-lis, vogels en landschappen; sluiers van lacis bewerkt met Hongaars puntwerk; Siciliaanse brokaten en stijf Spaans fluweel; Georgian borduurwerk met zijn vergulde munstukken en Japanse Foukousas met hun groenachtige gouden tinten en vogels met hun prachtig verenkleed.
   Hij had ook een speciale passie voor liturgische kleding, zoals voor alles dat verband hield met de eredienst in de Kerk. In de lange cederhouten kisten welke de westelijke galerij van zijn huis afzoomden had hij veel zeldzame en mooie exemplaren van wat werkelijk de kleding van de Bruid van Christus is, die paars moet dragen en juwelen en fijn linnen zodat ze het bleke uitgemergelde lichaam kan verbergen dat afgeleefd is door het lijden dat zij opzoekt en de wonden die door zelfkastijding zijn toegebracht. Hij bezat een prachtige mantel in karmozijnrode zijde en damast in gouddraad, versierd met een zich herhalend patroon van gouden granaatappels op een ondergrond van gestileerde zesbladige bloesems en aan elke zijde een motief van ananassen uitgewerkt met minuskule pareltjes. De goudborduursels waren onderverdeeld in panelen welke scènes uit het leven van de Heilige Maagd weergaven, en de kroning van Maria was afgebeeld op de kap in gekleurde zijde. Dit was Italiaans borduurwerk uit de vijftiende eeuw. Een andere mantel was van groen fluweel, geborduurd met hartvormige groepjes acanthus bladeren, van waaruit zich lange stengels verspreidden met daarop witte bloesems, de details hiervan waren uitgewerkt met zilverdraad en gekleurde halfedelstenen. Op het bovendeel was in relief het hoofdje van een serafijn afgebeeld met gouddraad. De goudboordsels waren geweven op een ondergrond van rode en gouden zijde, en waren bespikkeld met de medaillons van vele heiligen en martelaren, waaronder Sint Sebastiaan. Hij had ook kazuifels in amberkleurige zijde, in blauwe zijde en goud brokaat, in gele damastzijde en goudweefsel, versierd met afbeeldingen van het lijden en de kruisiging van Christus en geborduurd met leeuwen en pauwen en andere emblemen; tunieken van wit satijn en roze damastzijde, versierd met tulpen en dolfijnen en fleurs-de-lis; altaarkleden van karmozijnrood fluweel en blauw linnen; en vele doekjes, kelksluiers en zweetdoekjes. In de mystieke plechtigheden waarin deze dingen werden gebruikt was er iets dat zijn verbeelding aanvuurde.
   Maar deze schatten, en alles wat hij verzameld had in zijn mooie huis, waren voor hem slechts middelen om te vergeten, manieren waarop hij - gedurende een seizoen - kon ontsnappen aan de angst die hem op sommige ogenblikken te groot leek om nog draaglijk te zijn. Tegen de muren van de verlaten afgesloten kamer waar hij zoveel uren van zijn jeugd had doorgebracht, had hij met eigen handen het verschrikkelijke portret omhoog gehangen dat hem door de veranderende trekken de werkelijke ontaarding van zijn leven toonde, en ervoor had hij het purperen en gouden lijkkleed gehangen. Wekenlang ging hij daar niet binnen, kon hij het afschuwelijke geschilderde ding vergeten en hervond hij zijn opgewektheid, zijn verrukkelijke blijheid, zijn hartstochtelijke onderdompeling in louter bestaan. Maar dan weer, plots, op een nacht, sloop hij het huis uit, ging naar die verschrikkelijke plaatsen tegen de Blue Gate Fields, en bleef daar, dagen na elkaar, tot men hem wegjoeg. Bij zijn terugkeer ging hij voor het portret zitten, het soms vervloekend en zichzelf vervloekend, maar op andere keren vervuld van die zelfingenomen trots die de halve bekoring van zonde uitmaakt, en met geheim plezier glimlachend naar de mismaakte shaduw die de last moest dragen die hij zelf had moeten dragen.
   Na een paar jaar kon hij het niet meer verdragen om lang weg te zijn uit Engeland, en hij ging niet meer naar de villa die hij in Trouville gedeeld had met Lord Henry en ook niet meer naar het kleine huis met de witte muren in Algiers waar hij meer dan eens de winter had doorgebracht. Hij haatte het om gescheiden te zijn van het portret dat zo verstrengeld was met zijn leven en hij was ook bang dat iemand tijdens zijn afwezigheid de kamer zou binnendringen, ondanks de uitgebreide vergrendelingen welke hij op de deur had laten aanbrengen.
   Hij was er zich van bewust dat dit hen niets zou verklappen. Het was waar dat het portret, onder alle smerigheid en lelijkheid van het gezicht nog gelijkenis met hemzelf vertoonde; maar wat konden ze daaruit opmaken? Hij zou lachen met iedereen die hem iets zou willen verwijten. Hij had het niet geschilderd. Wat maakte het hem uit hoe gemeen en beschamend het eruit zag? Zelfs indien hij het hen vertelde, zouden ze het dan geloven?
   Ja hij was bang. Soms wanneer hij in zijn groot huis in Nottinghamshire was, de mondaine jonge mannen van zijn eigen stand onderhoudend die zijn beste makkers waren, het graafschap verbazend door de verkwistende luxe en schitterende pracht van zijn levensstijl, liet hij plots zijn gasten achter en haastte hij zich naar de stad om te zien of er niet geknoeid was met de deur en of het portret er nog altijd was. Wat indien men het zou stelen? Alleen al de gedachte eraan bezorgde hem een kille angst. Dan zou de wereld zeker zijn geheim kennen. Misschien vermoedde de wereld het al.
   Want, alhoewel hij velen fascineerde, waren er toch een aanzienlijk aantal die hem wantrouwden. Bijna had men hem het lidmaatschap geweigerd bij de West End club, een lidmaatschap dat hem door zijn afkomst en sociale positie rechtmatig toekwam, en bij een andere gelegenheid, toen hij door een vriend was binnengebracht in de rookkamer van de Chuchill waren de Hertog van Berwick en een andere heer opgestaan en hadden ze de kamer verlaten. Vreemde verhalen deden de ronde over hem, nadat hij vijfentwintig jaar was geworden. Er werd gefluisterd dat men hem had zien vechten tegen buitenlandse matrozen in een gemeen dievenhol in een afgelegen deel van Whitechapel, en dat hij omging met dieven en valsmunters en de geheimen van hun handel kende. Zijn buitengewone afwezigheden werden berucht en, wanneer hij terug opdook in het sociale leven waren er mannen die in een hoek stonden te fluisteren of minachtend aan hem voorbij liepen, of hem met onderzoekende ogen bekeken, alsof ze vastbesloten waren zijn geheim te ontsluieren.
   Op dergelijke onbeschaamdheden en kleineringen sloeg hij natuurlijk geen acht, en volgens de meeste mensen gaven zijn oprechte, voorkomende manieren, zijn charmante jongensachtige stijl en zijn oneindige sierlijkheid, die hem nooit schenen te verlaten, op zichzelf al een voldoend antwoord op de lasterlijke aantijgingen, want zo noemden zij hen, die over hem in omloop werden gebracht. Er werd wel opgemerkt dat enkelen die het intiemst met hem waren geweest hem na een tijdje schenen te mijden. Vrouwen die hem hartstochtelijk aanbeden hadden, en om zijnentwil de sociale censuur en de burgerlijke conventies overboord hadden gegooid, trokken bleek weg van schaamte of afschuw wanneer Dorian Gray de kamer binnenkwam.
   En toch verhoogden deze gefluisterde schandalen alleen maar zijn vreemde en gevaarlijke charme in de ogen van velen. Zijn grote rijkdom gaf hem een betrouwbare zekerheid. De maatschappij - de beschaafde maatschappij tenminste - is nooit bereid om iets kwaad te geloven over hen die zowel rijk als fascinerend zijn. Ze voelt instinctief aan dat goede manieren belangrijker zijn dan moraliteit, en, volgens haar, is een hoge respectabiliteit minder belangrijk dan het hebben van een goede kok. En, alles welbeschouwd, is het een zeer povere troost om te vernemen dat een man die een waardeloos diner heeft gegeven of miserabele wijn heeft laten schenken, een onberispelijk privéleven heeft. Zelfs de hoofddeugden kunnen de zonde van half koude voorgerechten niet goed maken, zoals Lord Henry ooit eens opmerkte in een gesprek over dat onderwerp, en er valt alleszins veel te zeggen voor dit standpunt. Want de regels in goed gezelschap zijn, of zouden dat moeten zijn, dezelfde als de regels in de kunst. De vorm is absoluut essentieel voor beiden. Hij moet de waardigheid van een ceremonie hebben, evengoed als de onnatuurlijkheid ervan, en hij zou het onoprechte karakter van een romantisch stuk moeten combineren met de geestigheid en schoonheid waardoor we dergelijke stukken heerlijk vinden. Is onoprechtheid zulk een verschrikkelijk ding? Ik denk het niet. Het is slechts een manier waarop we onze persoonlijkheid kunnen vermenigvuldigen.
   Dit althans was toch de mening van Dorian Gray. Hij verbaasde zich over de oppervlakkige psychologie van dezen die het ego in een mens beschouwen als een eenvoudig, permanent, betrouwbaar geheel. Voor hem was een mens een wezen met een myriade aan levens en gewaarwordingen, een complex veelvoudig schepsel dat in zich de vreemde erfenissen van gedachten en passies meedroeg, en wiens vlees bevlekt was met de monsterachtige ziekten van de doden. Hij hield ervan om rond te dolen in het verlaten schilderijenkabinet van zijn landhuis en te kijken naar de verschillende portretten van diegenen wiens bloed door zijn aderen stroomde. Hier was Philip Herbert, beschreven door Francis Osborne in zijn memoires over het bewind van koningin Elisabeth en koning James, als iemand die “geliefd was aan het Hof voor zijn knap gezicht, dat niet lang bij hem bleef”. Was het het leven van de jonge Herbert dat hij soms leidde? Was een vreemde, giftige kiemcel overgegaan van lichaam op lichaam tot het het zijne had bereikt? Was het een duister gevoel van vergane bevalligheid dat hem zo plotseling, en bijna zonder reden, had doen toegeven aan de waanzinnige smeekbede in de studio van Basil Hallward, en waardoor zijn leven zo veranderd was? Hier, in het goud geborduurde rode wambuis, de met juwelen bestikte overjas, en de vergulde kraag en manchetten, stond Sir Anthony Sherard, met zijn zilver en zwart harnas liggend aan zijn voeten. Wat was de erfenis van deze man geweest? Had de minnaar van Giovanna van Napels hem opgezadeld met een erfenis van zonde en schaamte? Waren zijn eigen handelingen slechts de dromen welke de dode man zelf niet had durven realiseren? Hier, vanaf het verbleekte canvas, glimlachte Lady Elisabeth Devereux, in haar gazen kap, parelmoeren keurslijf en roze gesplitte mouwen. Een bloem in haar rechterhand en haar linkerhand een geëmailleerde kraag van witte en damasten rozen omknellend. Op een tafel naast haar lagen een mandoline en een appel. Er waren grote groene rosetten op haar kleine spitse schoenen. Hij kende haar leven en de vreemde verhalen die verteld werden over haar minnaars. Had hij iets van haar temperament in hem? Deze ovale ogen met de zware oogleden schenen hem nieuwsgierig aan te kijken. En wat was er met George Willoughby, met zijn gepoederd haar en grillige huidvlekken? Hoe kwaadaardig zag hij eruit! Het gelaat was somber en betaand, en de sensuele lippen schenen verwrongen door misprijzen. Tere kanten manchetten vielen over de magere gele handen die overdreven beladen waren met ringen. Hij was een dandy uit de achttiende eeuw en was in zijn jeugd bevriend geweest met Lord Ferrars. En wat over de tweede Lord Beckenham, de metgezel van de Prins Regent in zijn wildste dagen, en één van de getuigen bij het geheime huwelijk met Mrs. Fitzherbert? Hoe fier en knap was hij, met zijn kastanjebruine krullen en onbeschaamde houding. Welke passies had hij doorgegeven? De wereld had hem beschouwd als een schandelijk iemand. Hij had de orgiën in Carlton House geleid. De ster van de Kousenband glinsterde op zijn borst. Naast hem hing het portret van zijn vrouw, een bleke vrouw met dunne lippen, in het zwart gekleed. Ook haar bloed stroomde in hem. Hoe eigenaardig leek dit allemaal! En zijn moeder met haar Lady Hamilton gezicht en haar vochtige, wijnrode lippen - hij wist wat hij van haar had. Hij had van haar zijn schoonheid en zijn passie voor de schoonheid van anderen. Ze lachte naar hem in haar los Bacchante kleed. Er zaten wijnbladeren in haar haar. Het purper liep uit de kelk die ze vasthield. De anjers op het portret waren vervaagd, maar de ogen waren nog altijd wonderbaarlijk door hun diepte en de schittering van kleuren. Ze schenen hem te volgen waar hij ook heen ging.
   Maar een mens heeft ook voorouders in de literatuur, zowel als in zijn eigen geslacht, misschien dichter bij hem staand qua type en temperament, en ze zijn met velen en hebben een invloed welke men bewuster ervaart. Er waren periodes waarin het voor Dorian Gray was alsof de hele geschiedenis van de mensheid slechts een weergave was van zijn eigen leven, niet zoals hij het werkelijk geleefd had maar zoals zijn verbeelding het voor hem had gemaakt, zoals het was in zijn denken en in zijn passies. Hij voelde dat hij hen allen gekend had, deze vreemde verschrikkelijke figuren die over het wereldtoneel hadden gelopen en zonde zo heerlijk hadden gemaakt en het kwade zo vol subtiliteit. Het scheen hem toe dat op één of andere mysterieuze manier hun levens het zijne waren geweest.
   De held van de wonderbaarlijke novelle die zijn leven zo beïnvloed had, had zelf deze eigenaardige gril gekend. In het zevende hoofdstuk vertelt hij hoe, gekroond met een laurierkrans, opdat de bliksem hem niet zou treffen, hij, net als Tiberius, in een tuin op Capri had gezeten, de schandelijke boeken van de dichteres Elephantis lezend terwijl dwergen en pauwen rond hem liepen en de fluitspeler de wierookzwaaier bespotte; en, net zoals Caligula, slemppartijen had gehouden met de in groene hemden geklede jockeys in hun stallen en gesoupeerd had uit een ivoren trog samen met een paard dat een met juwelen bezette hoofdband droeg; en, net zoals Domitian, door een gang had gelopen die bedekt was met marmeren spiegels, met verwilderde ogen rondkijkend naar de dolk die zijn dagen zou beëindigen, ziek van verveling, die verschrikkelijk levensmoeheid, die te beurt valt aan hen wie het leven nooit iets ontzegd heeft; en hij had doorheen een heldere smaragd gekeken naar het rode bloedbad in het circus en was daarna, in een draagkoets van parelmoer en purper, getrokken door met zilver beslagen muilezels, door de Straat van Granaatappels naar het Gouden Huis gebracht waar mannen huilden voor Nero Caesar toen hij voorbij kwam; en, net zoals Elagabalus, zijn gezicht had beschilderd met kleuren, en samen met de vrouwen het spinrokken had gehanteerd, en de Maan van Carthago had meegebracht en haar in een mystiek huwelijk aan de Zon had geschonken. Steeds weer opnieuw las Dorian dit fantastische hoofdstuk, en de twee hoofdstukken welke erop volgden, waarop, zoals in enkele eigenaardige wandtapijten of handig gemaakte kunstwerken van email, de afschuwelijke en mooie vormen waren afgebeeld van diegenen die door verdorvenheid en bloed en verveling monsterachtig of gek waren geworden: Filippo, Hertog van Milaan, die zijn vrouw afslachtte en haar lippen beschilderde met een scharlaken gif zodat haar minnaar zichzelf dood zou zuigen wanneer hij het dode ding zou liefkozen; Pietro Barbi, de Venetiaan, bekend als Paulus de Tweede, die in zijn ijdelheid de titel van Formosus wou aannemen, en wiens tiara, geschat op tweehonderdduizend florijnen, betaald was met de prijs van een verschrikkelijke zonde; Gian Maria Visconti, die honden gebruikte om mensen op te jagen en wiens vermoorde lichaam bedekt werd met rozenblaadjes door een hoer die hem bemind had; de Borgia op zijn wit paard, met Broedermoord naast hem rijdend en zijn mantel bevlekt met het bloed van Perotto; Pietro Riario, de jonge Kardinaal Aartsbisschop van Florence, kind en handlanger van Sixtus IV, wiens schoonheid enkel geëvenaard werd door zijn liederlijkheid, en die Leonora van Aragon ontving in een paviljoen van witte en karmozijnrode zijde, gevuld met nimfen en centauren, en een jongen met goud verguldde zodat hij op het feest dienst kon doen als schandknaap, net zoals Ganymedes of Hylas; Ezzelin, wiens melancholie enkel kon genezen worden door het spektakel van de dood, en die een passie had voor rood bloed, zoals andere mannen hebben voor rode wijn - de zoon van de Duivel, zoals werd gezegd, die vals speelde toen hij met zijn vader voor zijn ziel speelde; Giambattista Cibo, die bij wijze van grap de naam Innocentius aannam en in wiens trage aders het bloed van drie knapen werd overgepompt door een Joodse dokter; Sigismondo Malatesta, de minnaar van Isotta en heer van Rimini, wiens afbeelding verbrand werd in Rome als vijand van God en van de mensheid, die Polyssena wurgde met een luier, en Ginevra d'Este vergiftigde door haar te laten drinken uit een kelk van smaragd, en ter ere van een schandelijke passie een heidense kerk voor de christelijke eredienst bouwde; Charles VI, die zo hartstochtelijk de vrouw van zijn broer beminde dat een melaatse hem waarschuwde voor de krankzinnigheid waaraan hij ten prooi zou vallen en die, toen zijn hersens ziek waren geworden en hij zich vreemd begon te gedragen, enkel gekalmeerd kon worden door Saraceense kaarten beschilderd met afbeeldingen van liefde en dood en waanzin; en, in zijn korte wambuis en met juwelen bezette baret en acanthusachtige krullen, Grifonetto Baglioni, die Astorre en zijn bruid afslachtte, en Simonetto met zijn page, die zo bevallig was dat, terwijl hij lag te sterven in de gele piazza van Perugia, zij die hem gehaat hadden niet anders konden dan wenen, en Atalanta, die hem vervloekt had, zegende hem.
   Er school een verschrikkelijke aantrekkingskracht in hen allen. Hij zag hen 's nachts en overdag en ze vertroebelden zijn verbeelding. De Renaissance kende vreemde manieren om te vergiftigen - vergiftiging door een helm en een brandende toorts, door een geborduurde handschoen en een met juwelen bezette waaier, door een vergulde pomander en door een amberen ketting. Dorian Gray was vergiftigd door een boek. Er waren ogenblikken waarop hij het kwade louter beschouwde als een manier waarop hij zijn drang naar schoonheid kon verwezenlijken.



12 Hoofdstuk 12


  

Het was de negende november, de avond van zijn achtendertigste verjaardag, zoals hij zich later herinnerde. Hij wandelde om elf uur naar huis terug van Lord Henry, waar hij gedineerd had, warm ingeduffeld in dik bont; het was koud en mistig. Op de hoek van Grosvenor Square en South Audly street liep een man hem snel voorbij in de mist, de kraag van zijn ulster omhoog gezet. Hij had een koffer in de hand. Dorian herkende hem. Het was Basil Hallward. Een vreemd gevoel van angst, dat hij niet goed kon thuisbrengen, kwam over hem. Hij gaf geen teken van herkenning en liep vlug verder in de richting van zijn huis.
   Maar Hallward had hem gezien. Dorian hoorde hem eerst stilstaan op het trottoir en hem toen vlug achterna lopen. Na enkele ogenblikken lag er een hand op zijn arm.
   “Dorian! Wat een gelukkig toeval! Ik heb vanaf negen uur in je bibliotheek op jou zitten wachten. Tenslotte kreeg ik medelijden met de knecht en heb hem gezegd dat hij naar bed kon gaan toen hij mij uitliet. Ik ga vannacht naar Parijs en ik wou je graag nog zien voor ik wegging. Ik dacht wel dat jij het was, of liever gezegd: je bontmantel, toen je me passeerde. Maar ik was toch niet helemaal zeker. Herkende je mij niet?”
   “In deze mist! Maar mijn beste Basil, ik kan niet eens Grosvenor Square herkennen. Ik geloof dat mijn huis hier ergens moet zijn, maar zeker weet ik het niet. Het spijt me dat je weggaat; ik heb je in geen eeuwen gezien. Maar je komt toch zeker gauw terug?”
   “Nee. Ik ga voor zes maanden weg uit Engeland. Ik ben van plan een atelier in Parijs te nemen en mij op te sluiten tot ik het schilderij af heb dat ik in mijn hoofd heb. Maar ik kwam niet bij jou om over mezelf te spreken. Hier zijn we bij je deur. Ik ga nog even met je naar binnen. Ik moet je iets vertellen.”
   “Uitstekend. Maar zal je je trein niet missen?”, zei Dorian Gray kwijnend, terwijl hij de stoep opstapte en de sleutel in de deur stak.
   Het lamplicht drong naar buiten door de mist heen en Hallward keek op zijn horloge. “Ik heb alle tijd”, antwoordde hij. “De trein vertrekt om twaalf en het is pas elf. Ik was trouwens op weg naar de club om te zien of je daar was. En ik moet me niet bekommeren om mijn bagage want ik heb mijn koffers al vooruit gezonden. Ik heb niets dan dit valiesje en ik loop gemakkelijk in twintig minuten naar Victoria Station.”
   Dorian keek hem aan en glimlachte. “Wat een vreemde manier van reizen voor een modern schilder van naam. Een Gladstone bag en een ulster! Kom binnen, anders krijgen we al die mist in huis. En denk er om dat je over niets ernstig spreekt. Niets is ernstig tegenwoordig. Tenminste, zo zou het moeten zijn.”
   Hallward schudde zijn hoofd terwijl hij binnen ging en Dorian volgde naar de bibliotheek. Een groot houtvuur vlamde in de open haard. De lampen waren aangestoken en een open zilveren likeurkastje stond met sifons soda water en hoge kristallen bekers op een marquetterie tafel.
   “Je ziet, je knecht heeft het mij goed verzorgd. Hij gaf me alles wat ik nodig had, zelfs je fijne sigaretten met gouden puntjes. Hij is een goede kerel. Ik mag hem liever dan de Fransman, die je vroeger had. Wat is er van hem geworden?”
   Dorian haalde de schouders op. “Ik geloof dat hij met Lady Radley's kamenier getrouwd is en haar in Parijs als Engelse modiste heeft geïnstalleerd. Anglomanie is er de rage tegenwoordig, hoor ik. Bespottelijk, vind je niet? Maar hij was niet slecht, zie je. Ik hield niet van hem, maar ik had niet over hem te klagen. Je verbeeldt je soms van die dingen die kant noch wal raken. Hij was echt aan mij gehecht en scheen erg treurig toen hij weg moest. Wil je nog een brandy soda? Of heb je liever hock seltzer? Ik neem zelf altijd hock seltzer en seltzerwater. Er zal hiernaast nog wel wat zijn.”
   “Dank je, ik ga niets meer gebruiken”, zei de schilder terwijl hij hoed en overjas afdeed en ze over zijn valies in een hoek wierp. “En nu kerel, moet ik eens ernstig met je praten. Trek nu niet zulke rimpels. Dan maak je het alleen maar moeilijker voor mij.”
   “Waarover gaat het?”, riep Dorian kregelig, terwijl hij zich op een sofa wierp. “Ik hoop niet over mezelf? Ik heb vandaag genoeg van mezelf. Ik zou dolgraag iemand anders willen zijn.”
   “Het gaat wel over jezelf”, antwoordde Hallward, met zijn ernstige diepe stem, “en ik moet het je zeggen. Ik zal je niet langer dan een half uur lastig vallen.”
   “Een half uur” zuchtte Dorian en stak een sigaret op.
   “Dat is toch niet te veel gevraagd, Dorian, en het is voor je bestwil. Ik geloof, dat het mijn plicht is je te zeggen dat er in Londen de verschrikkelijkste praatjes over jou de ronde doen.”
   “Daar wil ik niets over horen. Ik hou er wel van praatjes over anderen te horen, maar die over mijzelf interesseren me niet. Ze missen voor mij de bekoring van het nieuwe.”
   “Ze moeten je interesseren, Dorian. Iedere gentleman is geïnteresseerd in zijn goede naam. Je wilt toch niet dat de mensen over jou spreken als over iemand die laag en gemeen is. Je hebt natuurlijk je status, je geld, en wat nog meer. Maar geld en status zijn niet alles. Begrijp me goed, ik geloof niets van al die praatjes. Tenminste, ik kan ze niet geloven wanneer ik jou zie. De zonde drukt zijn stempel op ieders gezicht. Die kan je niet verbergen. Mensen spreken soms van geheime zonden maar die bestaan niet. Heeft iemand gezondigd dan zie je het onmiddellijk aan de lijnen rond zijn mond, aan de vorm van zijn handen. Vorig jaar kwam er iemand bij mij, ik zal zijn naam niet noemen maar je kent hem wel, om zijn portret te laten maken. Ik had hem nooit eerder gezien en op dat ogenblik nog nooit iets van hem gehoord. Hij bood een kolossale som. Ik weigerde. Er was iets in de vorm van zijn vingers dat mij afstootte. Nu weet ik dat ik gelijk had in mijn antipathie. Zijn leven is afschuwelijk. Maar jij, Dorian, jij met je mooie, frisse gezicht, met je mooie frisse jeugd, van jou kan ik het niet geloven. En toch zie ik je maar zelden en kom je nooit meer bij mij in mijn atelier en wanneer ik dan niet bij je ben en ik al die verschrikkelijke dingen hoor fluisteren, weet ik niets te zeggen. Dorian, hoe komt het dat een man als de Hertog van Berwick opstaat en weggaat wanneer jij een kamer binnenkomt? Hoe komt het dat zoveel mensen in Londen je niet meer inviteren en niet meer bij jou aan huis komen! Je was vroeger een vriend van Lord Savely. Ik dineerde vorige week met hem. Toevallig werd je naam genoemd, omdat het ging over de miniaturen die je aan de Dudley tentoonstelling leende. Savely trok zijn lippen op en zei dat je misschien heel artistiek was maar dat geen enkel jong meisje je kennen mocht en geen enkele fatsoenlijke vrouw met jou in dezelfde kamer kon zitten. Ik herinnerde hem er aan dat ik een vriend van je was en vroeg hem wat hij bedoelde. Hij zei het me. Hij vertelde het hardop voor het gehele gezelschap. Het was afschuwelijk. Waarom is jouw gezelschap zo fataal voor jonge mensen? Er is die arme jongen van de Guards die zich van kant maakte. Je was een intieme vriend van hem. Dan heb je Sir Henry Ashthon, die Engeland moest verlaten en een heel lelijke naam achterliet. Jullie waren onafscheidelijk. En Arian Singleton, die zo ellendig aan zijn eind kwam. En de enige zoon van Lord Kent? Ik ontmoette gisteren in St. Jamesstreet de vader. Hij was kapot van verdriet en schaamte. En de jonge hertog van Perth? Hoe leeft hij nu? Wie zou met hem willen omgaan?”
   “Hou op, Basil. Je praat over dingen waar je niets van af weet”, zei Dorian Gray, zich op zijn lip bijtend en met diepe minachting in zijn stem. “Je vraagt mij waarom Berwick de kamer uitgaat als ik binnenkom. Omdat ik alles weet over zijn leven en hij niets van het mijne. Met het bloed dat hij in zijn aders heeft kan je niets anders verwachten. Je vraagt me naar Henry Ashton en de jonge Perth? Heb ik aan de ene zijn ondeugden en aan de andere zijn uitspattingen geleerd? En wanneer die flauwe zoon van Kent zijn vrouw van de straat opraapt, wat kan ik daaraan doen? En wanneer Adrian Singleton een valse handtekening zet, moet ik dan soms op hem passen? Ik weet hoe de mensen kletsen hier in Londen. De middenklassen luchten hun morele vooroordelen aan hun enorme diner-tafels, en fluisteren over wat ze de losbandigheden van hun meerderen noemen om te proberen te doen alsof ze zich in slim gezelschap bevinden en intiem zijn met de mensen die ze belasteren. In dit land zijn aanzien en hersens voldoende om belasterd te worden door het gewone volk. En hoe leven zijzelf, zij die zo over anderen moraliseren! Beste kerel, je vergeet, dat we leven in het geboorteland van de hypocrisie.”
   “Dorian!”, riep Hallward, “dat heeft er niets mee te maken. Engeland is slecht, dat weet ik. En dat is ook de reden waarom ik wil dat jij goed bent. Dat ben je niet geweest. Men heeft het recht iemand te beoordelen naar de invloed die hij op zijn vrienden heeft. Die schijnen door jou elk begrip van eer en fatsoen te verliezen. Je hebt ze opgezweept in een dolle jacht naar genot. Ze zijn in de diepte gezonken. En daar heb jij ze gebracht. Ja, jij bracht ze daar en toch kan je nog glimlachen, zoals je nu glimlacht. En er is nog erger. Ik weet dat jij en Harry onafscheidelijk zijn. Me dunkt dat je alleen al daarom had moeten vermijden zijn zuster in opspraak te brengen.”
   “Pas op, Basil, je gaat te ver.”
   “Ik moet spreken en jij moet luisteren. Je zult luisteren. Tot jij Lady Gwendolen ontmoette was er nooit het minste gerucht over haar geweest. En is er nu in heel Londen nog één fatsoenlijke vrouw die met haar in het Park zou willen rijden? Zelfs haar kinderen mogen niet bij haar blijven. En dan zijn er andere verhalen, verhalen waarin men je heeft gezien terwijl je 's morgens vroeg wegsloop uit slechte huizen en terwijl je verkleed verdween in de smerigste krotten van Londen. Is dat waar? Kan dat waar zijn? Toen ik dat voor het eerst hoorde, lachte ik. Wanneer ik het nu hoor, krijg ik een rilling over mij heen. Wat is er geworden van het leven dat je geleid hebt buiten op je kasteel? Dorian, je weet wat er over je gezegd wordt. Ik zal je niet vertellen dat ik niet tegen je wil prediken. Ik herinner me dat Harry ooit zei dat iedereen die zich tijdelijk gedraagt als een amateurkapelaan altijd begint te vertellen dat hij niet tegen je wil prediken, om vervolgens zijn belofte te verbreken. I wil wel tegen je prediken. Ik wil dat je een zodanig leven leidt dat de wereld je respecteert. Ik wil dat je een schone naam en een schone lei hebt. Ik wil dat je niet meer omgaat met al die gemene mensen. Trek nu je schouders niet op. Wees niet zo onverschillig. Je hebt een ontzettende invloed. Laat die ten goede zijn en niet ten kwade. Men zegt dat je iedereen die met je in aanraking komt in het verderf stort en dat, wanneer jij een huis binnenkomt, de één of andere schande altijd het gevolg is. Ik weet niet wat er van aan is. Hoe zou ik dat weten? Maar het wordt over jou verteld. Er zijn mij dingen verteld waar ik niet aan twijfelen kan. Lord Gloucester was één van mijn beste vrienden in Oxford. Hij toonde mij een brief die zijn vrouw hem schreef toen zij alleen lag te sterven in haar villa in Mentone. En in die biecht, de verschrikkelijkste die ik ooit las, werd jouw naam genoemd. Ik zei hem dat het onmogelijk was, dat ik je door en door kende en dat je tot zo iets niet in staat was. Dat ik je kende... Ken ik je? Voordat ik dat kan zeggen moet ik tot in je ziel kunnen kijken.”
   “In mijn ziel kunnen kijken!”, mompelde Dorian Gray uit de sofa recht springend, bijna wit van angst.
   “Ja”, antwoordde Hallward ernstig, met een diepe smart in zijn stem, “dan zou ik je ziel moeten zien. Maar dat kan alleen God.”
   Een bittere spotlach gleed over Dorians lippen. “Je zult die zien, vanavond nog!”, riep hij en greep een lamp van de tafel. “Kom, het is je eigen werk. Waarom zou je het niet mogen zien? Je kan dan later er alles van vertellen aan de wereld! Niemand zou je geloven. En indien ze je geloofden zouden ze nog meer van mij houden. Ik ken onze eeuw beter dan jij, al praat je er nog zoveel over. Ga mee, zeg ik je! Je hebt genoeg gekletst over bederf. Nu zal je het ook zien met je eigen ogen!”
   Een krankzinnige trots klonk in ieder woord dat hij sprak. Hij stampte met zijn voet op de grond, als een kinderachtige, ongeduldige jongen. Hij voelde een helse vreugde dat een ander zijn geheim met hem zou delen, dat de man die dat portret, de oorsprong van zijn schande, geschilderd had, zijn hele verdere leven gebukt zou gaan onder de martelende herinnering van wat hij gedaan had.
   “Ja”, ging hij voort, voor hem staande, hem recht in de ogen kijkend, “ik zal je mijn ziel tonen. Je zal met je eigen ogen datgene zien waarvan je denkt dat alleen God het kan zien.”
   Hallward schrok terug. “Dat is godslastering, Dorian!”, riep hij. “Je mag zo niet spreken. Die woorden klinken afschuwelijk en ze betekenen niets.”
   “Zo, denk je dat?” Hij lachte weer.
   “Ik weet het! En alles wat ik je gezegd heb was voor je bestwil. Je weet dat ik altijd een goede vriend voor je geweest ben.”
   “Raak me niet aan. Zeg wat je te zeggen hebt.”
   Een scherpe trek van pijn schoot over het gelaat van de schilder. Hij bleef stil staan, met een groot gevoel van medelijden in hem. Maar inderdaad, met welk recht kon hij, Basil, zich eigenlijk moeien met het leven van Dorian Gray? Als hij ook maar een tiende had gedaan van datgene wat er over hem geroddeld wordt, hoezeer moet hij dan geleden hebben! Huiverend richtte hij zich op en bleef stil kijken naar de brandende houtblokken in de haard, naar een sneeuw van as en de gloeiende kern van de vlam.
   “Ik wacht Basil”, riep Dorian met harde heldere stem.
   Basil draaide zich om. “Wat ik te zeggen heb is dit: je moet mij een antwoord geven op al die verschrikkelijke beschuldigingen. Als je mij zegt dat ze van het begin tot het einde leugens zijn dan zal ik je geloven. Ontken ze dan, Dorian, ontken ze! Zie je niet wat ik nu doorsta. Mijn God! Zeg me dat je niet slecht bent en verdorven en vol schande.”
   Dorian Gray glimlachte. Minachting krulde om zijn lippen. “Ga mee naar boven, Basil!”, sprak hij rustig. “Ik hou een dagboek bij en dat komt nooit de kamer uit waar het geschreven wordt. Ik zal het je tonen wanneer je met mij meekomt.”
   “Ik zal met je meegaan, Dorian, als je dat wilt. Ik zie dat ik mijn trein gemist heb. Maar dat doet er niet toe. Ik kan ook morgen vertrekken. Maar vraag mij niet iets te lezen. Geef mij een eenvoudig antwoord.”
   “Dat zal je boven gegeven worden! Hier kan het niet. Je hoeft niet lang te lezen.”



13 Hoofdstuk 13


  

Hij ging de kamer uit, de trap op. Basil Hallward volgde hem. Ze liepen zacht zoals men dat 's nachts doet. De lamp tekende fantastische schaduwen op de muur en de trap. Een wind stak op en rammelde aan de vensters.
   Toen ze helemaal boven waren zette Dorian de lamp op de grond, nam de sleutel uit zijn zak en draaide het slot open. “Je wilt het echt weten, Basil?”, vroeg hij gedempt.
   “Ja.”
   “Dat doet me plezier”, antwoordde hij, glimlachend. Hij voegde er nogal ruw aan toe: “Je bent de enige man in de wereld die alles van mij weten moet. Je bent in mijn leven meer dan je denkt.” De lamp opnemend duwde hij de deur open en ging naar binnen. Een koude tocht woei over hem en het licht vlamde even op in een flits van somber oranje. Hij huiverde. “Sluit de deur achter je”, fluisterde hij, terwijl hij de lamp op de tafel zette.
   Hallward keek niet begrijpend om zich heen. De kamer zag er uit alsof ze al jaren lang niet meer bewoond was. Een verschoten Vlaams behang; een schilderij met een gordijn ervoor; een oude Italiaanse cassone en een bijna lege boekenkast; dan nog een stoel en een tafel. Terwijl Dorian Gray een half opgebrande kaars op de schoorsteenmantel aanstak, zag Basil dat alles vol stof lag, dat er gaten in het tapijt waren. Een muis liep schuifelend achter het behangsel. Er was een vochtige lucht van schimmel.
   “Je denkt dat alleen God de ziel van een mens kan zien, Basil? Trek dat gordijn weg en je zal de mijne zien.”
   Zijn stem klonk koud en wreed. “Je bent gek, Dorian, of je speelt komedie”, mompelde Hallward met een frons.
   “Wil je niet? Dan zal ik het zelf doen”, zei hij en trok het gordijn van de roede en wierp het op de grond.
   Een kreet van afschuw ontsnapte uit de schilder toen hij in het flauwe licht zag hoe het verschrikkelijke masker hem toegrijnsde. Er was iets aan zijn uitdrukking dat hem met afkeer en diepe haat vervulde. Grote God! Het was het gezicht van Dorian Gray. De gruwel, of wat het ook was, had die wondere schoonheid niet volledig kunnen vernietigen. Er was nog een tikje goud in het dunne haar, nog een waasje van purper op de zinnelijke mond. De doffe ogen hadden nog iets van hun blauwe kleur; de edele, klassieke lijnen van de fijne neusvleugels en van de plastische hals waren niet volledig verdwenen... Ja, het was Dorian! Maar wie had dat gedaan? Hij scheen zijn eigen penseelstreek te herkennen en de lijst had hij zelf ontworpen. De gedachte was monsterachtig en hij was bang. Hij greep de kaars en hield het licht vlak bij het schilderij. Links in de hoek stond zijn eigen naam in lange letters van helder vermiljoen.
   Het was een gemene parodie, een schandelijke, lage satire. Dat had hij nooit gedaan. En toch, het was zijn werk. Dat voelde hij en het was of zijn bloed in hem opeens van brandend vuur veranderde in traag kruipend ijs. Zijn eigen werk! Wat betekende het? Waarom was het veranderd? Hij keerde zich om en keek naar Dorian Gray met de ogen van een zieke mens. Zijn mond vertrok en zijn verdroogde tong scheen niet in staat tot spreken. Hij streek met zijn hand langs het voorhoofd. Het was vochtig van klam zweet.
   De jonge man leunde tegen de schoorsteenmantel en sloeg hem gade met de vreemde uitdrukking op zijn gelaat van iemand die verdiept is in het kunstwerk van een groot artist. Verdriet noch genoegen was er op te lezen. Slechts de passie van de toeschouwer, met misschien een tintje van triomf in de ogen. Hij had zijn bloem uit het knoopsgat genomen en rook eraan, of deed alsof.
   “Wat betekent dat?”, riep Hallward eindelijk uit. Zijn eigen stem klonk hem schril en vreemd in de oren.
   “Jaren geleden, toen ik nog een jongen was”, begon Dorian Gray, de bloem in zijn hand verkreukelend, “leerde je mij kennen, vleide je mij en leerde je mij trots te zijn op mijn mooi gezicht. Op een dag stelde je mij voor aan een vriend van je, die mij de toverkracht van de jeugd uitlegde, en je maakte een portret van mij dat mij de toverkracht van de jeugd openbaarde. In een opgewonden ogenblik, ik weet nog niet of ik er spijt van heb of niet, deed ik een wens, misschien zou jij het een gebed noemen...”
   “Ik herinner het mij, O! ik herinner het mij maar al te goed. Maar dat is onmogelijk. De kamer is vochtig. Er zit schimmel op het doek. Er moet één of ander mineraal vergif in mijn verf gezeten hebben. Ik zeg je dat het onmogelijk is.”
   “Ach, wat is onmogelijk?”, mompelde Dorian naar het venster gaand en zijn voorhoofd tegen het koude, door mist beslagen glas drukkend.
   “Je vertelde mij, dat je het vernietigd had.”
   “Dat was niet zo. Het heeft mij vernietigd.”
   “Ik kan niet geloven dat het mijn schilderij is.”
   “Herken je je ideaal er niet meer in?”, vroeg Dorian bitter.
   “Mijn ideaal, zoals jij het noemt...”
   “Zoals jijzelf het noemde.”
   “Er school niets slechts, niets schandelijks in. Je was voor mij een ideaal zoals ik er nooit meer één zien zal. Maar dit, dit is het masker van een sater.”
   “Het is het masker van mijn ziel.”
   “Grote God? Wat een monster heb ik verafgood. Het heeft de ogen van de duivel!”
   “Ieder van ons heeft in zich iets van de hemel en iets van de hel, Basil”, riep Dorian met een woest gebaar van wanhoop.
   Hallward keek weer naar het portret. “Mijn God! Indien het waar is en indien dit het beeld is van je leven, dan moet je nog slechter zijn dan de mensen zeggen!” Opnieuw hield hij de kaars bij het doek en onderzocht het nauwkeurig. De oppervlakte scheen onberoerd. Klaarblijkelijk kwam de laagheid en afschuwelijkheid van binnen uit. Door een onbegrijpelijke werking van innerlijk leven werd dat beeld op het linnen langzaam weggevreten door de lepra van de zonde. Het wegrotten van een lichaam in een vochtig graf was minder afschuwelijk dan dit.
   Zijn hand beefde, de kaars viel uit de kandelaar op de grond en sputterde daar. Hij zette zijn voet erop en trapte ze uit. Toen wierp hij zich in de rieten stoel bij de tafel en verborg zijn gezicht in de handen.
   “Grote God! Dorian, wat een les! Wat een verschrikkelijke les!” Er kwam geen antwoord maar hij hoorde hem snikken bij het venster. “Bid Dorian, bid!”, fluisterde hij. “Hoe was het ook weer, wat wij als kinderen leerden? 'Leid ons niet in bekoring. Vergeef ons onze zonden. Verlos ons van het kwade.' Laat ons dat samen bidden. Je gebed van trots is verhoord. Het gebed van je berouw zal misschien ook verhoord worden. Ik achtte je te hoog. Daar ben ik voor gestraft. Je achtte jezelf te hoog. We zijn nu allebei gestraft.”
   Dorian Gray keerde zich langzaam om en keek hem aan met betraande ogen. “Het is te laat, Basil”, snikte hij.
   “Het is nooit te laat, Dorian. Laat ons neerknielen en ons een gebed proberen te herinneren. Is er niet ergens een tekst: Al zijn uw zonden rood als bloed, ik zal ze maken wit als sneeuw?”
   “Die woorden zeggen mij niets.”
   “Stil! Zeg dat niet. Je hebt genoeg kwaad gedaan in je leven. Mijn God! Zie je dan niet hoe dat vervloekte beeld ons aangrijnst!”
   Dorian Gray keek naar het portret; opeens kwam er een onbedwingbaar gevoel van haat tegen Basil Hallward over hem, alsof het hem werd ingegeven door dat portret, ingefluisterd door die grijnzende lippen. De wanhopige passies van een opgejaagd dier woedden in hem en hij verafschuwde die man daar aan tafel meer dan hij ooit iets verafschuwd had. Hij keek woest rond. Op de kist voor hem lag er iets te glinsteren. Zijn oog viel er op. Hij wist wat het was. Het was een mes dat hij een paar dagen geleden naar boven had gebracht om er een touw mee door te snijden en hij was vergeten het terug weg te leggen. Voorzichtig sloop hij erheen, achter Basil om. Achter hem gekomen greep hij het beet. Hallward bewoog zich in zijn stoel, alsof hij wilde opstaan. Dorian vloog op hem toe, stootte het mes diep in de slagader achter het oor, het hoofd op de tafel neerdrukkend, en stootte toen nog eens, en nog eens.
   Er was even een onderdrukt gesteun en het verschrikkelijke geluid van iemand die in zijn eigen bloed stikt. Tot drie keer toe verhieven de uitgestrekte armen zich krampachtig en bewogen de stijve handen zich wanhopig in de lucht. Hij stootte nog tweemaal, maar het lichaam bewoog niet meer. Er begon iets op de grond te druppelen. Hij wachtte nog even, het hoofd nog altijd naar beneden duwend. Toen gooide hij het mes op de tafel en luisterde.
   Hij hoorde niets dan: tik, tik, op het afgesleten tapijt. Hij deed de deur open en stond in de nachthal. Het huis was doodstil. Er was niemand wakker. Even stond hij geleund over de balustrade en tuurde in de zwarte put van duisternis. Toen nam hij de sleutel uit de deur, ging de kamer weer binnen en sloot er zich op.
   Het ding zat daar nog in de stoel, geleund over de tafel met gebogen hoofd, ronde rug en lange spookachtige armen. Alleen door de rode snede in de hals en de zwarte, klonterige poel die langzaam groter werd op de tafel, kon men niet zeggen dat de man sliep.
   Hoe vlug was alles gebeurd. Hij voelde zich eigenaardig kalm en naar het venster gaande opende hij het en stapte op het balkon. De wind had de mist weggeveegd en de lucht was als een reusachtige pauwenstaart, met ogen van myriaden sterren. Hij keek naar beneden; zag de agent zijn ronde doen, de lange straal uit zijn lantaarn richtend op de deuren van de slapende huizen. Het rode lichtje van een cab flikkerde even om de hoek en verdween weer. Een vrouw, met een fladderende sjaal, kroop waggelend langs het hekwerk. Zo nu en dan stopte ze en keek om. Ze begon te zingen met een schorre stem. De agent kwam op haar toe en zei iets tegen haar. Ze waggelde weg, lachend. Een koude wind blies over het plein. De gaslantarens flikkerden en werden blauw en de bladerloze bomen schudden hun ijzerzwarte takken heen en weer. Hij huiverde en ging naar binnen, het raam sluitend.
   Bij de deur gekomen opende hij die. Hij keek niet naar de vermoorde man. Hij voelde dat het geen enkel belang had om zich rekenschap te geven van het gebeurde. De vriend, die dat noodlottig portret geschilderd had, was verdwenen uit zijn leven. Dat was voor hem genoeg.
   Toen dacht hij aan de lamp. Het was een Moors ding van dof zilver, ingelegd met arabesken in gebrand staal en hier en daar ruwe turkooizen. Misschien zou de knecht het missen en ernaar vragen. Hij aarzelde even, keerde zich daarna om en nam het van de tafel. Hij moest nu wel naar dat dode ding kijken. Wat lag het stil. Akelig wit waren die lange handen. Het was als een afschuwelijk wassen beeld.
   Nadat hij de deur achter zich gesloten had sloop hij stil naar beneden. Het hout kraakte en scheen te steunen als had het pijn. Hij hield verschillende keren halt en wachtte. Nee, alles was stil. Het was slechts het geluid van zijn eigen voetstappen.
   In de bibliotheek zag hij de koffer en de overjas in een hoek liggen. Hij moest ze verbergen en opende een geheime kast in de muur, een kast waarin hij zijn vermommingen borg, en stopte alles er in. Hij kon ze op een later tijdstip verbranden. Toen haalde hij zijn horloge boven. Het was tien minuten voor half een.
   Hij ging zitten en dacht na. Elk jaar, elke maand bijna, werden er in Engeland mensen opgehangen omwille van datgene wat hij nu gedaan had. Een drang tot moorden hing in de lucht. Eén of andere rode ster was te dicht bij de aarde gekomen... Maar welke bewijzen waren er tegen hem? Basil Hallward had het huis om elf uur verlaten. Niemand had hem weer binnen zien komen. De meeste bedienden waren op Selby Royal. Zijn knecht was naar bed. Parijs! Ja, Basil was naar Parijs gegaan met de nachttrein, zoals zijn plan was. Er zouden maanden voorbij gaan vooraleer hij gemist werd. Maanden! Alles kon lang voor die tijd vernietigd worden.
   Een plotse gedachte sprong in hem op. Hij trok zijn bontmantel aan, zette zijn hoed op en ging in de gang. Daar bleef hij stil staan en luisterde naar de langzame, zware stappen van de agent buiten, en hij zag het licht van zijn lantaarn weerkaatst in het venster. Hij wachtte en hield zijn adem in.
   Na enkele ogenblikken trok hij de knip weg en sloop naar buiten, de deur zachtjes dichttrekkend. Toen belde hij aan. Binnen vijf minuten verscheen de knecht, half gekleed en slaperig.
   “Het spijt me dat ik je moest wakker bellen, Francis”, sprak hij binnenkomend, “maar ik was mijn sleutel vergeten. Hoe laat is het?”
   “Tien minuten over twee, meneer”, antwoordde de man, met knipperende ogen naar de klok kijkend.
   “Tien minuten over twee. Hoe verschrikkelijk laat! Je moet me morgen om negen uur wekken. Ik heb wat te doen.”
   “Goed, meneer.”
   “Is er iemand geweest?”
   “Mr. Hallward, meneer. Hij bleef tot elf uur en ging toen weg om de trein te halen.”
   “Zo! Dat spijt me. Heeft hij een boodschap achtergelaten?”
   “Nee, meneer; alleen, dat hij u uit Parijs zou schrijven indien hij u niet in de club vond.”
   “Goed Francis. Vergeet niet me morgen om negen uur op te roepen.”
   “Nee, meneer.”
   De man slofte op zijn pantoffels de hal door.
   Dorian Gray wierp jas en hoed op de tafel en ging de bibliotheek binnen. Een kwartier lang liep hij in de kamer op en neer om na te denken, ondertussen op zijn lip bijtend. Toen nam hij een adresboek van één van de boekenplanken en bladerde er in. “Alan Campbell, 152 Hertford Street, Mayfair.” Ja, dat was de man, die hij nodig had.



14 Hoofdstuk 14


  

De volgende ochtend om negen uur kwam de knecht bij hem met een kop chocolade op een dienblad en deed de blinden open. Dorian lag rustig te slapen, een hand onder zijn wang. Hij lag daar als een jongen die moe was geworden van het spelen of van het studeren.
   De knecht moest tweemaal aan zijn schouder schudden voor hij wakker werd en toen hij zijn ogen opende, speelde een lichte glimlach om zijn lippen, als ontwaakte hij uit een zalige droom. En toch had hij helemaal niet gedroomd. Zijn nacht was blank geweest, zonder beelden van verdriet of vreugde. Maar de jeugd glimlacht zonder reden. Het is één van haar liefste bekoringen.
   Hij keerde zich om en, op zijn elleboog leunend, begon hij zijn chocolademelk te drinken. De bleke novemberzon kwam zijn kamer binnen. De lucht stond helder en was aangenaam warm. Het was bijna als een dag in mei.
   Langzamerhand kropen de gebeurtenissen van de nacht, op zachte bloedbevlekle voeten, terug in zijn hersens, en stapelden zich daar met een hatelijke duidelijkheid op. Hij kromp ineen bij de herinnering aan alles wat hij had doorstaan en gedurende een ogenblik kwam dat gevoel van haat tegen Basil Hallward weer in hem boven, zoals toen hij hem vermoord had in zijn stoel; hij werd koud van haat. De dode man was daar nog steeds, en nu, nu zat hij daar in de zon. Dat was verschrikkelijk! Zulke gruwelen waren voor de nacht en niet voor de dag.
   Hij voelde dat, indien hij zo bleef nadenken over wat er gebeurd was, hij van zichzelf zou gaan walgen of gek zou worden. Er waren zonden wier bekoring meer school in de herinnering dan in de daad zelf; vreemdsoortige triomfen die eerder de ijdelheid dan de hartstochten streelden en het intellect een grotere vreugde gaven dan de zintuigen ooit zouden kunnen doen. Maar deze was niet zo. Deze moest verdreven worden, uit de geest weg, bedwelmd worden met papavers, omgebracht, uit schrik, dat hij zichzelf zou ombrengen.
   Toen het halve uur sloeg, streek hij met zijn hand langs het voorhoofd, stond haastig op en kleedde zich met nog meer zorg dan gewoonlijk, zocht nauwkeurig zijn das en dasspeld uit en veranderde een paar keer zijn ringen. Hij deed lang over zijn ontbijt, proefde van de verschillende gerechten, sprak met de knecht over de nieuwe livrei die hij voor zijn bedienden in Selby wilde bestellen en las zijn correspondentie. Bij een paar brieven glimlachte hij. Drie ervan verveelden hem. Eén las hij een paar keer na en verscheurde hem toen met een ontevreden uitdrukking op zijn gezicht. “Een lastig ding, het geheugen van een vrouw!”, zoals Lord Henry eens gezegd had.
   Toen hij zijn café-noir op had, veegde hij voorzichtig zijn lippen af met zijn servet, deed de knecht teken even te wachten en schreef twee briefjes. Het ene stak hij in zijn zak en het andere gaf hij aan de knecht.
   “Breng dit naar Hertford Street 152, Francis, en indien Mr. Campbell de stad uit is moet je zijn adres vragen.”
   Zodra hij alleen was, stak hij een sigaret op en begon wat te krabbelen op een stukje papier; eerst schetste hij bloemen, daarna stukjes architectuur en toen gezichten. Opeens merkte hij dat ieder gezicht een treffende gelijkenis vertoonde met Basil Hallward. Hij fronste de wenkbrauwen, stond op, ging naar de boekenkast en nam er het eerste het beste boek uit. Hij nam zich voor niet te denken aan wat gebeurd was vooraleer het hoogst noodzakelijk was.
   Zich op de sofa neervlijend las hij het titelblad. Het was Gautier's “Emaux et Camées”, een uitgave van Charpentier op Japans papier met etsen van Jacquemart. Het was gebonden in citroengeel leder, met een motief van verguld traliewerk en gespikkelde granaatappels. Hij had het gekregen van Adrian Singleton. Er in bladerend viel zijn oog op het gedicht over de hand van Lacenaire: die kille, gele hand, “du supplice encore mal lavée”, met enkele rosse haren en zijn “doigts de faune”. Hij keek naar zijn eigen dunne, witte vingers, rilde ondanks van zichzelf en bladerde verder tot hij bij de mooie coupletten over Venetië kwam:
  
   Sur une gamme chromatique
   Le sein de péries ruisselant
   La Venus de l'Adriatique
   Sort de l'au son corps rose et blanc.
   Les dômes sur l'azur 's ondes,
   Suivant la phrase au pur contour,
   S'enflent comme des gorges rondes,
   Que soulève un soupir d'Amour.
   L'esquif aborde et me dépose;
   Jetant son amarre au pilier,
   Devant une façade rose,
   Sur le marbre d'un escalier.
  
   Hoe verfijnd waren ze. Wanneer men ze las was het of men over de groene waterwegen van die stad van purper en parelmoer dreef, in een zwarte gondel met zilveren voorsteven en lange, neerhangende gordijnen. De regels alleen al schenen hem toe als de lange lijnen van turkoois-blauw, die ons volgen wanneer wij naar het Lido varen. De plotse opflakkeringen van kleur herinnerden hem aan de flikkeringen van de duiven die met hun kleuren van opaal en regenbogen rond de honingraten van de Campanile fladderden, of met statige gratie door de grijze, donkere arcades stapten. Met gesloten ogen achterover liggend, herhaalde hij in zichzelf:
  
   “Devant une façade rose,
   Sur le marbre d'un escalier.”
  
   Heel Venetië lag in die twee lijnen. Hij herinnerde zich het najaar dat hij daar geweest was, toen een wonderschone liefde hem verleid had tot heerlijke dwaze daden. Er was poëzie in ieder plekje. Maar Venetië had, net als Oxford, de juiste achtergrond voor poëzie en voor de echte romanticus is het decor alles, of bijna alles. Basil was toen ook lang bij hem geweest en had gedweept met Tintoretto. Arme Basil! Welk een verschrikkelijk einde!
   Hij zuchtte, nam het boek weer op en trachtte te vergeten. Hij las over de zwaluwen die in en uit vliegen in het kleine café te Smyrna, waar de Hadjis hun amberen kralen tellen en getulbande kooplieden hun lange pijpen roken en ernstig praten; hij las over de Obelisk op de Place de la Concorde die tranen van graniet weent, in eenzame, zonloze verbanning en terug verlangt naar de warme lotus-bloeiende Nijl, met zijn sfinxen en rozerode ibissen en witte roofvogels met gouden klauwen, zijn krokodillen met kleine ogen van beril, die over de groene dampende modder kruipen; hij begon na te denken over die verzen, welke, muziek ontlokkend aan het door kussen bezoedelde marmer, ons vertellen over het beeld, dat Gautier vergelijkt met een altstem, het “monstre charmant” dat neerligt in de porfieren zaal van het Louvre. Maar na een tijd viel het boek uit zijn hand. Hij werd zenuwachtig, een dodelijke angst kwam over hem. Wat indien Alan Campbell nu eens niet in Engeland was? Er konden dagen voorbijgaan vooraleer hij terugkwam. Misschien zou hij weigeren om te komen. Wat moest hij dan doen? Elk ogenblik was van het grootste gewicht voor hem.
   Ze waren ooit intieme vrienden geweest, vijf jaar geleden, bijna onafscheidelijk. Toen was die intimiteit opeens gebroken. Wanneer ze nu elkaar in een gezelschap ontmoetten was het alleen Dorian Gray die glimlachte; Alan Campbell nooit.
   Hij was een bijzonder knappe jongeman, hoewel hij geen gevoel had voor plastische kunst; het beetje gevoel dat hij voor poëzie had was hem door Dorian Gray bijgebracht. Zijn alles overheersende intellectuele passie ging uit naar de wetenschap. In Cambridge werkte hij lange uren in het laboratorium en hij had een hoge graad gehaald in de natuurwetenschappen. Ook nu nog deed hij veel aan chemie en had een eigen laboratorium waarin hij zich dagen opsloot, tot grote ergernis van zijn moeder, wie hoopte dat hij zichzelf kandidaat zou stellen voor het Parlement en het vage idee had dat een scheikundige iemand was die recepten voorschreef. Maar bovendien was hij een uitstekend musicus en bespeelde viool en piano beter dan de meeste amateurs. Het was de muziek die hem en Dorian Gray had samenbracht, en ook de onzegbare aantrekkingskracht die Dorian altijd had wanneer hij wilde, ja vaak zelfs zonder dat. Ze hadden elkaar ontmoet bij Lady Berkshire toen Rubinstein er speelde en na die tijd werden ze altijd samen gezien in de opera of op ieder goed concert. Achttien maanden had hun vriendschap geduurd. Campbell was of in Selby Royal of in Grosvenor Square. Voor hem was Dorian Gray de hoogste levensvorm. Of ze ruzie hadden gemaakt wist niemand. Maar plots merkte men op dat ze bijna niet tegen elkaar spraken wanneer ze elkaar ontmoetten en dat Campbell vroeg wegging van een soirée indien Dorian Gray daar ook was. Hij was ook veranderd, was melancholiek geworden, scheen een afkeer van muziek te hebben en speelde nooit meer; als excuus gaf hij op dat hij teveel opging in de chemie en geen tijd had om te studeren. En dat was volkomen waar. Meer en meer scheen hij nu verdiept in biologie en zijn naam verscheen een paar keer in wetenschappelijke vakbladen in verband met eigenaardige proefnemingen.
   Dit was de man die Dorian Gray moest hebben. Elke seconde keek hij op de klok. Bij iedere minuut die verstreek werd hij hoe langer hoe zenuwachtiger. Eindelijk stond hij op, liep de kamer op en neer, als een mooi dier in een kooi. Hij nam lange, sluipende stappen. Zijn handen werden ijskoud.
   De onzekerheid werd ondraaglijk. De tijd scheen als met loden voeten voort te kruipen terwijl hij door monsterachtige orkanen werd opgezweept naar de steile kant van een donkere afgrond. Hij wist wat hem daar wachtte, zag het en rillend drukte hij met klamme handen zijn brandende oogleden toe, als wilde hij zijn hersens het gezicht ontnemen en zijn ogen terugduwen in hun kassen. Het was vergeefs. Het brein voedde zich met zijn eigen voedsel, en de verbeelding, grotesk van angst, draaide en wrong zich als een levend wezen dat gemarteld werd, sprong heen en weer als een clown, en grijnsde achter beweegbare maskers. Toen, opeens, stond de tijd stil voor hem. Ja, dat blinde, langzaam ademende ding kroop niet meer voort en afschuwelijke gedachten sprongen, nu de tijd dood was, vlug naar voor en trokken de afgrijselijkste toekomst uit een graf omhoog. Hij staarde er naar. De gruwelen ervan versteenden hem.
   Eindelijk ging de deur open en kwam de knecht binnen. Met glazige ogen keek Dorian hem aan.
   “Mr. Campbell, meneer”, diende de man aan.
   Een zucht van verlichting kwam over Dorians verdroogde lippen en de kleur kwam terug in zijn wangen.
   “Vraag hem dadelijk binnen te komen, Francis.” Hij voelde dat hij weer zichzelf was. Zijn bui van halfslachtigheid was voorbij.
   De man boog en trok zich terug. Na enkele minuten kwam Alan Campbell binnen; zijn gezicht was ernstig en bleek, nog bleker door het koolzwarte haar en de donkere wenkbrauwen.
   “Alan, het is vriendelijk van je dat je gekomen bent. Ik ben er je dankbaar voor.”
   “Ik had mij voorgenomen nooit meer bij je thuis te komen, Gray. Maar je schreef dat het een levenskwestie was.” Zijn stem klonk hard en koud. Hij sprak langzaam en bedacht. Er lag diepe verachting in de vaste, onderzoekende blik die hij op Dorian Gray vestigde. Hij hield de handen in de zakken van zijn astrakan pels en scheen het gebaar waarmee hij ontvangen werd niet opgemerkt te hebben.
   “Ja, het is een zaak van leven of dood, Alan en voor meer dan één persoon. Ga zitten.”
   Campbell nam een stoel bij de tafel, Dorian zette zich tegenover hem. Hun ogen ontmoetten elkaar. In die van Dorian lag oneindig medelijden. Hij wist dat wat hij ging doen verschrikkelijk was.
   Na een pijnlijke stilte boog hij zich voorover en sprak rustig, de indruk van ieder woord observerend op het gelaat van de ander:
   “Alan, boven in een gesloten kamer, een kamer, waar niemand anders komt dan ik, zit een dode man aan de tafel. Hij is nu tien uur dood. Verroer je niet en kijk me niet zo aan. Wie die man is, waarom hij stierf, gaat je niet aan. Wat jij te doen hebt is dit...”
   “Hou op, Gray. Ik wil er verder niets over weten. Of hetgeen je verteld hebt waar is of niet kan mij niet schelen. Ik weiger iets met je leven te maken te hebben. Hou je afschuwelijke geheimen voor jezelf. Ze interesseren mij niet meer.”
   “Alan, ze moeten je interesseren. Ze moeten je iets kunnen schelen. Het spijt me verschrikkelijk voor jou, Alan. Maar ik kan er niets aan doen. Je bent de enige die mij redden kan. Ik ben gedwongen je erin te betrekken. Ik heb geen keuze, Alan, je bent knap. Je weet veel over chemie. Je hebt proeven genomen. Wat je nu moet doen, is het ding, dat daar boven zit, vernietigen, zodanig vernietigen, dat er niet één spoor van overblijft. Niemand zag die persoon hier in huis komen. En op dit ogenblik denkt iedereen dat hij in Parijs is. Hij zal in maanden niet gemist worden. Wordt hij gemist dan mag er hier geen spoor van hem te vinden zijn. Jij, Alan, jij moet hem, en alles wat van hem is, veranderen, oplossen in een handvol as, dat ik in de lucht kan verstrooien.”
   “Je bent gek, Dorian.”
   “O! Ik wachtte er al een tijdje op dat je mij Dorian zou noemen.”
   “Je bent gek, zeg ik je, gek om je te verbeelden dat ik een vinger zou uitsteken om je te helpen, gek om mij die monsterachtige biecht te doen. Ik wil er niets mee te maken hebben, wat het ook is. Denk je, dat ik voor jou mijn naam op het spel zal zetten? Wat kan het mij schelen wat voor duivels werk je doet?”
   “Het was zelfmoord, Alan.”
   “Dat doet mij plezier, maar wie dreef hem er toe? Jij, natuurlijk.”
   “Weiger je nog dit voor mij te doen?”
   “Natuurlijk weiger ik. Ik wil er niets mee te maken hebben. Het kan mij niet schelen welke schande er over jou komt. Je hebt het dubbel en dwars verdiend. Het zou me niet in het minst spijten indien je ontmaskerd en in het publiek onteerd werd. Hoe durf je mij, net mij, vragen je te helpen met dit gruwelijk werk. Ik dacht dat je een beter inzicht had in het karakter van de mensen. Je vriend Lord Henry Wotton heeft je dan toch maar weinig psychologisch inzicht bijgebracht. Niets zal mij bewegen iets te doen, wat dan ook, om jou te helpen. Je bent aan het verkeerde adres. Ga liever naar één van je vrienden. Vraag het niet aan mij.”
   “Alan, het was een moord. Ik heb hem vermoord. Je weet niet hoe hij mij heeft doen lijden. Wanneer mijn leven is zoals het nu is dan heeft niemand daar meer schuld aan dan die arme Harry. Misschien heeft hij het zo niet bedoeld, maar het resultaat blijft hetzelfde.”
   “Een moord! Grote God! Dorian, ben je zo diep gevallen? Ik zal je niet aangeven. Het is mijn zaak niet. En bovendien zal je ook zonder mij wel opgepakt worden. Niemand begaat ooit een misdaad zonder een stommiteit of vergetelheid. Maar ik wil er niets mee te maken hebben.”
   “Je moet er iets mee te maken hebben. Wacht, wacht een ogenblik, luister naar mij. Luister even, Alan. Al wat ik je vraag is niets dan een wetenschappelijke proef. Je gaat naar hospitalen en mortuaria en de gruwelen die je daar doet kunnen je niet schelen. Als je in een akelige ontleedkamer of in een vunzig laboratorium deze man zag liggen op een loden tafel met rode gootjes waar het bloed in weg kan lopen, zou je hem niet anders bekijken dan als een interessant onderwerp. Je zou er je hand niet voor omdraaien. Je zou niet denken dat je iets slecht deed. Integendeel, je zou denken dat je de mensheid een dienst bewijst of de wetenschap verrijkt of gehoor geeft aan een intellectuele nieuwsgierigheid. Wat ik je vraag, is iets wat je al honderden keren gedaan hebt. En is de totale vernietiging van een lichaam eigenlijk niet veel minder dan wat jij gewend bent te doen. En denk erom dat dit het enige bewijs tegen mij is. Als het ontdekt wordt ben ik verloren en natuurlijk wordt het ontdekt indien je mij niet helpt.”
   “Maar ik wil je niet helpen: dat vergeet je. Die hele zaak laat mij koud. Ik heb er niets mee te maken.”
   “Alan, Ik smeek je! Denk je toch eens in in welke toestand ik verkeer. Even voor je kwam, viel ik bijna flauw van angst. Je zult later ook zo een angst kunnen kennen. Of nee, denk daar niet aan. Bekijk de zaak vanuit een zuiver wetenschappelijk standpunt. Je vraagt toch ook niet waar de dode lichamen vandaan komen waar jij je proeven op neemt. Vraag er dan nu ook niet naar. Ik heb je er al te veel over verteld. Maar ik smeek je dit voor mij te doen. Ooit waren wij vrienden, Alan.”
   “Spreek niet over die dagen, Dorian, zij zijn dood.”
   “De doden hebben soms hun verwijten. Die man daarboven gaat niet weg. Hij zit aan de tafel met gebogen hoofd en uitgestrekte armen. Alan! Alan! Indien je mij niet helpt ben ik verloren. Mijn God, Alan, ze zullen me ophangen! Begrijp je dat dan niet? Ze zullen me ophangen voor wat ik gedaan heb.”
   “Het is nutteloos deze scène langer te rekken. Ik weiger iets met deze zaak vandoen te hebben. Het is onzinnig van je om mij dat te vragen.”
   “Je weigert dus?”
   “Ja.”
   “Ik smeek je, Alan.”
   “Dat is zinloos.”
   Een blik van medelijden kwam in de ogen van Dorian Gray. Toen stak hij zijn hand uit, nam een stuk papier en schreef er iets op. Hij las het twee keer na, vouwde het zorgvuldig en schoof het over de tafel. Toen stond hij op en ging naar het venster.
   Campbell staarde hem verbaasd aan, nam het papier en vouwde het open. Terwijl hij het las werd zijn gezicht doodsbleek, hij zette zich recht en viel toen terug neer in zijn stoel. Een verschrikkelijk gevoel van walging kwam over hem. Het leek of zijn hart bonsde in een dode, lege holte.
   Na twee, drie minuten van huiveringwekkende stilte keerde Dorian zich om, kwam achter hem staan en legde een hand op zijn schouder.
   “Het spijt me zo voor jou, Alan”, fluisterde hij, “maar je laat mij geen andere uitweg. Ik had de brief al geschreven. Hier is hij. Je ziet het adres. Als je mij niet helpt moet ik hem verzenden. Als je mij niet helpt, zal ik hem verzenden. Je weet wat het resultaat zal zijn. Maar je zult me helpen. Je kunt niet meer weigeren. Ik wou je sparen. Dat moet je mij toch nageven. Je was streng, hard en beledigend. Je hebt mij behandeld zoals niemand mij ooit durfde behandelen, geen levend wezen tenminste. Ik verdroeg alles. Nu is het aan mij om voorwaarden te stellen.”
   Campbell verborg zijn gelaat in de handen en een huivering liep over hem.
   “Ja, nu is het mijn beurt om orders te geven, Alan. Je weet wat ik wil. Het is doodeenvoudig. Kom, wind je nu zo niet op. Het moet gedaan worden. Zet je recht en doe het.”
   Een gekreun kwam over Campbells lippen en hij rilde over het gehele lichaam. Het tikken van de klok op de schoorsteenmantel scheen de tijd te verdelen in afzonderlijke atomen van foltering, ieder te zwaar om geleden te worden. Hij had het gevoel alsof een ijzeren ring rond zijn voorhoofd werd samen geknepen, alsof de schande die hem bedreigde, reeds over hem was gekomen. De hand drukte loodzwaar op zijn schouder. Het was ondraaglijk. Ze scheen hem te verpletteren.
   “Kom, Allan, neem een besluit.”
   “Ik kan het niet doen”, sprak hij werktuigelijk, alsof woorden de zaak konden verhinderen.
   “Je móet. Je hebt geen keuze. Stel het nu niet langer uit.”
   Hij aarzelde een ogenblik. “Brandt er boven vuur?”
   “Ja, er brandt gas.”
   “Ik moet naar huis om het één en ander uit het laboratorium te halen.”
   “Nee Alan, je mag hier niet weg. Schrijf op een briefje wat je nodig hebt dan zal de knecht het met een cab gaan halen.”
   Campbell krabbelde een paar woorden en schreef het adres van zijn assistent op. Dorian nam het briefje en las het nauwkeurig na. Toen belde hij, gaf het aan de knecht met de opdracht zo snel mogelijk terug te komen en de gevraagde dingen mee te brengen.
   Toen de deur van de gang dichtviel schrok Campbell zenuwachtig op en, opstaand, ging hij naar de schoorsteenmantel. Hij rilde alsof hij koorts had. Twintig minuten lang sprak geen van beiden een woord... Een vlieg gonsde door de kamer en de tikken van de klok klonken als hamerslagen.
   Toen het één uur sloeg, draaide Campbell zich om en Dorian Gray aankijkend, zag hij de tranen in zijn ogen. Er was iets in de volmaaktheid en de verfijning van dat treurige gezicht dat hem razend maakte. “Je bent vulgair, schandelijk gemeen!”, mompelde hij.
   “Stil Alan, je hebt mijn leven gered”, zei Dorian.
   “Je leven? Grote God wat een leven! Je bent van kwaad naar erger gevallen, tot in de misdaad toe. Bij wat je mij nu dwingt te doen, denk ik niet aan jouw leven.”
   “Alan”, fluisterde Dorian met een zucht, “ik wou, dat je voor mij nog maar een duizendste van het medelijden voelde dat ik nu voor jou voel.” Terwijl hij sprak draaide hij zich om en keek naar naar de tuin. Campbell antwoordde niet.
   Tien minuten later werd er geklopt; de knecht kwam binnen en droeg een grote houten kist met scheikundige stoffen; een lange streng staal- en platinadraad en twee vreemd gevormde ijzeren schragen.
   “Zal ik alles maar hier neerzetten, meneer?”, vroeg hij aan Campbell.
   “Ja”, zei Dorian. “En, Francis, dan heb ik nog een boodschap voor je. Hoe heet die man in Richmond die altijd orchideeën levert op Selby?”
   “Harde, meneer.”
   “Juist, Harde. Je moest nu dadelijk naar Richmond gaan, Harde zelf spreken en zeggen, dat ik tweemaal zoveel orchideeën moet hebben dan ik besteld had, en zo weinig mogelijk witte. Eigenlijk wil ik helemaal geen witte. Het is een prachtige dag, Francis, en Richmond is een mooie plek; ik zou je er anders niet mee lastig vallen.”
   “O, het is geen moeite, meneer. Om hoe laat moet ik terug zijn?”
   Dorian keek naar Campbell. “Hoe lang zal je proef duren, Alan?”, vroeg hij met rustige, onverschillige stem. De tegenwoordigheid van een derde in de kamer scheen hem moed te geven.
   Campbell fronste zijn wenkbrauwen en beet zich op de lippen. “Vijf uur, denk ik”, antwoordde hij.
   “Dan is het vroeg genoeg wanneer je om half acht terug bent, Francis. Of weet je wat: leg alles voor mij klaar om mij te kleden, dan mag je de avond vrij hebben. Ik eet toch niet thuis, dus heb ik je verder niet nodig.”
   “Dank u, meneer”, zei de knecht en verliet de kamer.
   “Nu, Alan, verlies nu geen minuut. Wat is die kist zwaar. Ik zal hem voor je dragen. Breng jij de andere dingen dan mee.” Hij sprak haastig en bevelend. Campbell voelde zich door hem overheerst. Ze gingen samen de kamer uit.
   Boven gekomen nam Dorian de sleutel uit zijn zak en draaide het slot open. Toen stond hij even stil, met angst in zijn ogen. Hij rilde. “Ik kan niet naar binnen gaan, Alan” fluisterde hij.
   “Het kan mij niet schelen. Ik heb je niet nodig”, sprak Campbell koud.
   Dorian opende de deur halfweg. Toen zag hij het gezicht op het portret grijnzen in de zon. Op de grond ervoor lag het afgerukte gordijn. Hij herinnerde zich dat hij vannacht voor het eerst vergeten had het noodlottige portret te bedekken en hij wilde er op toesnellen, maar huiverend week hij terug.
   Wat was die walgelijke rode dauw daar, nat, parelend op één van de handen, alsof het doek bloed had gezweet! Het was verschrikkelijk, verschrikkelijker nog dan dat stille ding daar aan de tafel, waarvan de grotesk misvormde schaduw op het bevlekte kleed toonde dat het zich niet verroerd had, maar daar nog zat zoals hij het achtergelaten had.
   Hij zuchtte zwaar, opende de deur wat verder en liep met half gesloten ogen en afgewend gelaat de kamer binnen, vast besloten geen blik te werpen op de dode man. Toen, zich bukkend, raapte hij de purpergouden voorhang op en wierp die over de schilderij.
   Hij bleef stil staan, bang zich om te draaien en zijn ogen staarden naar het ingewikkeld patroon voor hem. Hij hoorde Campbell de zware kist binnenbrengen en de ijzers en al het andere wat hij nodig had voor zijn gruwelijk werk. Hij vroeg zich af of hij en Basil Hallward elkaar ooit ontmoet hadden en wat ze toen van elkaar hadden gedacht.
   “Laat mij alleen”, sprak een strenge stem achter hem.
   Hij keerde om en haastte zich weg; nog net bemerkte hij dat de dode man achterover was gelegd in de stoel en dat Campbell staarde naar een glanzend geel gezicht. Toen hij naar beneden ging, hoorde hij de sleutel in het slot omdraaien.
   Het was al ver na zeven uur toen Campbell terug in de biblioteek kwam. Hij zag bleek maar was volkomen kalm. “Ik heb gedaan wat je mij vroeg”, fluisterde hij. “En nu vaarwel. Laat wij elkaar nooit meer zien.”
   “Je hebt me gered van de ondergang, Alan. Dat zal ik nooit vergeten”, sprak Dorian eenvoudig.
   Zodra Campbell weg was ging hij naar boven. Er hing een sterke lucht van salpeterzuur in de kamer. Maar dat wat aan de tafel had gezeten was er niet meer.



15 Hoofdstuk 15


  

Die avond, om halfacht, werd Dorian Gray, uitmuntend gekleed en met een grote ruiker Parma viooltjes in zijn knoopsgat, door buigende bedienden binnengeleid in de salon van Lady Narborough. Zijn voorhoofd bonsde door zijn dolgedraaide zenuwen en hij voelde een wilde opwinding, maar zijn houding toen hij zich over de hand van zijn gastvrouw boog was even ongedwongen en elegant als altijd. Misschien lijkt men het meest op zijn gemak wanneer men een rol moet spelen. Het was zeker dat niemand die naar Dorian Gray keek had kunnen geloven dat hij door een tragedie was gegaan die even verschrikkelijk was als elke tragedie in onze tijd. Die fijngevormde vingers konden nooit een mes omkneld hebben om er kwaad mee te doen en die glimlachende lippen konden nooit God en het goede vervloekt hebben. Hij stond zelf verbaasd over zijn kalme houding en gedurende een ogenblik voelde hij zeer scherp het verschrikkelijk genot van een dubbel leven.
   Het was een klein feestje, nogal haastig georganiseerd door Lady Narborough, die een zeer verstandige vrouw was met, wat Lord Henry steeds omschreef als de resten van een zeer opvallende lelijkheid. Ze had zich een uitstekende echtgenote betoond voor één van onze saaiste ambassadeurs en nadat ze haar echtgenoot naar behoren had begraven in een marmeren mausoleum, dat ze zelf ontworpen had, en haar dochters had uitgehuwelijkt aan enkele rijke, nogal bejaarde mannen, had ze haar leven gewijd aan de geneugten van Franse romans, Franse kookkunst en Franse esprit voor zover ze daartoe in staat was.
   Dorian was één van haar uitverkoren favorieten en ze vertelde hem altijd dat ze zeer blij was dat ze hem niet in haar jeugd ontmoet had. “Ik weet zeker, mijn beste, dat ik stapelverliefd op jou zou zijn geweest”, zei ze vaak, “en dat ik mijn leven voor jou zou vergooid hebben. Het is zeer gelukkig dat er toen van jou nog geen sprake was. Maar indien men iets vergooit moet er iemand zijn om het op te rapen en zo kwam het dat ik zelfs nooit een flirt heb gehad. Maar dat was Narborough's fout. Hij was verschrikkelijk bijziend, en er valt weinig plezier te beleven met een echtgenoot die nooit iets opmerkt.”
   Haar gasten van die avond waren tamelijk saai. De reden was, zoals ze van achter een zeer sjofele waaier aan Dorian uitlegde, dat één van haar gehuwde dochters onverwacht bij haar was komen logeren en dat ze, om de zaak nog erger te maken, zelfs haar echtgenoot had meegebracht. “Ik vind dat helemaal niet attent van haar, mijn beste”, fluisterde ze. “Natuurlijk logeer ik zelf elke zomer bij hen wanneer ik terugkom van Hamburg, maar een oude vrouw zoals ik moet af en toe frisse lucht hebben, en daarbij schud ik ze werkelijk wakker. Je weet niet welk een bestaan ze daar leiden. Het pure, ongerepte buitenleven. Ze staan vroeg op omdat ze zoveel te doen hebben en ze gaan vroeg naar bed omdat ze zo weinig hebben om over na te denken. Het is geleden van de tijd van Koningin Elisabeth dat er in die buurt nog een schandaal te beleven viel en bijgevolg vallen ze dus allemaal na het diner in slaap. Je mag niet naast één van hen gaan zitten. Je zult naast mij zitten en me amuseren.”
   Dorian mompelde een sierlijk compliment en keek rond in de kamer. Ja, het was zeer zeker een saai feestje. Twee gasten had hij nog nooit eerder gezien, en de anderen bestonden uit Ernest Harrowden, één van die onbetekenende mensen van middelbare leeftijd waar de Londense clubs vol mee zitten; ze hebben geen vijanden maar wel veel vrienden die een grondige hekel aan hen hebben; Lady Ruxton een te zwierig geklede vrouw van vierenzeventig met een haakneus, die zichzelf altijd wou compromitteren maar zo bijzonder alledaags was dat niemand ooit iets slecht over haar wou geloven, wat haar zeer verdroot; Mrs. Erlynne, een opdringerig niemand, dat heerlijk lispelde en Venetiaans-rood haar had; Lady Alice Chapman, de dochter van de gastvrouw, een slonzig sloom meisje met één van die karakteristieke Britse gezichten die, eens men ze gezien heeft, nooit onthouden worden; en haar echtgenoot, een roodwangig schepsel met witte bakkebaarden die, zoals zovelen van zijn klasse, in de veronderstelling leefde dat overdreven jovialiteit een totaal gebrek aan ideeën kan goed maken.
   Hij had er spijt van dat hij gekomen was tot Lady Narborough, naar het grote vergulde uurwerk kijkend dat zich met opzichtige krullen uitspreidde over de mauve gedrapeerde schoorsteenmantel, uitriep: “Hoe afschuwelijk van Henry Wotton om zo laat te zijn! Ik heb hem deze ochtend op goed geluk een uitnodiging gestuurd en hij heeft trouwhartig beloofd me niet teleur te stellen.”
   Het gaf hem enige troost dat Harry langs zou komen en toen de deur openging en hij hoorde hoe hij zijn trage muzikale stem gebruikte om een onoprecht excuus te debiteren was zijn verveling verdwenen.
   Maar tijdens het diner kreeg hij niets naar binnen. Schotel na schotel ging hem voorbij zonder dat hij ze proefde. Lady Narborough gaf hem een standje voor wat ze “een belediging voor die arme Adolphe, die het gerecht speciaal voor jou heeft bedacht” noemde, en af en toe keek Lord Henry hem zijdelings aan, verwonderd over zijn zwijgzaamheid en afwezige houding. Van tijd tot tijd vulde de butler zijn glas met champagne. Hij dronk er gulzig van en zijn dorst scheen nog toe te nemen.
   “Dorian”, zei Lord Henry tenslotte, toen de chaud-froid opgediend werd “wat scheelt er vanavond toch met jou. Je bent echt uit je gewone doen.”
   “Ik denk dat hij verliefd is”, zei Lady Narborough, “en dat hij bang is het mij te vertellen omdat ik dan jaloers zou zijn. Hij heeft gelijk. Ik zou het zeker zijn.”
   “Lieve Lady Narborough”, mompelde Dorian, glimlachend, “ik ben al een hele week niet meer verliefd geweest - in feite zelfs niet meer sinds Madame de Ferrol de stad is uitgegaan.”
   “Hoe kunnen jullie mannen verliefd worden op die vrouw”, riep de oude Lady uit. “Ik begrijp er echt niets van.”
   “Het is alleen maar omdat ze u nog gekend heeft toen u een klein meisje was, Lady Narborough”, zei Lord Henry. “Ze is de enige schakel tussen ons en uw korte rokjes.”
   “Ze herinnert zich helemaal niets van mijn korte rokjes, Lord Henry. Maar ik herinner mij haar heel goed, in Wenen dertig jaar geleden, en met welk een decolleté ze rondliep.”
   “Ze is nog altijd gedecolleteerd”, antwoordde hij, met zijn lange vingers een olijf opnemend, “en wanneer ze een heel mooie jurk draagt ziet ze eruit als de luxe edititie van een minderwaardige Franse roman. Ze is echt wonderbaar en vol verrassingen. Haar vermogen voor familiale genegenheid is buitengewoon. Toen haar derde echtgenoot overleed kregen haar haren ineens een gouden kleur door het verdriet.”
   “Hoe kun je zoiets zeggen, Harry!”, riep Dorian.
   “Het is een zeer romantische verklaring”, lachte de gastvrouw. “Maar haar derde echtgenoot, Lord Henry. Je wil toch niet beweren dat Ferrol de vierde is?”
   “Zeker en vast, Lady Narborough.”
   “Ik geloof er geen woord van.”
   “Wel, vraag het aan Mr. Gray. Hij is één van haar intiemste vrienden.”
   “Is het waar, Mr. Gray?”
   “Ze verzekert mij van niet, Lady Narborough”, zei Dorian. “Ik vroeg haar of ze, zoals Marguerite de Navarre, hun harten had laten balsemen en ze aan haar gordel had gehangen. Ze vertelde mij dat ze dat niet gedaan had omdat geen van hen ooit een hart heeft gehad.”
   “Vier echtgenoten! Op mijn woord, dat is trop de zèle.”
   “Trop d'audace, zeg ik haar”, zei Dorian.
   “Oh! ze is onbeschaamd genoeg voor om het even wat, mijn beste. En hoe is Ferrol eigenlijk? Ik ken hem niet.”
   “De echtgenoten van zeer mooie vrouwen behoren tot de klasse der misdadigers”, zei Lord Henry, aan zijn wijn nippend.
   Lady Narborough gaf hem een tik met haar waaier. “Lord Henry, het verbaast mij helemaal niet dat de wereld zegt dat u uitzonderlijk verdorven bent.”
   “Maar welke wereld zegt dat?”, vroeg Lord Henry, zijn wenkbrauwen optrekkend. “Het kan alleen maar de volgende wereld zijn. Deze wereld en ik staan op uitstekende voet met elkaar.”
   “Iedereen die ik ken zegt dat u zeer verdorven bent”, riep de oude dame, haar hoofd schuddend.
   Lord Henry keek enkele ogenblikken ernstig. “Het is werkelijk monsterachtig”, zei hij tenslotte, “de manier waarop mensen tegenwoordig dingen achter iemands rug zeggen die volkomen waar zijn.”
   “Is hij niet onverbeterlijk?”, riep Dorian, voorover leunend in zijn stoel.
   “Ik hoop het” zei de gastvrouw, lachend. “Maar echt, indien jullie allemaal Madame de Ferrol op zulk een belachelijke manier aanbidden, zal ik opnieuw moeten trouwen om in de mode te zijn.”
   “U zult nooit opnieuw trouwen, Lady Narborough”, antwoordde Lord Henry. “U bent veel te gelukkig. Wanneer een vrouw opnieuw in het huwelijk stapt is het omdat ze haar eerste echtgenoot verafschuwde. Wanneer een man opnieuw trouwt is het omdat hij zijn eerste vrouw aanbad. Vrouwen wagen hun geluk; mannen riskeren het hunne.”
   “Narborough was niet volmaakt”, riep de oude dame.
   “Indien hij dat geweest was zou u niet van hem gehouden hebben, mijn lieve dame”, ketste hij terug. “Vrouwen houden van ons omwille van onze gebreken. Wanneer we er genoeg hebben vergeven ze ons alles, zelf onze intelligentie. Ik ben bang dat u mij na deze uitspraak nooit meer zult uitnodigen, Lady Narborough, maar het is de waarheid.”
   “Natuurlijk is het waar, Lord Henry. Indien wij vrouwen niet van jullie hielden omwille van jullie gebreken, waar zouden jullie dan allemaal staan? Niemand van jullie zou ooit een vrouw vinden. Jullie zouden een stelletje ongelukkige vrijgezellen zijn. Niet dat jullie daardoor veel zouden veranderen. Tegenwoordig leven alle gehuwde mannen alsof ze vrijgezel zijn, en alle vrijgezellen alsof ze gehuwd zijn.”
   “Fin de siècle”, mompelde Lord Henry.
   “Fin du globe”, antwoordde zijn gastvrouw.
   “Ik wou dat fin du globe was”, zei Dorian met een zucht. “Het leven is één grote teleurstelling.”
   “Ah, mijn beste”, riep Lady Narborough, haar handschoenen aantrekkend, “kom me niet vertellen dat het leven u niets meer te bieden heeft. Wanneer een man dat zegt weet men dat het leven hem uitgeput heeft. Lord Henry is erg verdorven, en soms wenste ik dat ik dat ook was geweest; maar u bent geschapen om goed te zijn. Ik moet voor u een lieve echtgenote zien te vinden. Lord Henry, denkt u ook niet dat Mr. Gray zou moeten trouwen?”
   “Ik zeg hem dat voortdurend, Lady Narborough”, zei Lord Henry met een buiging.
   “Wel, we moeten naar een geschikte partij voor hem zoeken. Ik zal vannacht zorgvuldig Debrett bestuderen en een lijstje maken van alle jonge dames die in aanmerking komen.”
   “Met hun leeftijd, Lady Narborough?”, vroeg Dorian.
   “Natuurlijk met leeftijd erbij, lichtjes aangepast. Maar men moet niets overhaast doen. Ik wil dat het iets wordt wat de Morning Post een passend huwelijk noemt, en ik wil dat jullie allebei gelukkig zijn.”
   “Welk een onzin vertellen mensen toch over gelukkige huwelijken!”, riep Lord Henry uit. “Een man kan met elke vrouw gelukkig zijn, zolang hij niet van haar hoeft te houden.”
   “Ah! Wat een cynicus bent u!”, riep de oude dame, haar stoel achteruit schuivend en knikkend naar Lady Ruxton. “U moet gauw opnieuw bij mij komen dineren. U bent een wonderbaarlijke stimulans; veel beter dan wat Sir Andrew mij voorschrijft. U moet mij zeggen welke mensen u zou willen ontmoeten. Ik wil dat het een heerlijk gezelschap wordt.”
   “Ik hou van mannen die een toekomst hebben en van vrouwen met een verleden.” antwoordde hij “Of denkt dat het daardoor een onderonsje met allleen maar vrouwen zou worden?”
   “Ik vrees het”, zei ze lachend terwijl ze opstond. “Duizend maal excuus, mijn lieve Lady Ruxton”, voegde ze eraan toe, “ik had niet gemerkt dat u uw sigaret nog niet had opgerookt.”
   “Dat geeft niet, Lady Narborough. Ik rook veel te veel. Ik ga mezelf wat inhouden, in de toekomst.”
   “Doet u dat alstublief niet, Lady Ruxton”, zei Lord Henry. “Matiging is een fataal ding. Genoeg is even slecht als een slechte maaltijd. Meer dan genoeg is zo goed als een feestmaal.”
   Lady Ruxton keek hem nieuwsgierig aan. “U moet eens een namiddag langs komen en mij dat uitleggen, Lord Henry. Het is een fascinerende theorie”, murmelde ze terwijl ze met zwier de kamer verliet.
   “Nu, denk eraan dat jullie niet te lang praten over politiek en schandalen”, riep Lady Narborough van aan de deur. “Indien jullie dat doen dan zullen we boven zeker ruzie maken.”
   De mannen lachten en Mr. Chapman stond plechtig op aan het uiteinde van de tafel en kwam naar het hoofdeinde ervan. Dorian Gray nam een andere stoel en ging bij Lord Henry zitten. Mr. Chapman begon met luide stem te praten over de toestand in het parlement. Hij bulderde over zijn tegenstanders. Het woord doctrinair - een gruwelijk woord voor de Britse geest - dook af en toe op tussen zijn uitbarstingen. Een alliteratief voorvoegsel deed dienst als verfraaiing voor zijn retoriek. Hij hees de Union Jack tot op het niveau van zijn ideeën. De aangeboren stompzinnigheid van het ras - degelijk Engels gezond verstand noemde hij het joviaal - was het meest geschikte bolwerk voor de bescherming van de maatschappij.
   Een glimlach krulde rond Lord Henry's lippen, en hij keerde zich om en keek naar Dorian.
   “Voel je je beter, mijn beste kerel?”, vroeg hij. “Je leek nogal uit je doen tijdens het diner.”
   “Ik voel me redelijk goed, Harry. Ik ben moe. Dat is alles.”
   “Je was vorige nacht charmant. Het hertoginnetje loopt hoog met je op. Ze vertelt me dat ze Shelby gaat laten vallen.”
   “Ze heeft me beloofd om de twintigste langs te komen.”
   “Zal Monmouth er ook zijn?”
   “Oh ja, Harry.”
   “Hij verveelt me geweldig, bijna zo erg als hij haar verveelt. Ze is erg verstandig, te verstandig voor een vrouw. Ze mist die ondefinieerbare charme van zwakheid. Het zijn de voeten van klei welke het goud van de afbeelding zo kostbaar maken. Haar voeten zijn heel sierlijk, maar het zijn geen voetjes van klei. Witte proseleinen voetjes, indien je dat wilt. Ze zijn door het vuur gelouterd, en wat het vuur niet vernietigd, maakt het hard. Ze heeft ervaringen gehad.”
   “Hoe lang is ze getrouwd?”, vroeg Dorian.
   “Een eeuwigheid, zegt ze tegen mij. Ik geloof, volgens het adelboek, dat het tien jaar is, maar tien jaar met Monmouth moeten wel een eeuwigheid zijn. Wie komt er nog?”
   “Oh, de Willoughbys, Lord Rugby en zijn vrouw, onze gastvrouw, Geoffrey Clouston, het normale gezelschap. Ik heb Lord Gotrian gevraagd.”
   “Ik mag hem wel”, zei Lord Henry. “Heel veel mensen doen dat niet, maar ik vind hem charmant. Dat hij bij gelegenheid te opzichtig gekleed is maakt hij goed door altijd absoluut overontwikkeld te zijn. Hij is een erg moderne man.”
   “Ik weet niet of hij zal kunnen komen, Harry. Het kan zijn dat hij naar Monte Carlo bij zijn vader moet gaan.”
   “Ach! Wat een plaag zijn familieleden toch! Probeer hem te overhalen dat hij komt. Nu ik eraan denk, Dorian, je bent gisteravond erg vroeg weggegaan. Je hebt me al voor elf uur verlaten. Wat heb je nadien gedaan? Ben je recht naar huis gegaan?”
   Dorian wierp een snelle blik op hem en fronste zijn voorhoofd.
   “Nee, Harry”, zei hij tenslotte, “ik ben pas rond drie uur thuis gekomen.”
   “Ben je naar de club geweest?”
   “Ja”, antwoordde hij. Daarna beet hij op zijn lip. “Nee, ik meen dat niet. Ik ben niet naar de club geweest. Ik heb rondgewandeld. Ik ben vergeten wat ik gedaan heb... Hoe nieuwsgierig ben je toch, Harry! Jij wilt altijd weten wat iemand gedaan heeft. Ik wil altijd vergeten wat ik gedaan heb. Ik kwam thuis om half drie, indien je het exacte tijdstip wilt weten. Ik had mijn sleutels thuis laten liggen en mijn bediende heeft me moeten binnen laten. Indien je een sluitend bewijs over het onderwerp wilt dan kun je het hem vragen.”
   Lord Henry haalde zijn schouders op. “Mijn beste kerel, alsof mij dat iets kan schelen! Laat ons naar de salon gaan. Geen sherry, dank u, Mr. Chapman. Er is iets met jou gebeurd, Dorian. Zeg me wat het is. Je bent vanavond jezelf niet.”
   “Zit maar niet over mij in, Harry. Ik ben prikkelbaar en uit mijn humeur. Ik zal morgen of overmorgen bij je langs komen. Excuseer mij bij Lady Barborough. Ik ga niet naar boven. Ik ga naar huis. Ik moet naar huis gaan.”
   “Goed, Dorian. Ik hoop je morgen tegen theetijd te zien. De hertogin komt eraan.”
   “Ik zal mijn best doen om er te zijn, Harry”, zei hij en verliet de kamer. Toen hij terug reed naar zijn eigen huis was hij er zich van bewust dat het gevoel van angst, dat hij dacht gewurgd hebben, terug de kop op stak. De terloopse vragen van Lord Henry hadden hem een ogenblik zijn zelfbeheersing doen verliezen, en hij wilde kalm zijn. Gevaarlijke dingen moesten vernietigd worden. Hij huiverde. Hij haatte de gedachte om ze zelfs maar aan te raken.
   En toch moest het gebeuren. Hij besefte dat, en toen hij de deur van zijn bibliotheek op slot had gedaan opende hij de geheime ruimte waarin hij de jas en de koffer van Basil Hallward had verstopt. Een groot vuur brandde in de haard. Hij gooide er nog een houtblok bij. De reuk van verschroeide kleren en brandend leder was verschrikkelijk. Het kostte hem drie kwartier vooraleer alles herleid was tot een hoopje as. Daarna voelde hij zich zwak en ziek en nadat hij een paar Algerijnse tabletten in een koperen reukbrander had gelegd baadde hij zijn handen en voorhoofd met koele, naar muskus geurende azijn.
   Plots verstijfde hij. Zijn ogen kregen een een vreemde schittering en hij beet zenuwachtig op zijn onderlip. Tussen twee vensters stond een grote Florentijnse vitrinekast, gemaakt van ebbenhout en ingelegd met ivoor en blauwe lapis. Hij keek ernaar alsof het een betoverd voorwerp was dat hem bang kon maken, alsof het iets bevatte waar hij naar verlangde en toch van walgde. Zijn ademhaling versnelde. Een knagend verlangen nam bezit van hem. Hij stak een sigaret aan en gooide ze daarna weg. Zijn oogleden vielen dicht tot de lange wimpers bijna zijn wang raakten. Maar hij keek nog altijd naar de kast. Tenslotte stond hij op van de sofa waarop hij had gelegen, ging er naartoe en nadat hij ze open gemaakt had drukte hij op een verborgen veer. Een driehoekige lade kwam langzaam uit de kast. Zijn vingers bewogen zich er instinctief naar toe, doken erin en omknelden iets. Het was een klein Chinees doosje van zwart, met stofgoud besprenkeld lakwerk, fijn uitgewerkt, de zijden versierd met patronen van krullende golven en de zijden koorden behangen met ronde kristallen en kwastjes van gevlochten metaaldraden. Hij opende het. Binnenin was er een groene zalf, wasachtig glanzend met een zware, doordringende, eigenaardige geur.
   Hij aarzelde een paar ogenblikken, met een vreemde bewegingloze lach op zijn gezicht. Daarna, huiverend, alhoewel het in de kamer verschrikkelijk warm was, vermande hij zich en keek naar de klok. Het was twintig minuten voor twaalf. Hij legde het doosje terug, sloot de kastdeuren af en ging naar zijn slaapkamer.
   Om middernacht, toen de bronzen slagen galmden in de duistere lucht, sloop Dorian Gray, sober gekleed en met een dikke das rond zijn nek geknoopt, stilletjes zijn huis uit. In Bond Street vondt hij een huurrijtuig met een goed paard. Hij hield het tegen en met een lage stem gaf hij een adres op.
   De man schudde zijn hoofd. “Dat is te ver voor mij”, mompelde hij.
   “Hier is een sovereign voor jou”, zei Dorian. “En je krijgt er nog één wanneer je snel rijdt.”
   “In orde, mijnheer”, antwoordde de man, “U zult er binnen het uur zijn,” en nadat hij zijn geldstuk had gekregen deed hij het paard draaien en reed snel in de richting van de rivier.



16 Hoofdstuk 16


  

Een koude regen begon neer te vallen en de doffe straatlantarens flikkerden spookachtig in de druipende mist. De herbergen werden juist gesloten en vage silhouetten van mannen en vrouwen verdrongen zich rond de deuren. Uit enkele kroegen klonk een akelig gelach. Dronken mannen vloekten en schreeuwden.
   Achterover leunend in de hansom, zijn hoed diep over zijn ogen, bekeek Dorian Gray lusteloos die vuile schande van de grote stad en nu en dan herhaalde hij de woorden die Lord Henry ooit tegen hem gezegd had: “De ziel genezen door de zinnen, de zinnen door de ziel.” Ja, dat was het hele geheim. Vaak had hij het gedaan en nu zou hij het weer doen. Er waren opiumkitten waar men vergetelheid kon kopen; holen vol gruwel waar de herinnering aan oude zonden uitgewist wordt door de hartstocht voor nieuwe.
   De maan hing laag in de lucht als een geel doodshoofd. Van tijd tot tijd strekte een kolossale misvormde wolk een lange arm uit en verborg haar. De gaslantarens werden zeldzamer, de straten nauwer en somberder. Eens reed de koetsier verkeerd en moest hij een halve mijl terugrijden. Damp steeg op van het paard terwijl het door de plassen ploeterde. De raampjes van de hansom waren beslagen als met een waas van grijs flanel.
   “De ziel genezen door de zinnen, de zinnen door de ziel!” Hoe zongen die woorden in zijn oren! Waarlijk zijn ziel was ziek, tot stervens toe. Was het waar dat de zinnen haar konden genezen? Er was onschuldig bloed vergoten. Wat kon dat goed maken? O! daar was geen herstel voor; maar waar vergeving onmogelijk was bleef er nog de vergetelheid, en hij had besloten het te vergeten, het uit zich weg te trappen, zoals men een adder die gebeten heeft, wegtrapt. Welk recht had Basil gehad om tegen hem te spreken zoals hij gedaan had? Wie had hem tot rechter over iemand anders aangesteld? Hij had dingen gezegd die afschuwelijk wreed en onverdraaglijk waren geweest.
   De hansom zwoegde voort en het was of hij steeds langzamer ging. Hij boog zich naar buiten en riep de koetsier toe dat hij harder moest rijden. Een snerpend verlangen naar opium begon in hem te bijten. Zijn keel verschroeide en zijn fijne handen trokken zenuwachtig samen. Boos sloeg hij met zijn wandelstok naar het paard. De koetsier lachte en spoorde het dier wat aan. Hij lachte eveneens en de man zweeg.
   De weg scheen oneindig en de straten waren als een zwart spinnenweb. De eentonigheid werd onverdraaglijk en terwijl de mist dikker en dikker werd voelde hij zich bang worden.
   Ze reden voorbij eenzame steenvelden. De mist was hier veel lichter en hij kon de vreemde, flesachtige steenovens zien met hun oranje, waaiervormige vuurtongen. Een hond blafte terwijl ze voorbij reden en ver weg, in de donkerte, krijste een verdwaalde zeemeeuw. Het paard strompelde in een goot, zwaaide weer op zij en zette het toen op een galop.
   Na een poosje verlieten ze de kleiweg en ratelden weer over ruw gekasseide straten. De meeste vensters waren donker maar nu en dan tekenden zich een paar schaduwen af op de gordijnen. Hij staarde ernaar. Ze bewogen zich als reusachtige marionetten en ze maakten gebaren als levende wezens. Hij haatte hen. Een stille woede raasde in zijn hart. Toen ze een hoek omreden gilde een vrouw vanuit een open deur iets tegen hen en twee mannen achtervolgden de hansom gedurende lange tijd. De koetsier sloeg naar hen met zijn zweep.
   Het wordt gezegd dat je door passie in een cirkel gaat denken. Met een vreselijke herhaling gaven de gebeten lippen van Dorian Gray steeds opnieuw vorm aan die subtiele woorden die over de ziel en het gevoel gingen, totdat hij in hen de volle expressie had gevonden, als het ware, van zijn stemming, en rechtvaardigde, door intellectuele toestemming, passies die zonder een dergelijke rechtvaardiging nog steeds zijn gemoed zouden hebben gedomineerd. Van cel tot cel kroop slechts één gedachte door zijn hersens; en het wilde verlangen om te leven, de ergste van alle menselijke lusten, zetten snel alle zenuwen en vezels op scherp. Lelijkheid die hij ooit haatte omdat het de dingen echt maakte, werd hem nu dierbaar om precies dezelfde reden. Lelijkheid was de enige realiteit. De grove vechtpartij, het walgelijke hol, het ruwe geweld van ongeordend leven, de gemeenheid van de dief en verschoppeling, waren levendiger, in hun intense werkelijkheid van indruk, dan al de gracieuze vormen van kunst, de dromerige schaduwen van het lied. Zij waren wat hij nodig had om te vergeten. Over drie dagen zou hij vrij zijn.
   Plotseling hield hij halt, met een ruk, aan het einde van een donkere laan. Boven de lage daken, de uitgekartelde schoorstenen, de zwarte masten van de schepen hingen flarden witte mist als spookzeilen aan de masten.
   “Hier ergens, meneer?”, vroeg de koetsier schor door het luikje.
   Dorian schrok op en keek naar buiten. “Hou hier maar halt”, antwoordde hij; hij stapte haastig uit, gaf de koetsier wat hij beloofd had en liep vlug in de richting van de kade. Hier en daar glom een lantaarn in de masttop van een groot koopvaardijschip. Het licht wiebelde en glinsterde in de plassen. Een rode gloed kwam van een buitenlandse steamer die kolen aan het laden was. De modderige weg glom als natte gutta-percha.
   Hij haastte zich voort, keek nu en dan om alsof hij werd achtervolgd. Binnen de acht minuten bereikte hij een klein, smerig huisje, tussen twee kolossale fabrieken. Voor één van de bovenramen hing een lamp. Hij stond stil en klopte op een bijzondere manier op de deur.
   Na een poosje hoorde hij stappen in de gang en werd de ketting losgemaakt. De deur ging zacht open en hij trad binnen, zonder een woord voor de gebochelde vorm die in de schaduw van de deur neerhurkte. Aan het einde van de gang hing een vuil groen gordijn dat in de wind heen en weer zwaaide. Hij trok het opzij en kwam in een lange, lage kamer die er uitzag als een gemene danszaal. Schel flikkerende gasvlammen brandden aan de muren en werden dof en verdraaid weerkaatst in vuile spiegels. Vettige reflectoren van geribd tin hingen erachter en vormden trillende schijven van licht. De grond was bedekt met geelachtig zaagsel, hier en daar tot modder vertrapt. Een paar Maleisiërs hurkten bij een klein kolenvuurtje en speelden met dobbelstenen van been; terwijl ze spraken toonden ze hun witte tanden. In een hoek lag een matroos over de tafel heen, het hoofd in de armen verborgen; bij de gemeen bont geschilderde toonbank stonden twee verlopen vrouwen een oude man uit te lachen die vol walging zijn mouwen afveegde. “Hij denkt dat er rode mieren op zitten”, lachte één van de vrouwen toen Dorian voorbijkwam. De man keek hen angstig aan en begon te huilen.
   Aan het einde van de kamer was er een trap die naar een donkere ruimte leidde. Terwijl Dorian de drie wankele trapjes opliep kwam de zware geur van opium hem tegen. Hij haalde diep adem en zijn neusvleugels trilden van genot. Toen hij binnenkwam keek een jongeman met glad geel haar op van de lamp waaraan hij een lange dunne pijp opstak en knikte hem aarzelend toe.
   “Jij hier, Adrian?”, mompelde Dorian.
   “Waar zou ik anders zijn?”, antwoordde hij lusteloos. “Niemand wil meer met me spreken.”
   “Ik dacht dat je Engeland verlaten had.”
   “Darlington is niet van plan iets te doen. Mijn broer heeft de wissel betaald. George spreekt ook niet meer tegen mij... Het kan me ook niet schelen”, voegde hij er met een zucht aan toe. “Zolang dit goedje er is heb je geen vrienden nodig. Ik geloof dat ik er te veel van gehad heb.”
   Dorian huiverde. Groteske vormen lagen op gescheurde matrassen. De verdraaide ledematen, de open monden, de starende ogen bekoorden hem. Hij wist in welke vreemde hemelen zij nu leden, welke hellekrochten hun het geheim van een nieuw genot leerden. Zij waren er beter aan toe dan hij. Hij zat gevangen in zijn gedachten. Zijn ziel werd als door een afschuwelijke ziekte weggevreten: de ziekte van herinnering. Van tijd tot tijd was het hem of de ogen van Basil Hallward hem aanstaarden. Hij voelde dat hij hier niet kon blijven. De aanwezigheid van Adrian Singleton hinderde hem. Hij wilde ergens zijn waar niemand hem kende. Hij wilde zichzelf ontvluchten.
   “Ik ga ergens anders heen”, zei hij na een stilte.
   “Op de werf?”
   “Ja.”
   “Die dolle kat zal daar zeker weer zijn. Ze willen haar hier niet meer hebben.”
   Dorian haalde de schouders op. “Ik ben die verliefde vrouwen beu. Een vrouw die je haat is veel interessanter. En daarbij is de opium ginder beter.”
   “Vrijwel hetzelfde.”
   “Ik vind die andere beter. Ga mee wat drinken. Ik moet iets hebben.”
   “Ik wil niets hebben”, mompelde de jonge man.
   “Kom!”
   Singleton stond lusteloos op en volgde Dorian naar de toonbank. Een kleurling met een gescheurde tulband, in een vuile ulster, grijnsde hem een groet toe terwijl hij een fles brandy en twee glazen naar hen toeschoof. De vrouwen kropen bij elkaar en begonnen te kakelen. Dorian keerde ze de rug toe en fluisterde Adrian Singleton iets toe.
   Een verwrongen glimlach striemde over het gelaat van een van de vrouwen. “Wat zijn we trots vandaag!”, krijste ze.
   “Spreek in Godsnaam niet tegen mij!”, riep Dorian, op de grond stampend. “Wat wil je hebben? Geld? Hier heb je het. En spreek nu nooit meer tegen mij!”
   Twee rode vonkjes flikkerden even in de verglaasde ogen en doofden toen weer uit. Ze schudde het hoofd en ritste met begerige vingers het geld van de toonbank. Haar gezellin keek haar jaloers aan.
   “Het geeft niets”, zuchtte Adrian Singleton. “Ik heb geen zin om terug te gaan. Wat doet het er toe? Ik ben hier heel tevreden.”
   “Zul je mij schrijven indien je iets nodig hebt?”, vroeg Dorian na een stilte.
   “Misschien.”
   “Goede nacht dan.”
   “Goede nacht”, antwoordde de jonge man terwijl hij de trap weer opging en zijn verdroogde mond afveegde met een zakdoek.
   Dorian ging naar de deur met een trek van pijn op zijn gezicht. Toen hij het gordijn wegtrok klonk er een afschuwelijke lach uit de geverfde lippen van de vrouw die zijn geld had aangenomen. “Daar gaat het zoontje van de duivel”, lachte ze schor.
   “Vervloekt!”, riep hij uit. “Noem mij zo niet!”
   Ze knipte met de vingers. “Toverprins, dat hoor je liever, hè!”, jouwde ze hem achterna.
   De slapende matroos sprong op toen ze dat zei en keek woest rond. Hij hoorde de gangdeur dichtvallen. Hij vloog hem achterna.
   Dorian Gray haastte zich in de druipende regen langs de kade. Zijn ontmoeting met Adrian Singleton had hem geraakt en hij vroeg zich af of het verlies van dat jonge leven echt zijn schuld was, zoals Basil Hallward hem zo beledigend had verweten. Hij beet zich op de lippen en een paar seconden was er treurigheid in zijn ogen. Maar wat kon het hem eigenlijk schelen? Het leven was te kort om ook nog eens de schuld van anderen op zich te nemen. Elke mens leefde zijn eigen leven en betaalde er de prijs voor. Het was alleen jammer dat men zo dikwijls voor dezelfde fout moest betalen. Zeker, men moest steeds opnieuw betalen. In zijn handeltje met de mens sluit het noodlot nooit zijn boeken.
   Er zijn momenten, vertellen psychologen ons, wanneer de passie voor de zonde, of voor wat de wereld zonde noemt, een karakter zodanig domineert dat elke vezel van het lichaam, evenals elke cel van de hersenen, instinctief met angstige impulsen lijkt te zijn. Op dergelijke momenten verliezen mannen en vrouwen hun vrije wil. Ze bewegen zich houterig als robots. De vrije keuze wordt hen ontnomen, en het bewustzijn wordt ofwel vermoord, ofwel overleeft enkel om het rebelleren zijn fascinatie en de ongehoorzaamheid zijn charme te geven. Want alle zonden, zoals theologen ons onvermoeibaar blijven vertellen, zijn zonden van ongehoorzaamheid. Toen die hoge geest, die morgenster van het kwaad, uit de hemel viel, viel hij als een rebel.
   En gevoelloos, verlangend naar zonde, met een besmette geest en een opstandige ziel, haastte Dorian Gray zich voort, versnelde zijn stap, maar terwijl hij afsloeg in een donkere poort - een kortere weg naar het beruchte hol - voelde hij opeens hoe iemand hem langs achter beetpakte en voor hij zich had kunnen verweren werd hij door een forse hand in zijn nek tegen een muur gekwakt.
   Hij vocht als een razende voor zijn leven en met een geweldige inspanning rukte hij de knellende vingers weg. Onmiddellijk daarop hoorde hij het overhalen van een haan en zag hij een loop blinken tegen zijn voorhoofd en een korte, brede man voor zich.
   “Wat moet je?”, steunde hij.
   “Hou je kop”, sprak de man. “Wanneer je een beweging maakt, schiet ik.”
   “Je bent gek. Wat heb ik je gedaan?”
   “Je hebt het leven van Sibyl Vane verwoest”, was het antwoord. “Sibyl Vane was mijn zuster. Ze heeft zich van kant gemaakt. Ik weet het. En dat is jouw schuld. Ik heb gezworen dat ik jou zou vermoorden. Ik zoek je al jaren. Ik wist helemaal niet hoe je er uitzag. De twee mensen die je hadden kunnen beschrijven zijn dood. Ik wist niets over jou behalve de naam die zij je gaf. Ik hoorde die vannacht bij toeval. Bid tot God, want vannacht zul je sterven.”
   Dorian Gray werd ziek van angst. “Ik heb haar nooit gekend”, stamelde hij. “Ik heb nooit van haar gehoord. Je bent gek.”
   “Je zou er beter aan doen alles te bekennen, want zowaar ik James Vane heet, ik schiet!” Het was een verschrikkelijk ogenblik. Dorian wist niet wat hij doen of zeggen zou. “Op je knieën”, donderde de man. “Ik geef je een minuut om je zonden te overdenken, geen seconde meer. Ik ga vannacht onder zeil naar Indië en ik moet dit afmaken. Eén minuut en dan uit.”
   Dorians armen vielen slap langs zijn lijf. Verlamd van schrik wist hij niet meer wat te doen. Opeens schoot een radeloze hoop door zijn brein. “Hou op”, riep hij. “Hoe lang is het geleden, dat je zuster stierf? Gauw, zeg op.”
   “Achttien jaar”, sprak de man. “Waarom vraag je dat? Wat doen de jaren ertoe!”
   “Achttien jaar!”, lachte Dorian Gray met triomf in zijn stem. “Achttien jaar! Zet me onder die lantaarn en kijk me eens goed aan!”
   James Vane aarzelde, niet begrijpend wat hij wilde. Toen nam hij Dorian Gray beet en sleurde hem weg uit de poort.
   Het verwaaide lichtje flikkerde flauw maar zijn schijnsel was helder genoeg om hem zijn vergissing duidelijk te maken, want het gelaat van de man die hij had willen doden was nog fris en jong. Hij scheen een jongen van twintig jaar, niet veel ouder dan zijn zuster toen zij jaren geleden afscheid hadden genomen. Het was duidelijk dat deze man het niet kon geweest zijn.
   Hij liet zijn greep los en deinsde terug. “Mijn God! Mijn God!”, riep hij, “en ik zou je vermoord hebben!”
   Dorian haalde diep adem. “Je hebt bijna een verschrikkelijke misdaad begaan”, sprak hij streng. “Laat het een waarschuwing voor je zijn om het recht niet in eigen handen te nemen.”
   “Vergeef me, meneer”, mompelde James Vane. “Ik heb me vergist. Een enkel woord dat ik hoorde in dat vervloekte hol bracht me op een verkeerd spoor.”
   “Je zou beter naar huis te gaan en dat pistool wegbergen; anders kom je nog in moeilijkheden”, sprak Dorian, die zich daarop omdraaide en wegging.
   James Vane bleef vol ontzetting op straat staan. Hij beefde van het hoofd tot de voeten. Na een korte tijd kwam een zwarte schaduw, die langs de druipende muren was geslopen, in het licht, bij hem. Hij voelde een hand op zijn arm en keek met schrik om. Het was één van de vrouwen die aan de bar hadden staan drinken.
   “Waarom schoot je niet?”, siste ze, het uitgeteerde gelaat vlak bij zijn gezicht houdend. “Ik wist wel, dat je hem achterna zat, toen je wegvloog van Daly. Ezel! Je had hem moeten vermoorden. Hij heeft schatten van geld en hij is zo slecht als je het maar hebben kunt.”
   “Hij is niet de man die ik zoek”, antwoordde hij, “en ik heb zijn geld niet nodig. Ik wil iemands leven. De man die ik zoek moet nu een jaar of veertig zijn. Deze is nog een jongen. Goddank! zijn bloed kleeft niet aan mijn handen.”
   De vrouw lachte bitter. “Nog een jongen!”, grijnsde ze. “Kerel, het is bijna achttien jaar geleden dat de Toverprins van mij maakte wat ik nu ben.”
   “Je liegt!”, riep James Vane.
   Ze strekte haar handen naar de hemel. “Bij God! ik zeg de waarheid”, riep zij uit.
   “Bij God?”
   “Ik mag dood gaan als het niet zo is. Hij is de gemeenste kerel die hier ooit een voet heeft binnen gezet. Ze zeggen dat hij zijn ziel aan de duivel verkocht heeft in ruil voor een mooi gezicht. Het is bijna achttien jaar geleden dat ik hem ontmoette. En hij is niet veel veranderd. Ik wel”, voegde ze eraan toe met een ellendig gegrinnik.
   “Zweer je het?”
   “Ik zweer het” kwam als een hese echo over haar lippen. “Maar verraad me niet aan hem”, smeekte ze. “Ik ben bang voor hem. Geef me wat geld voor mijn nachtlogies.”
   Met een vloek rukte hij zich van haar los en rende naar de hoek van de straat, maar Dorian Gray was verdwenen. Toen hij terugkwam was de vrouw ook weg.



17 Hoofdstuk 17


  

Een week later zat Dorian Gray in de serre van Selby Royal te praten met het mooie hertoginnetje van Monmouth die met haar echtgenoot, een vermoeide man van zestig jaar, bij hem te gast was. Het was theetijd en het zachte schijnsel van de grote met kant gesluierde lamp op de tafel verlichtte het porcelein en het zilver van het theeservies, waarover de hertogin presideerde. Haar witte handen bewogen zich met gratie tussen de kopjes en haar volle rode lippen glimlachten om iets dat Dorian haar toefluisterde. Lord Henry, achterover leunend in een met zijde gedrapeerde stoel, lag hen gade te slaan. Lady Narborough deed of ze luisterde naar de beschrijving die de hertog haar gaf van de Braziliaanse kever die hij zopas aan zijn verzameling had toegevoegd. Drie jongelui in elegante smokings presenteerden gebakjes aan de dames. Het gezelschap bestond uit twaalf personen en de volgende dag werden er meer verwacht.
   “Waar hebben jullie het over?”, vroeg Lord Henry bij de tafel komend om zijn kopje neer te zetten. “Ik hoop dat Dorian je verteld heeft over mijn plan om alles te herdopen, Gladys. Zou je dat geen aardig idee vinden?”
   “Maar ik heb geen zin om herdoopt te worden, Harry”, antwoordde de hertogin, hem aankijkend met ogen vol charme. “Ik ben heel tevreden met mijn naam, en Mr. Gray zeker ook met de zijne.”
   “Gladyslief, ik zou geen van die twee namen willen veranderen. Ze zijn allebei uitstekend. Ik dacht voornamelijk aan bloemen. Gisteren plukte ik een orchidee voor mijn knoopsgat. Het was een prachtige gevlekte bloem, bijna zo mooi als één van de zeven doodzonden. Op een ondoordacht ogenblik vroeg ik aan de tuinman hoe ze heette. Hij zei iets als Robinsoniama of een ander barbaars woord. Het is treurig, maar we schijnen verleerd te hebben de dingen mooie namen te geven. En een naam is alles. Ik vecht nooit tegen feiten. Ik vecht alleen tegen namen. Dat is ook de reden waarom ik niet van realisme hou in de literatuur. De persoon die een spade een spade noemt, moest veroordeeld worden er zelf één te gebruiken. Dat is het enige waarvoor hij geschikt is.”
   “Hoe zouden we jou dan wel moeten noemen, Harry?”, vroeg zij.
   “Zijn naam is Prins Paradox”, zei Dorian.
   “Ik herken hem onmiddellijk”, riep de hertogin uit.
   “Ik wil er niet van weten”, lachte Lord Henry terwijl hij zich in zijn stoel liet neerzakken. “Aan een etiket kan men niet meer ontsnappen. Ik weiger de titel.”
   “Kroonprinsen mogen de troon niet weigeren”, kwam er als een waarschuwing uit de mooie lippen.
   “U wilt dus dat ik mijn troon verdedig?”
   “Ja”
   “Ik hou het bij de waarheden van morgen.”
   “Ik prefereer de vergissingen van vandaag”, antwoordde zij.
   “Je ontwapent mij, Gladys”, riep hij uit, haar halsstarrigheid begrijpend.
   “Ik neem alleen je schild weg, niet je speer.”
   “Ik hef die nooit op tegen schoonheid”, zei hij met een wuivend handgebaar.
   “Dat is een vergissing van jou, Harry, geloof me. Je hecht veel te veel belang aan schoonheid.”
   “Hoe kun je dat zeggen? Ik geef toe dat ik denk dat het beter is om mooi te zijn dan goed. Maar anderzijds is niemand meer bereid dan ik om toe te geven dat goed zijn beter is dan lelijk zijn.”
   “Lelijkheid is dus één van de zeven hoofdzonden?”, riep de hertogin. “Wat moet ik dan denken over je glimlach voor de orchidee?”
   “Lelijkheid is één van de zeven dodelijke deugden, Gladys. Jij, als goede Tory, mag hen niet onderschatten. Bier, de Bijbel en de zeven dodelijke deugden hebben van Engeland gemaakt wat het is.”
   “Je houdt dus niet van je land?”, vroeg ze.
   “Ik leef erin.”
   “Zodat je het beter kan bekritiseren.”
   “Wil je dat ik het verdict van Europa volg?”, vroeg hij.
   “Wat zeggen ze over ons?”
   “Dat Tartuffe naar Engeland is geëmigreerd en er een winkel heeft geopend.”
   “Ik dat een uitspraak van jou, Harry?”
   “Ik schenk ze je.”
   “Ik kan er niets mee aanvangen. Ze is te waar.”
   “Je moet niet bang zijn. Onze landgenoten herkennen nooit een omschrijving.”
   “Ze zijn praktisch.”
   “Ze zijn eerder geslepen dan praktisch. Wanneer ze hun grootboek bijwerken brengen ze domheid in balans met rijkdom en verdorvenheid met hypocrisie.”
   “En toch hebben we grootse dingen verwezenlijkt.”
   “Grote dingen zijn ons toegeworpen, Gladys.”
   “We hebben hun last gedragen.”
   “Slechts tot aan de Beurs.”
   Ze schudde haar hoofd. “Ik geloof in het ras”, riep ze uit.
   “Het vertegenwoordigt de overlevingsdrang van de doorduwers.”
   “Het ontwikkelt zich.”
   “Verval fascineert me meer.”
   “En wat dan met de kunst?”, vroeg ze.
   “Het is een ziekte.”
   “Liefde?”
   “Een illusie.”
   “Religie?”
   “Het modieuze surrogaat voor geloof.”
   “Je bent een scepticus?”
   “Nooit! Sceptiscisme is het begin van een geloof.”
   “Wat ben je?”
   “Definiëren is beperken.”
   “Geef me een aanwijzing.”
   “Draden breken. Je zou je weg verliezen in het labyrinth.”
   “Je verwart me. Laten we over iemand anders praten.”
   “Onze gastheer is een heerlijk onderwerp. Jaren geleden werd hij Toverprins genoemd.”
   “Ah! herinner me daar niet aan”, riep Dorian Gray.
   “Onze gastheer is vanavond nogal akelig”, antwoordde de hertogin, een kleur krijgend. “Ik geloof dat hij denkt dat Monmouth met mij getrouwd is om puur wetenschappelijke redenen, alsof ik het beste exemplaar van een nieuwe vlindersoort was, dat hij kon vinden.”
   “Wel, ik hoop dat hij geen spelden in u steekt, Hertogin”, lachte Dorian.
   “Oh! Dat doet mijn meid wel, Mr. Gray, wanneer ik haar erger.”
   “En waarmee ergert u haar, Hertogin?”
   “Met de meest triviale dingen, Mr. Gray, dat verzeker ik u. Gewoonlijk omdat ik om tien voor negen binnen kom en haar zeg dat ik tegen half acht gekleed moet zijn.”
   “Hoe onredelijk van haar! U zou haar moeten ontslaan.”
   “Dat durf ik niet, Mr. Gray. Ze ontwerpt hoeden voor mij. Herinnert u zich nog de hoed die ik droeg op het tuinfeest van Lady Hilstone? Nee dat doet u niet, maar het is lief dat u toch doet alsof. Wel, ze heeft hem uit bijna niets gemaakt. Alle goede hoeden worden uit bijna niets gemaakt.”
   “Zoals goede reputaties, Gladys”, onderbrak Lord Henry. “Telkens wanneer men indruk maakt levert dat een vijand op. Om populair te zijn moet men onbetekenend zijn.”
   “Niet bij vrouwen”, zei de hertogin, haar hoofd schuddend; “en vrouwen regeren de wereld. Ik verzeker u dat wij middelmatige mannen niet kunnen uitstaan. Wij vrouwen, zoals iemand gezegd heeft, beminnen met onze oren, net zoals jullie mannen met jullie ogen beminnen, indien jullie ooit al echt beminnen.”
   “Het schijnt mij toe dat we niets anders doen”, mompelde Dorian.
   “Ah! Dan bemint u nooit echt, Mr. Gray”, antwoordde de hertogin met geveinsde treurigheid.
   “Mijn lieve Gladys!”, riep Lord Henry. “Hoe kun je zoiets zeggen? Romances bestaan slechts door herhaling, en herhaling verheft de lust tot een kunstvorm. Daarbij, elke keer dat men liefheeft is de enige keer dat men ooit lief heeft gehad. Een ander object verandert de uniekheid van de passie niet. Dat verhevigt het alleen maar. In het beste geval kunnen we in het leven maar één grote ervaring hebben, en het geheim van het leven is om die ervaring zo vaak mogelijk opnieuw te beleven.”
   “Zelfs wanneer men er door gekwetst is geweest, Harry?”, vroeg de hertogin na een pauze.
   “Vooral wanneer men er door gekwetst is”, antwoordde Lord Henry.
   De hertogin keerde zich naar Dorian Gray en keek hem aan met een eigenaardige uitdrukking in haar ogen. “Wat zegt u daarop, Mr. Gray?”, vroeg ze.
   Dorian aarzelde een ogenblik. Daarna gooide hij zijn hoofd achterover en lachte. “Ik ga altijd akkoord met Harry, Hertogin.”
   “Zelfs wanneer hij het fout heeft?”
   “Harry heeft het nooit fout, Hertogin.”
   “En maakt deze levenshouding u gelukkig?”
   “Ik heb nooit gezocht naar geluk. Wie wil er geluk? Ik heb gezocht naar genot.”
   “En heeft u het gevonden, Mr. Gray?”
   “Vaak. Te vaak.”
   De hertogin zuchtte. “Ik ben op zoek naar gemoedsrust”, zei ze, “en indien ik nu niet ga en me herkleed zal ik die vanavond niet vinden.”
   “Laat mij enkele orchideeën voor u gaan halen”, riep Dorian, recht springend en naar de serre lopend.
   “Je flirt op een schandelijke manier met hem”, zei Lord Henry tegen zijn nicht. “Je zou beter oppassen. Hij is zeer fascinerend.”
   “Indien hij dat niet was zou er geen strijd zijn.”
   “Griek ontmoet Griek, dus?”
   “Ik sta aan de zijde van de Trojanen. Zij vochten voor een vrouw.”
   “Ze werden verslagen.”
   “Er zijn ergere dingen dan veroverd worden”, antwoordde ze.
   “U galoppeert met losse teugel.”
   “Snelheid doet leven”, riposteerde ze.
   “Ik zal het vannacht in mijn dagboek schrijven.”
   “Wat?”
   “Dat een verbrand kind van vuur houdt.”
   “Ik ben zelfs niet geschroeid. Mijn vleugels zijn intact.”
   “U gebruikt ze voor alles, behalve om te vliegen.”
   “De moed is overgestapt van mannen naar vrouwen. Het is een nieuwe ervaring voor ons.”
   “U heeft een rivale.”
   “Wie?”
   Hij lachte. “Lady Narborough”, fluisterde hij. “Ze aanbidt hem gewoon.”
   “U vervult mij met afkeer. De aantrekkingskracht van de oudheid is fataal voor romantici zoals wij.”
   “Romantici! U gebruikt wetenschappelijke methodes.”
   “De mannen hebben ons opgevoed.”
   “Maar u niet verklaard.”
   “Beschrijf ons als sexe”, daagde ze hem uit.
   “Sfinxen zonder geheim.”
   Ze keek hem glimlachend aan. “Hoe lang blijft Mr. Gray toch weg!”, zei ze. “Laten wij hem gaan helpen. Ik heb hem de kleur van mijn japon nog niet verklapt.”
   “Ah! Je zult je japon moeten aanpassen aan de kleur van de bloemen, Gladys.”
   “Dat zou een voortijdige overgave zijn.”
   “Romantische kunst begint met zijn climax.”
   “Ik moet de weg voor een mogelijke aftocht openhouden.”
   “Op de wijze van de Parthen?”
   “Zij vonden veiligheid in de woestijn. Dat zou ik niet kunnen doen.”
   “Vrouwen hebben niet altijd een vrije keuze”, antwoordde hij, maar amper had hij die zin uitgesproken toen er van uit het verste uiteinde van de serre een gesmoord gekreun kwam, gevolgd door het doffe geluid van een zware val. Iedereen verstijfde. De hertogin bleef roerloos van angst staan. En met angst in zijn ogen liep Lord Henry tussen de wuivende palmen tot hij Dorian Gray vond die met zijn gezicht naar beneden op de betegelde vloer lag in een bezwijming die op de dood leek.
   Hij werd onmiddellijk naar de blauwe salon gedragen en neergelegd op één van de sofa's. Na een korte tijd kwam hij terug bij bewustzijn en keek met een versufte uitdrukking om zich heen.
   “Wat is er gebeurd?”, vroeg hij. “Oh! Ik weet het weer. Ben ik hier veilig, Harry?” Hij begon te beven.
   “Mijn beste Dorian”, antwoordde Lord Henry, “je hebt gewoon een flauwte gehad. Dat was alles. Je moet jezelf te zeer vermoeid hebben. Je was beter niet naar het diner gekomen. Ik zal je plaats innemen.”
   “Nee, ik zal naar beneden komen”, zei hij, zich wankelend oprichtend. “Ik wil liever naar beneden komen. Ik wil niet alleen zijn.”
   Hij ging naar zijn kamer en kleedde zich. Er was een wilde roekeloze vrolijkheid in zijn manier van doen toen hij aan tafel zat, maar nu en dan trok er een rilling door hem heen toen hij zich herinnerde hoe hij, gedrukt tegen het glas van de serre, als een witte zakdoek, het gezicht had gezien van James Vane die hem gade sloeg.



18 Hoofdstuk 18


  

De volgende dag kwam hij zijn huis niet uit en bracht de meeste tijd door in zijn eigen kamer, ziek door een wilde doodsangst en toch onverschillig tegenover het leven zelf. De wetenschap dat hij opgejaagd werd, verstrikt en achtervolgd werd begon hem te overheersen. Indien het wandtapijt nog maar even bewoog door de wind begon hij te beven. De dode bladeren die tegen de glas in lood ramen werden geblazen leken voor hem als zijn eigen vergeefse voornemens en hevige gevoelens van spijt. Toen hij zijn ogen dicht deed zag hij opnieuw het gezicht van de matroos, turend door het met mist beslagen glas en de verschrikking hiervan scheen opnieuw haar koude hand op zijn hart te leggen.
   Maar misschien was het alleen maar zijn inbeelding geweest die het beeld van wraak had opgeroepen vanuit de nacht en hem de afzichtelijke vormen van zijn straf had voorgespiegeld. Het echte leven was een chaos, maar in de verbeelding zat een verschrikkelijke logica. Het was de verbeelding die spijt opriep na de zonde. Het was de verbeelding die aan elke misdaad haar ongelukkige afloop koppelde. In de gewone feitelijke wereld werden de slechten niet gestraft of de goeden beloond. Succes werd gegeven aan de sterken, mislukking aan de zwakken. Dat was alles. En daarbij, indien er een vreemdeling rond het huis sloop dan zou hij gezien zijn door de bedienden en de bewaarders. Indien er voetsporen waren gevonden in de bloembedden dan zouden de tuiniers dit gemeld hebben. Ja, het was slechts een inbeelding geweest. De broer van Sybil Vane was niet teruggekomen om hem te vermoorden. Hij was afgevaren op zijn schip om te verdrinken in één of andere winterse zee. Van hem moest hij in elk geval niets vrezen. Want de man wist toch niet wie hij was? Kon niet weten wie hij was. Het masker van jeugdigheid had hem gered.
   En toch, indien het alleen maar inbeelding was geweest, hoe verschrikkelijk was het dan niet te bedenken dat het geweten zulke angstaanjagende spoken kon oproepen, en hen een zichtbare vorm geven, en hen laten bewegen voor iemands ogen! Wat voor een leven zou hij hebben indien, dag en nacht, de schaduwen van zijn misdaad hem zouden aanstaren vanuit stille hoeken, hem vanuit geheime plaatsen zouden bespotten, dingen in zijn oor zouden fluisteren wanneer hij aan een feestmaal zat, hem met hun ijzige vingers zouden wakker maken uit zijn slaap! Terwijl deze gedachte door zijn brein kroop werd hij wit van angst en de lucht scheen ineens veel kouder. Oh! In welk een krankzinnig moment had hij zijn vriend gedood! Hoe ijzingwekkend was zelfs alleen maar de herinnering aan die scene! Hij zag het allemaal opnieuw. Elk afschuwelijk detail kwam terug met een nog grotere verschrikkelijkheid. Vanuit de zwarte spelonk van de tijd, afschuwelijk en gehuld in scharlakenrood, rees het beeld van zijn zonde omhoog. Toen Lord Henry om zes uur langs kwam vondt hij hem schreiend als iemand wiens hart zal gaan breken.
   Pas na drie dagen waagde hij het om buiten te gaan. Er was iets in de heldere, naar dennen geurende lucht van die winterochtend die hem zijn vreugde en levenslust scheen terug te geven. Maar het waren niet alleen de fysieke eigenschappen van zijn omgeving die deze verandering teweeg brachten. Zijn eigen natuur kwam in opstand tegen de overmaat aan angst die geprobeerd had zijn volmaakte sereniteit te verdrijven. Met subtiele, complexe karakters ging het altijd zo. Hun sterke passies moesten ofwel een uitweg vinden ofwel teniet gaan. Ofwel doden ze een mens, ofwel sterven ze zelf. Oppervlakkige spijt en oppervlakkige liefde blijven bestaan. Grote liefde en groot verdriet worden vernietigd door hun eigen geweld. Daarbij had hij zichzelf ervan overtuigd dat hij het slachtoffer was geworden van een door angst op hol geslagen verbeelding, en hij keek nu terug op zijn angsten met een gevoel van medelijden en een flinke dosis misprijzen.
   Na het ontbijt wandelde hij met de hertogin een uur in de tuin en reed dan door het park om deel te nemen aan een jachtpartij. De knapperige rijm lag als zout op het gras. De hemel was een omgekeerde kop van blauw metaal. Een dun laagje ijs vormde een boord rond het vlakke met riet begroeide meer.
   Bij de hoek van het dennenbos kreeg hij Sir Geoffrey Clouston in het oog, de broer van de hertogin, terwijl hij twee verbruikte patronen uit zijn geweer liet springen. Hij sprong uit de wagen en nadat hij tegen de stalknecht had gezegd dat hij de merrie naar huis moest brengen, stapte hij doorheen verwelkte varens en warrig kreupelhout in de richting van zijn gasten.
   “Heb je een goede jacht gehad, Geofrrey?”, vroeg hij.
   “Niet zo goed, Dorian. Ik denk dat de meeste vogels naar de open vlakte zijn. Ik hoop dat het beter zal gaan na de lunch, wanneer we naar het andere terrein gaan.”
   Dorian liep met hem mee. De intens aromatische lucht, de bruine en rode vlekken die in het bos oplichtten, het hese geschreeuw van de drijvers en de scherpe knallen van de geweren die erop volgden, fascineerden hem en vervulden hem met een heerlijk vrij gevoel. Hij werd beheerst door de zorgeloosheid van het gelukkig zijn, door de onverschilligheid van de vreugde.
   Plots, vanuit een bultige pol oud gras een twintig meter voor hen, met de zwart gepunte oren opgericht en voortgestuwd door de lange achterpoten, sprong een haas weg. Hij liep naar een elzenbosje. Sir Geoffrey legde zijn geweer tegen zijn schouder, maar er was zulk een sierlijkheid in de bewegingen van het dier dat Dorian Gray er op een vreemde manier door bekoord werd en hij riep snel, “Niet schieten, Geoffrey. Laat hem leven.”
   “Wat een onzin, Dorian!”, lachte zijn metgezel, en toen de haas in het bosje sprong, schoot hij. Er waren twee kreten hoorbaar, de pijnkreet van de haas en de kreet van een man die in doodsangst verkeert, wat erger is.
   “Lieve help! Ik heb een drijver geraakt!”, riep Sir Geoffrey. “Wat een ezel om in het schietveld van de wapens te lopen! Stop met schieten!”, riep hij met overslaande stem. “Er is een man geraakt.”
   De hoofdopzichter kwam afgelopen met een stok in zijn hand.
   “Waar, mijnheer? Waar is hij?”, riep hij. Op datzelfde ogenblik stopte het schieten over de hele lijn.
   “Hier”, antwoordde Sir Geoffrey kwaad, zich naar het bosje spoedend. “Waarom in godsnaam hou je je mensen niet achter ons? Het verpest mijn plezier voor de hele dag.”
   Dorian sloeg hen gade terwijl ze het elzenbosje ingingen en de buigzame takken opzij duwden. Na een paar ogenblikken kwamen ze er terug uit en sleepten achter zich een lichaam het zonlicht binnen. Met afschuw draaide hij zich om. Het leek of de rampspoed hem volgde waar hij ook ging. Hij hoorde Sir Geoffrey vragen of de man werkelijk dood was en daarna het bevestigend antwoord van de opzichter. Het bos scheen plots tot leven te komen met een reeks gezichten. Er was het getrappel van talloze voeten en het doffe geroezemoes van stemmen. Een grote koperkleurige fazant vloog klapwiekend tussen de takken boven hen.
   Na een paar ogenblikken - welke voor hem, in zijn staat van beroering, eindeloze uren van pijn leken - voelde hij een hand op zijn schouder. Hij schrok en keek rond.
   “Dorian”, zei Lord Henry, “ik kan hen beter zeggen dat de jacht vandaag afgelopen is. Het zou niet goed staan indien we nu verder deden.”
   “Ik wou dat het voor altijd afgelopen was, Harry”, antwoordde hij bitter. “Dat hele gedoe is afschuwelijk en wreed. Is de man...?”
   Hij kon zijn zin niet afmaken.
   “Ik ben bang dat het zo is”, antwoordde Lord Henry. “Hij heeft de hele lading in zijn borst gekregen. Hij moet onmiddellijk dood geweest zijn. Kom, laat ons naar huis gaan.”
   Ze liepen naast elkaar in de richting van de laan en spraken gedurende vijftig meter geen woord. Daarna keek Dorian Lord Henry aan en zei, met een grote zucht: “Het is een slecht voorteken, Harry, een zeer slecht voorteken.”
   “Waarover heb je het?”, vroeg Lord Henry. “O, dat ongeluk, veronderstel ik. Mijn beste kerel, er is niets aan te doen. Het was zijn eigen schuld. Waarom liep hij in het schietveld? Wij hebben er niets mee te maken. Het is natuurlijk nogal ongelukkig voor Geoffrey. Het is niet zo goed om een lading hagel in drijvers te schieten. Het geeft de mensen de indruk dat men een onbezonnen schutter is. En dat is Geoffrey niet; hij kan heel goed schieten. Maar verder praten over deze zaak haalt niets uit.”
   Dorian schudde zijn hoofd. “Het is een slecht voorteken, Harry. Ik heb het gevoel dat er met één van ons iets verschrikkelijk gaat gebeuren. Met mijzelf, misschien”, voegde hij eraan toe terwijl hij met zijn hand over zijn ogen wreef in een gebaar van pijn.
   De oudere man lachte. “Het enige wat verschrikkelijk is in de wereld is verveling, Dorian. Dat is de enige zonde waarvoor geen vergiffenis bestaat. Maar het is niet erg waarschijnlijk dat we daar last zullen van hebben tenzij deze kerels tijdens het diner over dit geval blijven doorbomen. Ik moet hen vertellen dat dit onderwerp een taboe is. En wat voortekens betreft, er bestaat niet zoiets als een voorteken. Het lot stuurt geen boodschappers uit. Het is te verstandig of te wreedaardig om dat te doen. En daarbij, wat ter wereld zou er met jou kunnen gebeuren, Dorian? Je hebt alles wat een man kan verlangen. Er is niemand die niet graag met jou zou willen ruilen.”
   “Er is niemand met wie ik niet zou willen ruilen, Harry. Lach niet zo. Ik spreek de waarheid. De armzalige boer die zojuist is gestorven is er beter aan toe dan ik. Ik ben niet bang van de dood. Het is het naderen van de dood welke mij angst aanjaagt. Zijn monsterachtige vleugels schijnen te klapwieken in de loden lucht rondom mij. Lieve hemel! Zie je daar geen man achter de bomen die naar mij kijkt, die me opwacht?”
   Lord Henry keek in de richting waarheen de bevende gehandschoende hand wees. “Ja”, zei hij glimlachend, “ik zie dat je tuinman op je wacht. Ik veronderstel dat hij wil vragen welke bloemen je vanavond op de tafel wilt zetten. Hoe onzinnig zenuwachtig ben je toch, mijn beste kerel! Je moet eens bij mijn dokter gaan wanneer we terug in de stad zijn.”
   Dorian slaakte een zucht van opluchting toen hij de tuinman dichterbij zag komen. De man tikte aan zijn hoed, keek een ogenblik aarzelend naar Lord Henry, en haalde daarna een brief boven die hij aan zijn meester gaf. “Hare hoogheid heeft me gevraagd te wachten op een antwoord”, mompelde hij.
   Dorian stak de brief in zijn zak. “Zeg tegen hare Hoogheid dat ik kom”, zei hij koel. De man keerde zich om en liep snel in de richting van het huis.
   “Hoe verlekkerd zijn vrouwen toch op het doen van gevaarlijke dingen!”, lachte Lord Henry. “Het is één van de kwaliteiten welke ik het meest in hen bewonder. Een vrouw zal met iedereen in de wereld flirten zolang ze toeschouwers heeft.”
   “Hoe verlekkerd ben jij op het doen van gevaarlijke uitspraken, Harry! In dit geval zit je er wel naast. Ik heb de hertogin heel graag, maar ik hou niet van haar.”
   “En de hertogin houdt veel van jou, maar ze heeft je niet zo graag, dus passen jullie uitstekend samen.”
   “Je zegt schandalige dingen, Harry, en er is geen grond voor een schandaal.”
   “De basis van elk schandaal is een immorele zekerheid”, zei Lord Henry terwijl hij een sigaret opstak.
   “Je zou iedereen opofferen, Harry, ter wille van een epigram.”
   “De wereld gaat uit eigen beweging naar de offerplaats”, was het antwoord.
   “Ik wou dat ik lief kon hebben”, riep Dorian Gray met een diepe ondertoon van pathos in zijn stem. “Maar ik schijn de passie verloren te hebben en het verlangen vergeten te zijn. Ik ben teveel op mezelf gericht. Mijn eigen persoonlijkheid is een last voor mij geworden. Ik wil ontsnappen, weg gaan, vergeten. Het was dwaas van mij om hier naartoe te komen. Ik denk dat ik een telegram naar Harvey ga sturen om het yacht klaar te laten maken. Op een yacht is men veilig.”
   “Veilig voor wat, Dorian? Je zit in moeilijkheden. Waarom vertel je mij niet wat er is? Je weet dat ik je zou helpen.”
   “Ik kan het je niet vertellen, Harry”, antwoordde hij treurig. “En ik durf zeggen dat het slechts een gril van mij is. Dit ongelukkige voorval heeft me van streek gemaakt. Ik heb een verschrikkelijk voorgevoel dat iets gelijkaardig met mij gaat gebeuren.”
   “Wat een onzin!”
   “Ik hoop dat het dat is, maar ik kan het gevoel niet van me afzetten. Ah! Hier is de hertogin en ze ziet eruit als een Artemis in op maat gemaakte kleding. U ziet dat we teruggekomen zijn, Hertogin.”
   “Ik heb er alles over gehoord, Mr. Gray”, antwoordde ze. “Die arme Geoffrey is er ondersteboven van. En het schijnt dat u hem gevraagd had de haas niet neer te schieten. Hoe eigenaardig!”
   “Ja, het was zeer eigenaardig. Ik weet niet wat mij bezielde om dat te zeggen. Een gril, veronderstel ik. Het scheen het liefste van alle levende dingen te zijn. Maar het spijt me dat ze u over die man verteld hebben. Het is een afschuwelijk onderwerp.”
   “Het is een vervelend onderwerp”, kwam Lord Henry er tussen. “Het heeft geen enkele psychologische verdienste. Indien Geoffrey het opzettelijk had gedaan, hoe interessant zou dat geweest zijn! Ik zou iemand willen kennen die een echte moord begaan heeft.”
   “Hoe akelig van jou, Harry!”, riep de hertogin. “Vindt u ook niet, Mr. Gray? Harry, Mr. Gray voelt zich terug onwel. Hij gaat flauwvallen.”
   Dorian herpakte zich met moeite en glimlachte. “Het is niets, Hertogin”, mompelde hij, “mijn zenuwen zijn verschrikkelijk ontregeld. Dat is alles. Ik ben bang dat ik vanmorgen te ver gewandeld heb. Ik heb niet gehoord wat Harry zei. Was het erg slecht? U moet het mij een andere keer vertellen. Ik denk dat ik even moet gaan liggen. U wilt mij wel excuseren, is het niet?”
   Ze kwamen aan de grote trap die van de serre naar het terras leidde. Toen de glazen deur zich achter Dorian sloot draaide Lord Henry zich om en keek de hertogin aan met zijn sluimerende blik. “Ben je erg verliefd op hem?”, vroeg hij.
   Ze gaf niet onmiddellijk antwoord maar staarde naar het landschap. “Ik wou dat ik het wist”, zei ze tenslotte.
   Hij schudde zijn hoofd. “Het weten zou fataal zijn. Het is de onzekerheid die iemand charmeert. Een mist maakt de dingen wonderbaar.”
   “Men kan erin verdwalen.”
   “Alle wegen komen uit op hetzelfde punt, mijn lieve Gladys.”
   “En dat is?”
   “Desillusie.”
   “Dat was mijn debuut in het leven”, zuchtte ze.
   “Het kwam gekroond naar jou toe.”
   “Ik ben de laurierbladeren beu.”
   “Ze staan u nochthans goed.”
   “Enkel in het openbaar.”
   “U zou ze missen”, zei Lord Henry.
   “Ik zal geen afstand doen van een enkel blad.”
   “Monmouth heeft oren.”
   “Oude mensen hebben een afgestompt gehoor.”
   “Is hij nooit jaloers geweest?”
   “Ik wou dat hij dat was geweest.”
   Hij wierp een blik op haar alsof hij iets zocht. “Waar zoek je naar?”, vroeg ze.
   “De knop van uw degen”, antwoordde hij. “U heeft hem laten vallen.”
   Ze lachte. “Ik heb mijn masker nog.”
   “Het maakt uw ogen nog mooier”, was zijn antwoord.
   Ze lachte opnieuw. Haar tanden blonken als witte zaden in een scharlakenrode vrucht.
   Boven, in zijn eigen kamer, lag Dorian Gray op een sofa, met een verschrikkelijke angst in elke vezel van zijn lichaam. Het leven was plots een te afschuwelijke last geworden om het nog verder te kunnen verdragen. De vreselijke dood van de ongelukkige drijver, neergeschoten in een bosje zoals een wild dier, scheen hem zijn eigen dood te voorspellen. Hij was bijna flauw gevallen door wat Lord Henry gezegd had in een bui van cynische scherts.
   Rond vijf uur luidde hij de bel voor zijn bediende en gaf hem opdracht alles in te pakken zodat hij de middernacht expres naar de stad kon nemen, en de brougham voor de deur klaar te zetten tegen half negen. Hij was vast besloten geen nacht meer door te brengen op Selby Royal. Het was een plek die ongeluk bracht. De dood wandelde hier rond in het zonlicht. Het gras van het woud was besprenkeld met bloed.
   Daarna schreef hij een briefje voor Lord Henry, hem zeggend dat hij naar de stad ging om zijn dokter te raadplegen en hem te vragen om de gasten te onderhouden tijdens zijn afwezigheid. Terwijl hij het in een omslag stak werd er op de deur geklopt en zijn knecht meldde hem dat de hoofdopzichter hem wou spreken. Hij fronste zijn voorhoofd en beet op zijn lip. “Laat hem binnenkomen”, mompelde hij, na een paar ogenblikken van aarzeling.
   Van zodra de man binnenkwam haalde Dorian zijn chequeboekje uit een lade en spreidde hem voor hem uit.
   “Ik veronderstel dat je hier bent vanwege dat ongelukkige voorval van deze ochtend, Thornton?”, zei hij terwijl hij zijn pen vastnam.
   “Ja, mijnheer”, antwoordde de jachtopziener.
   “Was de arme kerel getrouwd? Had hij mensen die van hem afhankelijk waren?”, vroeg Dorian, verveeld kijkend. “Indien dat zo is dan wil ik niet dat ze behoeftig achter blijven en zal ik hen elke som geld geven welke je nodig acht.”
   “We weten niet wie het is, mijnheer. Dat is de reden waarom ik de vrijheid heb genomen naar u toe te komen.”
   “Je weet niet wie hij is?”, zei Dorian lusteloos. “Wat bedoel je? Is hij niet één van jouw mannen?”
   “Nee, mijnheer. Ik heb hem nooit eerder gezien. Hij heeft het uiterlijk van een matroos, mijnheer.”
   De pen viel uit Dorian Gray's hand en hij had het gevoel alsof zijn hart plots niet meer klopte. “Een matroos?”, riep hij uit. “Heb je matroos gezegd?”
   “Ja, mijnheer. Hij ziet eruit alsof hij zeeman is geweest; getatoeëerd op beide armen en dat soort dingen.”
   “Is er iets op hem gevonden?”, zei Dorian, voorover leunend en de man met verbaasde ogen aankijkend. “Iets waardoor we zijn naam weten?”
   “Een beetje geld, mijnheer - niet veel - en een revolver. Er was geen naam te vinden. Een behoorlijk uitziende man, maar nogal een ruw type. Een matroos denken we.”
   Dorian sprong recht. Een verschrikkelijke hoop dwarrelde om hem heen. Hij klampte zich er als een razende aan vast. “Waar is het lichaam?”, riep hij uit. “Snel! Ik moet het onmiddellijk zien.”
   “Het ligt in een stal in de boerderij van het landgoed, mijnheer. De mensen hebben dat soort dingen liever niet in huis. Ze zeggen dat een lijk ongeluk brengt.”
   “De boerderij! Ga er onmiddellijk heen en ik zal je daar terug zien. Zeg tegen één van de stalknechten om mijn paard voor te leiden. Nee. Laat maar zo. Ik zal zelf naar de stallen gaan. Dat spaart tijd uit.”
   In minder dan een kwartier galoppeerde Dorian Gray zo hard hij kon langs de lange laan. De bomen schenen hem voorbij te schieten als een spookachtige processie en hun wilde schaduwen op zijn pad te werpen. Op een gegeven moment sprong de merrie opzij voor een witte hekstijl en gooide hem bijna uit het zadel. Hij sloeg met zijn zweep op haar nek. Ze doorkliefde de schemerachtige lucht als een pijl. De kiezels spatten op onder haar hoeven.
   Tenslotte bereikte hij de boerderij. Twee mannen slenterden rond op de binnenplaats. Hij sprong uit het zadel en gooide de teugels naar één van hen. In de verste stal flikkerde een licht. Iets scheen hem te zeggen dat het lichaam daar lag, en hij haastte zich naar de deur en legde zijn hand op de klink.
   Daar bleef hij een ogenblik stil staan, voelend dat hij op de drempel stond van een ontdekking die zijn leven zou maken of breken. Daarna stootte hij de deur open en ging naar binnen.
   Op een stapel zakken in de verste hoek lag het dode lichaam van een man gekleed in een ruw hemd en een blauwe broek. Een gevlekte zakdoek lag over zijn gezicht. Een goedkope kaars, in een fles gestoken, sputterde naast hem.
   Dorian Gray sidderde. Hij voelde dat zijn handen niet in staat waren de zakdoek weg te trekken en hij riep één van de boerenknechten dat hij bij hem moest komen.
   “Neem dat ding weg van zijn gezicht. Ik wil het zien”, zei hij, zich vasthoudend aan de deurpost om zichzelf recht te houden.
   Toen de boerenknecht dat gedaan had stapte hij naar voor. Een kreet van vreugde ontsnapte aan zijn lippen. De man die was neergeschoten in het elzenbosje was James Vane.
   Hij bleef enkele minuten bij het dode lichaam staan. Toen hij naar huis reed stonden zijn ogen vol tranen, want hij wist dat hij nu veilig was.



19 Hoofdstuk 19


  

“Het heeft geen zin dat je mij zegt dat je goed zult worden”, riep Lord Henry, zijn witte vingers deppend in een rood koperen kommetje gevuld met rozenwater. “Je bent volmaakt zoals je bent. Ik bid je, verander niet.”
   Dorian Gray schudde zijn hoofd. “Nee, Harry, ik heb teveel verschrikkelijke dingen gedaan in mijn leven. Ik ga er geen meer aan toevoegen. Ik ben gisteren begonnen met mijn goede daden.”
   “Waar was je gisteren?”
   “Op het platteland, Harry. Ik ben op mijn eentje gaan logeren in een kleine inn.”
   “Mijn beste kerel”, zei Lord Henry glimlachend, “iedereen kan goed zijn op het platteland. Daar zijn geen bekoringen. Dat is de reden waarom mensen die niet in de stad leven geen beschaving hebben. Beschaving verwerven is geen eenvoudige zaak. Er zijn slechts twee manieren waarop een man dat kan doen. De ene is door gecultiveerd te zijn, de andere door corrupt te zijn. Buitenmensen verkeren niet in de gelegenheid om één van beide te worden, en daarom blijven ze ter plaatse trappelen.”
   “Cultuur en corruptie”, echode Dorian. “Ik heb ze allebei gekend. Het lijkt me nu verschrikkelijk dat ze ooit samen konden bestaan. Ik heb een nieuw ideaal, Harry. Ik ga veranderen. Ik denk dat ik al veranderd ben.”
   “Je hebt me nog niet verteld wat je goede daad was. Of bedoel je dat je er meer dan één hebt gedaan?” vroeg zijn metgezel terwijl hij zijn bord volstapelde met een kleine karmozijnrode pyramide van wilde aardbeien en die hij, doorheen een geperforeerde schelpvormige lepel, bepoederde met witte suiker.
   “Ik kan het je zeggen, Harry. Het is geen verhaal dat ik tegen iemand anders zou kunnen vertellen. Ik heb iemand gespaard. Het klinkt ijdel, maar je zult begrijpen wat ik bedoel. Ze was heel mooi en bekoorlijk zoals Sybil Vane. Ik denk dat het dat was dat mij in eerste instantie in haar aantrok. Je herinnert je Sybil, is het niet? Hoe lang geleden lijkt het al! Wel, Hetty is geen meisje van onze stand, natuurlijk. Ze was eenvoudig een meisje uit een dorp. Maar ik hield echt van haar. Ik ben er zo goed als zeker van dat ik van haar hield. En die hele mooie meimaand die we gehad hebben ben ik twee of drie keer per week heen en weer gereden om haar te zien. Gisteren had ik met haar afgesproken in een kleine boomgaard. De appelbloesems bleven maar neervallen op haar haren, en ze lachte. We zouden samen deze ochtend vertrokken zijn. Plotseling besloot ik om haar even ongerept achter te laten als ze was toen ik haar voor het eerst ontmoette.”
   “Ik denk dat het nieuwe van dat gevoel je een sensatie van echt genot moet gegeven hebben, Dorian”, onderbrak Lord Henry. “Maar ik kan je idylle voor je afmaken. Je hebt haar goede raad gegeven en haar hart gebroken. Dat was het begin van jouw bekering.”
   “Harry, je bent verschrikkelijk! Je mag die vreselijke dingen niet zeggen. Hetty's hart is niet gebroken. Ze weende natuurlijk en nog van die dingen. Maar ze is niet te schande gemaakt. Ze kan verder leven, zoals Perdita, in haar tuin vol munt en goudsbloemen.”
   “En wenen over een trouweloze Florizel”, zei Lord Henry, lachend terwijl hij achterover leunde in zijn stoel. “Mijn beste Dorian, je verkeert in een zeer eigenaardige, jongensachtige stemming. Denk je dat dit meisje nu ooit nog tevreden zal zijn met iemand van haar eigen stand? Ik veronderstel dat ze op een dag zal trouwen met een ruwe vrachtvoerder of een grinnikende ploeger. Wel, het feit dat ze jou ontmoet heeft, en van jou heeft gehouden, zal haar ertoe aanzetten haar echtgenoot te verafschuwen, en ze zal diep ongelukkig zijn. Vanuit een moreel standpunt kan ik niet zeggen dat ik je zelfverloochening erg waardeer. Zelfs als begin is het maar povertjes. En daarbij, hoe kun je weten dat Hetty momenteel niet in een sterverlichte vijver rond drijft, met liefelijke waterlelies om haar heen, zoals Ophelia?”
   “Ik kan dit niet verdragen, Harry! Je spot met alles en daarna suggereer je de meest ernstige tragedies. Ik heb nu spijt dat ik het je verteld heb. Het kan me niet schelen wat je tegen mij zegt. Ik weet dat ik er goed aan deed door te handelen zoals ik gedaan heb. Arme Hetty! Toen ik vanochtend langs de boerderij reed zag ik haar witte gezichtje achter het venster, als een tros seringen. Maar laat er ons niet meer over spreken, en probeer me er niet van te overtuigen dat de eerste goede daad die ik in jaren heb gedaan, het eerste kleine beetje zelfopoffering dat ik ooit gekend heb, in werkelijkheid een soort zonde is. Ik wil beter zijn. Ik zal beter zijn. Vertel me iets over jezelf. Wat wordt er in de stad gezegd? Ik ben al dagen niet meer naar de club geweest.”
   “De mensen spreken nog altijd over de verdwijning van die arme Basil.”
   “Ik zou denken dat ze dat nu al stilaan beu waren”, zei Dorian, zichzelf wat wijn inschenkend en lichtjes fronsend.
   “Mijn beste jongen, ze praten er nog maar zes weken over en het Britse publiek is werkelijk niet opgewassen tegen de druk om meer dan één gespreksonderwerp per drie maanden te hebben. Maar ze hebben onlangs veel geluk gehad. Ze hebben mijn eigen echtscheiding en de zelfmoord van Alan Campbell gehad. Nu hebben ze de geheimzinnige verdwijning van een kunstenaar. Scotland Yard blijft erbij dat de man in de grijze ulster die met de middernachttrein op de elfde november afreisde naar Parijs de arme Basil was, en de Franse politie heeft verklaard dat Basil nooit in Parijs gearriveerd is. Ik veronderstel dat men binnen de twee weken zal vertellen dat hij gezien is in San Francisco. Het is een eigenaardig iets, maar van iedereen die verdwijnt wordt gezegd dat hij gezien is in San Francisco. Het moet een heerlijke stad zijn die alle attracties van het hiernamaals bezit.”
   “Wat denk jij dat er met Basil gebeurd is?”, vroeg Dorian terwijl hij zijn Bourgogne tegen het licht hield en zich afvroeg hoe het mogelijk was dat hij deze zaak zo kalm kon bespreken.
   “Ik heb niet het minste idee. Indien Basil ervoor kiest om zichzelf te verstoppen dan is dat mijn zaak niet. Indien hij dood is dan wil ik niet meer aan hem denken. De dood is het enige ding dat mij afschuw inboezemt. Ik haat het.”
   “Waarom?”, zei de jongere man vermoeid.
   “Omdat”, zei Lord Henry, het vergulde traliewerk van een open azijndoosje onder zijn neusgaten houdend, “men alles kan overleven behalve dat. Dood en vulgariteit zijn de enige twee zaken welke de negentiende eeuw niet kan wegredeneren. Laten we de koffie in de muziekkamer nemen, Dorian. Je moet Chopin voor me spelen. De man waarmee mijn vrouw is weggelopen speelde uitstekend Chopin. Arme Victoria! Ik was erg op haar gesteld. Het huis is nogal eenzaam zonder haar. Natuurlijk is het huwelijksleven niet meer dan een gewoonte, een slechte gewoonte. Maar we hebben altijd spijt wanneer een gewoonte verloren gaat, zelfs een slechte gewoonte. Misschien heeft men daar nog het meeste spijt van. Slechte gewoontes zijn zulk een essentieel onderdeel van iemands persoonlijkheid.”
   Dorian zei niets, maar stond op van tafel en zette zich in de kamer daarnaast neer voor de piano en liet zijn vingers over de ivoren toetsen glijden. Nadat de koffie was binnengebracht stopte hij, en naar Lord Henry kijkend, zei hij: “Harry is het ooit bij je opgekomen dat Basil vermoord zou kunnen zijn?”
   Lord Henry geeuwde. “Basil was erg populair en droeg altijd een Waterbury uurwerk. Waarom zou hij vermoord zijn? Hij was niet slim genoeg om vijanden te hebben. Natuurlijk had hij een uitzonderlijk talent als kunstschilder. Maar een man kan schilderen als Velasquez en toch zo saai zijn als maar mogelijk is. Basil was echt nogal saai. Hij heeft me slechts eenmaal geïnteresseerd, en dat was toen hij me vertelde, jaren geleden, dat hij een hevige bewondering voor jou koesterde en dat jij het leidend motief was in zijn kunst.”
   “Ik was erg gesteld op Basil”, zei Dorian met een toon van droefenis in zijn stem. “Maar vertellen de mensen niet dat hij vermoord is?”
   “Oh, enkele kranten zeggen dat. Maar mij schijnt dat heel onwaarschijnlijk. Ik weet dat er verschrikkelijke plaatsen zijn in Parijs, maar Basil was niet het soort man om er heen te gaan. Hij was niet nieuwsgierig genoeg. Dat was zijn grootste gebrek.”
   “Wat zou je ervan zeggen, Harry, indien ik je vertelde dat ik Basil vermoord heb?”, zei de jongere man. Hij keek hem intens aan nadat hij gesproken had.
   “Ik zou zeggen, mijn beste kerel, dat je poseert voor een rol die je niet past. Misdaden zijn vulgair, net zoals vulgariteit een misdaad is. Het zit niet in jou, Dorian, om een moord te begaan. Het spijt me indien ik je ijdelheid kwets door dit te zeggen, maar ik verzeker je dat het de waarheid is. Misdaad past alleen bij de lagere klassen. Ik verwijt het hen niet in het minst. Ik denk dat misdaad voor hen is wat kunst voor ons is, gewoon een manier waardoor we buitengewone sensaties kunnen ervaren.”
   “Een manier om sensaties te ervaren? Denk je dan dat een man die ooit een moord pleegde, dat opnieuw zou kunnen doen? Dat geloof ik niet.”
   “Oh! Alles wordt een genot wanneer men het vaak doet”, riep Lord Henry lachend. “Dat is één van de belangrijkste geheimen van het leven. Maar ik denk nochthans dat moord altijd een vergissing is. Men moet nooit iets doen waarover men na het diner niet kan spreken. Maar laten we die arme Basil nu achter ons. Ik wou dat ik kon geloven dat hij op zulk een romantische manier aan zijn einde was gekomen als jij suggereert, maar ik kan het niet. Ik zou kunnen aannemen dat hij vanaf een omnibus in de Seine is gevallen en dat de bestuurder het schandaal heeft kunnen toedekken. Ja, ik beeld me in dat hij op die manier aan zijn einde is gekomen. Ik zie hem op zijn rug liggen in dat saai groene water, en zware vrachtschepen die over hem varen en lange algenslierten in zijn haar. Weet je, ik denk niet dat hij nog veel kunstwerken zou hebben voortgebracht. In de laatste tien jaar is zijn schilderkunst sterk achteruit gegaan.”
   Dorian slaakte een zucht en Lord Henry kuierde door de kamer en begon het hoofd te strelen van een eigenaardige Javaanse papegaai, een grote vogel met grijze pluimen en een roze borst en staart, die zichzelf in evenwicht hield op een stokje van bamboe. Toen zijn puntige vinger het dier aanraakte liet het de witte gerimpelde oogleden over zijn zwarte, glasachtige ogen vallen en begon naar achter en naar voor te schommelen.
   “Ja”, ging hij verder, zich omdraaiend en een zakdoek uit zijn zak nemend, “zijn schilderijen waren inderdaad minder geworden. Het scheen alsof hij iets verloren had. Een ideaal. Toen jullie vriendschap verkoelde hield hij op een groot kunstenaar te zijn. Waardoor zijn jullie uit elkaar gedreven? Ik veronderstel dat hij je verveelde. En indien dàt het geval was, dan heeft hij het je nooit vergeven. Dat is een vaste gewoonte bij vervelende mensen. Maar zeg eens, wat is er met dat wondermooie portret gebeurd dat hij van jou maakte? Ik denk niet dat ik het nog gezien heb nadat het klaar was. Oh, ik herinner me dat je me jaren geleden verteld hebt dat je het naar Selby hebt gestuurd, en dat het onderweg zoek was geraakt of gestolen. Je hebt het nooit teruggekregen? Hoe jammer! Het was echt een meesterwerk. Ik herinner mij dat ik het heb willen kopen. Ik wou dat ik het toen gedaan had. Het behoorde tot zijn beste werk. Sindsdien bestond zijn werk slechts uit die eigenaardige mengeling van slecht schilderwerk en goede intenties waardoor een man het recht krijgt zich een vertegenwoordiger van de Britse schilderkunst te noemen. Heb je er een advertentie voor geplaatst? Je had dat moeten doen.”
   “Ik weet het niet meer”, zei Dorian. “Ik veronderstel dat ik het gedaan heb. Maar ik er nooit echt van gehouden. Ik heb spijt dat ik er voor geposeerd heb. De herinnering aan dat ding vind ik hatelijk. Waarom begin je er over? Het deed me altijd denken aan die eigenaardige zinnen in één of ander toneelstuk - Hamlet, denk ik - hoe gaat het ook weer?
  
   Zoals het schilderij van een verdriet,
   Een gezicht zonder hart.
  
   Ja: dat was het.”
   Lord Henry lachte. “Wanneer een man het leven kunstzinnig behandelt, is zijn verstand zijn hart”, antwoordde hij, neerzinkend in een fauteuil.
   Dorian Gray schudde zijn hoofd en sloeg een paar zachte akkoorden aan op de piano. “Zoals het schilderij van een verdriet”, herhaalde hij, “een gezicht zonder hart.”
   De oudere man leunde achterover en keek hem met half gesloten ogen aan. “Overigens, Dorian”, zei hij na een pauze, “welke baat heeft een man erbij indien hij de hele wereld wint en - hoe gaat het ook weer - zijn eigen ziel verliest?”
   De muziek klonk ineens vals en Dorian Gray verstijfde en staarde naar zijn vriend. “Waarom vraag je me dat, Harry?”
   “Mijn beste kerel”, zei Lord Henry, zijn wenkbrauwen verbaasd optrekkend, “Ik vroeg het je omdat ik dacht dat je misschien in staat was mij een antwoord te geven. Dat is alles. Ik liep vorige zondag door het park en dicht bij de Marble Arch stond er een kleine menigte van sjofel uitziende mensen die naar een of andere vulgaire straatpredikant luisterden. Toen ik er voorbij kwam hoorde ik hoe de man met een schreeuwstem diezelfde vraag naar zijn publiek slingerde. Het trof mij als iets met een dramatische kwaliteit. Londen is een stad die erg rijk is aan dergelijke eigenaardige effecten. Een natte zondag, een ongemanierde Christen in een mackintosh, een kring van ziekelijk witte gezichten onder een kapot dak van paraplus, en een wonderlijke zin die in de lucht geslingerd wordt door een schrille, hysterische stem - het was echt heel goed op zijn manier, heel suggestief. Ik speelde met de gedachte om aan die profeet te zeggen dat kunst een ziel had, maar mensen niet. Maar ik ben bang dat hij me niet begrepen zou hebben.”
   “Zeg dat niet, Harry. De ziel is een verschrikkelijke realiteit. Ze kan gekocht worden, en verkocht, en verkwanseld. Ze kan vergiftigd worden of vervolmaakt. In ieder van ons zit een ziel. Ik weet het.”
   “Ben je daar helemaal zeker van, Dorian?”
   “Heel zeker.”
   “Ah! Dan moet het een illusie zijn. De dingen waarvan men absoluut zeker is zijn nooit waar. Dat is het noodlot van het geloof, en de les in romantiek. Hoe ernstig ben je toch! Wees niet zo ernstig. Wat hebben jij of ik te maken met de bijgelovigheden van onze tijd? Nee: we hebben het geloof in de ziel opgegeven. Speel iets voor mij. Speel een nocturne, Dorian, en terwijl je speelt moet je mij met zachte stem vertellen hoe het komt dat je je jeugdigheid hebt kunnen bewaren. Je moet één of ander geheim hebben. In ben slechts tien jaar ouder dan jij en ik ben gerimpeld, en afgeleefd, en geel. Jij bent werkelijk wonderbaar, Dorian. Je hebt er nooit charmanter uitgezien dan vanavond. Je doet me denken aan de dag toen ik je voor het eerst zag. Je was nogal brutaal, zeer verlegen en absoluut buitengewoon. Je bent natuurlijk veranderd, maar niet uiterlijk. Ik wou dat je mij je geheim verklapte. Om mijn jeugd terug te krijgen zou ik alles ter wereld willen doen, behalve beweging nemen, vroeg opstaan of deugdzaam zijn. Jeugd! Er is niets dat eraan kan tippen. Het is absurd om te spreken over de onwetendheid van de jeugd. De enige mensen naar wie ik tegenwoordig met enig respect luister zijn mensen die veel jonger zijn dan ikzelf. Ze schijnen verder te staan dan ik. Het leven heeft aan hen zijn nieuwste wonder geopenbaard. Wat de ouderen betreft, die spreek ik altijd tegen. Ik doe het uit principe. Indien je naar hun mening vraagt over iets dat gisteren gebeurd is, geven ze je plechtig de meningen die opgang maakten in 1820, toen mensen nog hoge kousen droegen, in alles geloofden, en absoluut niets wisten. Hoe liefelijk is het ding dat je nu speelt! Ik vraag me af of Chopin het geschreven heeft op Majorca, toen de zee rond zijn villa huilde en zoute waterdruppels verstuifden tegen zijn luiken? Het is wonderlijk romantisch. Welk een zegen is het dat we tenminste nog één kunstvorm hebben die niet beeldend is! Stop niet. Ik wil vannacht muziek. Het lijkt alsof jij de jonge Apollo bent en ik Marsyas die naar je luistert. Ik heb verdriet, Dorian, een persoonlijk verdriet waar zelfs jij niets over weet. De tragedie van de oude dag is niet dat men oud wordt, maar dat men jong is. Ik sta soms verbaasd over mijn eigen oprechtheid. Ah, Dorian, hoe gelukkig ben jij! Wat een uitzonderlijk leven heb jij gehad! Je hebt volop van alles gedronken. Je hebt de druiven tegen je verhemelte geplet. Niets is voor jou verborgen gebleven. En het is voor jou allemaal niet meer geweest dan het geluid van muziek. Het heeft je niet getekend. Je bent nog altijd dezelfde.”
   “Ik ben niet meer dezelfde, Harry.”
   “Ja, je bent wel dezelfde. Ik vraag me af hoe de rest van je leven er zal uitzien. Verknoei het niet door zelfverloochening. Zoals je nu bent ben je perfect. Maak jezelf niet onvolledig. Je bent nu vlekkeloos. Schudt je hoofd niet; je weet dat je het bent. En ook, Dorian, hou jezelf niet voor de gek. Het leven wordt niet geleid door de wil of voornemens. Leven is een kwestie van zenuwen, vezels en langzaam opgebouwde cellen waarin het denken zich verbergt en de passie haar dromen heeft. Je kunt jezelf voorliegen dat je veilig bent en denken dat je sterk bent. Maar een toevallige kleurschakering in een kamer of een ochtendhemel, een bijzondere geur waar je eens van gehouden hebt en die subtiele herinneringen met zich meebrengt, een regel uit een vergeten gedicht die je opnieuw raakt, een cadans in een muziekstuk dat je sinds lang niet meer hebt gespeeld - ik zeg het je, Dorian, dat het van deze dingen is dat onze levens afhangen. Browning schrijft daar ergens over; maar onze eigen zintuigen zullen ze voor ons verbeelden. Er zijn ogenblikken waarop de geur van witte seringen me plots tegemoet waait en ik de meest vreemde maand uit mijn leven opnieuw moet beleven. Ik wou dat ik met jou van plaats kon wisselen, Dorian. De wereld heeft zijn stem tegen ons verheven, maar hij heeft je altijd aanbeden. Hij zal je altijd aanbidden. Jij bent het type waar de bewoners van deze eeuw op zoek naar zijn, en waar ze bang van worden zodra ze hem gevonden hebben. Ik ben zo blij dat je nooit iets gedaan hebt, nooit een standbeeld hebt uitgehouwen, of een schilderij hebt geschilderd of iets buiten jezelf hebt geproduceerd! Het leven is jouw kunstwerk geweest. Je bent muziek beginnen spelen. Je dagen zijn jouw sonnetten.”
   Dorian stond op van de piano en liet zijn hand door zijn haar glijden. “Ja het leven is verrukkelijk geweest”, mompelde hij, “maar ik zal hetzelfde leven niet meer leiden, Harry. En je moet deze extravagante dingen niet tegen mij zeggen. Je weet niet alles over mij. Ik denk dat indien je het zou weten, jij je van mij zou afkeren. Je lacht. Lach niet.”
   “Waarom ben je gestopt met spelen, Dorian? Ga terug en speel die nocturne opnieuw voor mij. Kijk naar die grote honingkleurige maan die in de donkere lucht hangt. Ze wacht op jou om haar te bekoren, en indien je speelt zal ze dichter naar de aarde komen. Wil je niet? Laat ons dan naar de club gaan. Het is een betoverende avond geweest en we moeten hem toverachtig besluiten. Er is iemand bij White's die dolgraag met jou kennis zou willen maken - de jonge Lord Poole, de oudste zoon van Bournemouth. Hij heeft reeds je dassen gecopieerd en heeft me gesmeekt om hem aan jou voor te stellen. Hij is nogal verrukkelijk en doet me aan jou denken.”
   “Ik hoop van niet”, zei Dorian met een treurige blik in zijn ogen. “Maar ik ben moe, Harry. Ik ga niet naar de club. Het bijna elf uur en ik wil vroeg gaan slapen.”
   “Blijf toch. Je hebt nog nooit zo goed gespeeld als vanavond. Er lag iets wonderbaarlijks in je toetsaanslag. Het was expressiever dan ik het vroeger ooit gehoord heb.”
   “Dat komt omdat ik vanaf nu goed zal zijn”, antwoordde hij glimlachend. “Ik ben al een beetje veranderd?”
   “Voor mij kun je niet veranderen, Dorian”, zei Lord Henry. “Jij en ik zullen altijd vrienden zijn.”
   “En toch heb je me ooit vergiftigd met een boek. Ik zou je dat niet mogen vergeven. Harry, beloof me dat je dat boek nooit meer aan iemand uitleent. Het doet kwaad.”
   “Mijn beste jongen, je begint werkelijk al te moraliseren. Het zal je weldra vergaan zoals de bekeerde, en de herborene, de mensen waarschuwend voor alle zonden die ze zelf beu zijn. Je bent daarvoor veel te verrukkelijk. En daarbij, het haalt toch niets uit. Jij en ik zijn wat we zijn, en zullen zijn wat we zullen zijn. En wat dat giftige boek betreft: er bestaat niet zoiets. Kunst heeft geen invloed op handelingen. Ze vernietigt het verlangen om te handelen. Ze is magnifiek steriel. De boeken die de wereld immoreel noemt zijn de boeken die de wereld zijn eigen schande tonen. Dat is alles. Maar we gaan niet discussieren over literatuur. Kom morgen langs. Ik ga om elf uur een ritje maken. We kunnen samen rijden en ik zal je nadien meenemen naar de lunch bij Lady Branksome. Ze is een charmante vrouw en ze wil je mening over een aantal wandtapijten die ze zou willen kopen. Denk eraan dat je komt. Of zullen we lunchen met onze kleine hertogin? Ze zegt dat ze je nu nooit meer ziet. Ben je Gladys misschien een beetje beu? Ik dacht dat je dat zou zijn. Haar slimme tong kan iemand op de zenuwen werken. Wel, in elk geval, zorg dat je tegen elf uur hier bent.”
   “Moet ik echt komen, Harry?”
   “Zeker. Het park is nu erg mooi. Ik denk niet dat er ooit zulke mooie seringen zijn geweest sinds het jaar dat ik jou leerde kennen.”
   “Heel goed. Ik zal er tegen elf uur zijn”, zei Dorian. “Goedenacht, Harry.” Toen hij bij de deur was aarzelde hij een ogenblik alsof hij nog iets wou zeggen. Toen zuchtte hij en ging naar buiten.



20 Hoofdstuk 20


  

Het was een liefelijke nacht, zo warm dat hij zijn jas over zijn arm legde en zelfs niet eens zijn zijden sjaal rond zijn nek deed. Terwijl hij naar huis kuierde, zijn sigaret rokend, passeerden er twee jonge mannen in avondkleding. Hij hoorde één van hen tegen de andere fluisteren: “Dat is Dorian Gray.” Hij herinnerde zich hoeveel plezier het hem vroeger deed wanneer hij aangewezen werd, of er naar hem gestaard werd, of over hem gesproken werd. Nu was hij het moe zijn eigen naam te horen. De halve charme van het kleine dorpje waar hij onlangs zo vaak was geweest bestond erin dat niemand wist wie hij was. Hij had vaak tegen het meisje, dat hij verlokt had om van hem te houden, gezegd dat hij arm was en ze had hem geloofd. Op een keer had hij haar verteld dat hij verdorven was, en ze had met hem gelachen en geantwoord dat verdorven mensen altijd oud en lelijk waren. Welk een lach had ze - net een zingende lijster. En hoe mooi had ze eruit gezien in haar katoenen jurk en haar brede hoed! Ze wist niets, maar ze had alles wat hij verloren had.
   Toen hij aan zijn huis kwam stond zijn huisknecht hem op te wachten. Hij stuurde hem naar bed en liet zich in de bibliotheek op de sofa vallen en begon na te denken over enkele dingen die Lord Henry tegen hem had gezegd.
   Was het werkelijk waar dat men nooit kon veranderen? Hij voelde dat hevige verlangen naar de smetteloze zuiverheid van zijn jeugd - zijn wit-roze jongensperiode, zoals Lord Henry het genoemd had. Hij wist dat hij zichzelf besmeurd had, zijn geest had gevuld met corruptie en dat hij de gruwelen van zijn fantasie had gevolgd; dat hij een slechte invloed op anderen had gehad, en dat hij er een verschrikkelijke vreugde in had gevonden om zo te zijn; en dat van alle levens die het zijne hadden gekruist, het de mooiste en meest beloftevolle waren die hij in schande had gestort. Maar was het allemaal onherstelbaar? Was er geen hoop voor hem?
   Ah! In welk een monsterlijk moment van trots en passie had hij gebeden dat het portret de last van zijn dagen zou dragen, en dat hij de onbezoedelde schittering van de eeuwige jeugd zou behouden! Al zijn fouten waren daaraan te wijten. Het zou beter voor hem geweest zijn indien hij voor elke zonde in zijn leven onmiddellijk was afgestraft geweest. Er was loutering in straf. Niet 'Vergeef ons onze zonden' maar 'Straf ons voor onze misdaden' zou het gebed van de mens tegenover een rechtvaardige God moeten zijn.
   De vreemd uitgesneden spiegel die Lord Henry hem gegeven had, nu zoveel jaren geleden, stond op de tafel en de Cupidos met hun witte ledematen lachten hem als vanouds toe. Hij nam hem op, zoals hij gedaan had in die verschrikkelijke nacht toen hij de eerste verandering in het fatale portret had opgemerkt en met wilde, door tranen omfloerste ogen keek hij in het gepolijste schild. Ooit had iemand die zielsveel van hem hield een dwaze brief naar hem geschreven, eindigend met de afgodische woorden: “De wereld is veranderd omdat jij gemaakt bent van ivoor en goud. De kromming van je lippen herschrijft de geschiedenis.” Die regels kwamen terug boven uit zijn geheugen en hij herhaalde ze steeds opnieuw voor zichzelf. Daarna kreeg hij een afke